- Decision of January 10, 2012

10/01/2012 - M11-5-0022/7893

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

In de klacht met burgerlijke partijstelling d.d. 1 februari 2007 worden de feiten als volgt beschreven:

"Mevrouw Z. Ingrid en verzoeker hebben 9 maanden een relatie gehad.

Begin september 2006 staken een aantal problemen de kop op welke uiteindelijk aanleiding gaven op 4 september 2006 tot een dispuut ten huize van verzoeker te Beringen waarbij verzoeker meedeelde dat hij de relatie wenste te beëindigen.

Hierop haalde mevrouw Z. een bus haarlak tevoorschijn waarmee hij verzoeker in de ogen wou spuiten. Verzoeker slaagde er evenwel in deze spuitbus van zich af te weren.

Even later echter haalde mevrouw Z. een kom onder de tafel vandaan en goot de inhoud hiervan in het aangezicht van verzoeker. De vloeistof die verzoeker in zijn gezicht kreeg, bleek ammoniak te zijn. Verzoeker was volledig verblind door het product en verkeerde tevens in ademnood.

Hij diende op handen en voeten naar buiten te kruipen.

Mevrouw Z. probeerde hem dit echter te verhinderen. Zij hield de deur toe en bracht verzoeker verscheidene messteken toe in zijn hoofd, rug en arm, met een mes dat zij op zak had."

II. Vervolging

Bij tussenvonnis van de Correctionele rechtbank te ... d.d. 20 februari 2009 werd mevrouw Ingrid Z. wegens het plegen van de sub I vermelde feiten (toebrengen van opzettelijke verwondingen of slagen aan verzoeker, zonder voorbedachtheid) veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van 12 maanden. Op burgerlijk gebied werd ze veroordeeld tot betaling van de provisionele som van EUR 1.000 aan verzoeker. Tevens werd Dr. L. Dessers als deskundige aangesteld, met de gebruikelijke opdracht.

Bij tussenvonnis van 12 juni 2009 werd mevrouw Z. veroordeeld tot betaling van een bijkomende provisie van EUR 500, waarvan EUR 300 werd vrijgegeven aan de deskundige.

Bij eindvonnis van 3 september 2010 werd Z. veroordeeld tot betaling van de som van EUR 41.187,22 meer intresten aan verzoeker.

III. Gevolgen van de feiten

Na de feiten werd verzoeker per ziekenwagen overgebracht naar het Sint-Franciscusziekenhuis te ..., alwaar de volgende letsels werden vastgesteld:

- meerdere kleine snijwonden t.h.v. hoofd, rug en linkerarm;

- spanningspneumothorax (klaplong);

- schade linker oog t.g.v. chemische verbranding met ammoniak.

Verzoeker werd gehospitaliseerd van 4 september tot 7 september 2006.

De oogschade is ernstig en blijvend (nagenoeg volledig verlies van het zicht uit het linker oog). In haar medisch attest d.d. 13 maart 2008 stelt Prof. Dr. B. F. (Oogziekten UZ ...) dat de invaliditeit t.g.v. de verbranding van het linker oog 25 % bedraagt.

Verzoeker ontwikkelde tevens psychische klachten (slaapstoornissen, nachtmerries, voortdurend angstig). In zijn verslag d.d. 15 maart 2009 stelde Dr. O. B., psychiater-psychotherapeut, als diagnose: "posttraumatische stressstoornis met verlaat begin."

In zijn definitief deskundig verslag d.d. 7 juli 2009 weerhoudt Dr. L. D. de volgende graden en periodes van tijdelijke arbeidsongeschiktheid (bijberoep bouw na pensionering):

100 % van 04.09.06 t.e.m. 04.12.06

50 % van 05.12.06 t.e.m. 31.01.07

35 % van 01.02.07 t.e.m. 31.03.07.

Er is consolidatie op 1 april 2007, met een blijvende invaliditeit van 30 % (ernstig blijvend oogletsel met vermoedelijk volledig zichtverlies links) en een blijvende arbeidsongeschiktheid van 15 %.

De esthetische schade bedraagt 3 op de schaal van 7 (niet vatbaar voor correctie).

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

* Luidens het verzoekschrift betaalde mevrouw Z. via de gerechtsdeurwaarder reeds een bedrag af van EUR 270,72.

Mevrouw Z. werd toegelaten tot de collectieve schuldenregeling. De raadsman van verzoeker maakte aan de schuldbemiddelaar (mr. Wilfried R.) een aangifte van schuldvordering over t.b.v. EUR 52.269,04.

In zijn schrijven van 2 september 2011 deelde mr. R. mee dat mevrouw Z. slechts een beperkte invaliditeitsuitkering ontvangt, waardoor er slechts een kleine marge zal zijn om de schulden af te lossen.

* Verzoeker beschikt niet over enige verzekering in dekking van de geleden schade.

* Bij beslissing van de vijfde kamer van de Commissie d.d. 4 september 2009 werd aan verzoeker een noodhulp van EUR 2.500 toegekend ter dekking van onder meer medische kosten. Hierbij werd reeds enigszins geanticipeerd op toekomstige medische kosten.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van EUR 51.423,26:

- hoofdsom cf. vonnis van 03.09.2010: EUR 41.187,22

- kledijschade: EUR 150,00

- administratiekosten: EUR 125,00

- verplaatsingskosten: EUR 125,00

- medische kosten: EUR 601,97

- TAO moreel: EUR 3.565,25

- blijvende invaliditeit (30 %): EUR 22.680,00

30 % x EUR 1.512 per punt / 2 (enkel moreel)

- blijvende arbeidsongeschiktheid (15 %): EUR 11.340,00

15 % x EUR 1.512 per punt / 2 (enkel moreel)

- esthetische schade (3/7): EUR 3.600,00

provisie: - EUR 1.000,00

- intresten: EUR 8.736,04

- rechtsplegingsvergoeding: EUR 1.500,00

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen nageleefd te worden.

De Commissie wenst te benadrukken dat ze geen integrale schadeloosstelling verzekert. Ze kan, naar billijkheid, slechts een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van voornoemde wet.

Intresten worden hierin niet vermeld en vormen dus geen bestanddeel van de schade waarop de Commissie zich baseert bij het toekennen van een financiële hulp.

Het behoort overigens tot de constante rechtspraak van de Commissie - en deze vloeit voort uit de bedoeling van de wet - dat intresten niet in aanmerking komen voor een financiële hulp. De Commissie is van oordeel dat het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt, niet van toepassing is in het stelsel van financiële hulpverlening aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. De schuldenaar van de toegekende hulp, met name de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. Bovendien brengt ook in het gemeen recht de toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek niet mee dat de intresten automatisch verschuldigd zijn, vermits zij moeten gevraagd of gevorderd worden door het slachtoffer en de rechter ze niet mag toekennen wanneer een dergelijke vraag of vordering ontbreekt.

De Raad van State heeft zich in een uitvoerig gemotiveerd arrest bij de stellingname van de Commissie aangesloten (arrest nr. 165.787 van 12 december 2006).

Voor de medische kosten meent de Commissie evenmin een hulp te moeten toekennen, nu verzoeker hiervoor bij beslissing van 4 september 2009 reeds een noodhulp van EUR 2.500 ontving (bij de toekenning van dit bedrag werd reeds geanticipeerd op toekomstige kosten).

Artikel 33 § 1, eerste lid, van voornoemde wet bepaalt uitdrukkelijk dat de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is de beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St. Senaat, 1984-85, nr. 873/2/1°, 8). Dit uitgangspunt geeft aan de Commissie een ruime appreciatiebevoegdheid, zowel met betrekking tot de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als met betrekking tot de bepaling van de omvang ervan.

Eén en ander impliceert dat de door de Commissie toegekende hulp niet noodzakelijk overeenstemt met de volledige schadeloosstelling van het nadeel dat verzoeker heeft geleden. Het betekent eveneens dat de Commissie niet gebonden is door de schadevergoeding die door de rechter werd toegekend.

Wat het voorliggend dossier betreft, is de Commissie van oordeel dat de toekenning van een hulpbedrag van EUR 20.000 redelijk en gepast is.

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006.

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent een hulp toe van EUR 20.000.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 10 januari 2012.

De secretaris, De voorzitter,

G. VAN DEN ABBEELE D. DESMET

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 5 januari 2011, waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.