- Decision of February 3, 2012

03/02/2012 - M10-5-0410/7331

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

Op 26 augustus 2009 ging verzoeker, in zijn hoedanigheid van politie-inspecteur, aan het station te ... over tot de arrestatie van een drugsdealer (de genaamde Amine Z.). Deze laatste verzette zich hevig, waarbij verzoeker lichte verwondingen opliep.

II. Vervolging

Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te ... d.d. 22 januari 2010 werd de heer Amine Z., wegens het plegen van onder meer de sub I vermelde feiten ("In de uitoefening of ter gelegenheid van de uitoefening van diens bediening, Y. Koen, inspecteur verbonden aan de lokale politie ..., afdeling Centrum, een agent die drager is van de openbare macht, slagen toegebracht te hebben" + "tegen X. Tim en Y. Koen, beide inspecteur verbonden aan de lokale politie ..., afdeling Centrum, officier of agent van de administratieve of gerechtelijke politie, wanneer zij handelen ter uitvoering van de wetten, van de bevelen, of de beschikkingen van het openbaar gezag, van rechterlijke bevelen of van vonnissen, weerspannigheid, zijnde elke aanval, elk verzet met geweld of bedreiging te hebben gepleegd") veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van twee jaar en tot een geldboete van euro 5.500.

Op burgerlijk gebied werd hij veroordeeld tot betaling van een morele schadevergoeding van euro 500 meer intresten aan verzoeker.

III. Gevolgen van de feiten

Tijdens de arrestatie van de drugsdealer werd verzoeker tegen de muur geduwd, waarbij hij lichte verwondingen opliep t.h.v. de rechter onderarm en de linker duim.

Verzoeker deed geen beroep op medische verzorging.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

In zijn schrijven d.d. 22 maart 2010 deelt de raadsman van de dader mee dat zijn cliënt onvermogend is.

In een persoonlijk ondertekend schrijven verklaart verzoeker dat zijn werkgever ten tijde van de feiten niet over een exploitatiepolis beschikte met waarborg ‘onvermogen van derden'.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 500, overeenstemmend met de morele schadevergoeding die hem bij vonnis d.d. 22 januari 2010 werd toegekend.

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen nageleefd te worden.

Luidens artikel 31, 1°, van voormelde wet kan de Commissie een financiële hulp toekennen aan "personen die ernstige lichamelijke of psychische schade ondervinden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad."

De vereiste van een ernstige schade sluit aan bij de filosofie van de wet die voorziet in een stelsel van financiële hulpverlening dat geen integrale schadevergoeding garandeert en er op gericht is om, vanuit overwegingen van billijkheid en collectieve solidariteit, de zwaarste nood te lenigen van slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. In diezelfde geest werd geoordeeld dat in geval van geringe schade het slachtoffer zelf zijn schade moet dragen.

Volgens de vaste rechtspraak van de Commissie veronderstelt een "ernstige lichamelijke of psychische schade" als bedoeld in voormeld artikel, een blijvende arbeidsongeschiktheid of invaliditeit, langdurige tijdelijke arbeidsongeschiktheid en/of hoog oplopende medische kosten. Een ernstig letsel wordt ook aanvaard indien sprake is van een ernstig psychisch trauma dat deskundig behandeld werd.

Met betrekking tot de voorliggende zaak dient de Commissie vast te stellen dat uit de overgemaakte stukken niet blijkt dat aan één van de hierboven genoemde criteria is voldaan.

Daarenboven durft de Commissie op te merken dat er toch een zekere weerbaarheid mag verwacht worden van personen die een beroep uitoefenen waarbij het risico op confrontatie met geweld méér dan waarschijnlijk is (zoals het beroep van politieagent).

Alle omstandigheden in acht genomen is de Commissie van oordeel dat niet voldaan is aan de wettelijke voorwaarde van een ernstige schade, waardoor het hulpverzoek moet worden afgewezen.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk maar ongegrond.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 3 februari 2012.

De secretaris, De voorzitter,

G. VAN DEN ABBEELE D. DESMET

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 6 april 2010, waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.