- Decision of March 1, 2012

01/03/2012 - M10-5-1046/7686

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

In het PV van verhoor van verzoeker, afgenomen door de Lokale Politie Regio ... d.d. 6 december 2004, lezen we:

"Hedenmorgen, 06/12/04 omstreeks 09:15 uur bevond ik mij in de studie van de school K., gelegen te ..., ... . Wij zaten met een 23-tal personen in de studie. Wij waren aan het wachten tot de leerkracht ons een taak bezorgde gezien het de bedoeling was dat wij heden op studiereis gingen naar ... . Een medestudent zat ons uitdagend aan te kijken. Mijn vriend, zijnde D. Matthias, vroeg hem beleefd of er iets was. Ikzelf was even weggegaan. Toen ik terug kwam, hoorde ik mijn vriend Matthias diezelfde persoon iets vragen over zijn ketting dat hij aan had. Ik zei tegen mijn vriend laat het zo zijn want het is nog een klein manneke. Dit moet blijkbaar bij hem in het verkeerde keelgat geschoten zijn. Hij deed zijn jas uit, kwam voor mij staan en zonder nog één woord te zeggen sloeg hij mij in mijn aangezicht, meer bepaald op mijn linkeroog. Ik ben hierbij onmiddellijk op de grond gevallen. Doch hij bleef mij slagen en mij stampen. Hij heeft nog een achttal maal geslagen al zeggende dat hij mij kapot ging maken. De leerkracht, die studiebegeleiding had, is onmiddellijk tussenbeide gekomen en heeft ons uit elkaar gehaald en heeft de dader apart in een lokaal gezet. (...)."

II. Vervolging

Bij vonnis van de Jeugdrechtbank te ... d.d. 8 oktober 2008 werden de sub I vermelde feiten bewezen verklaard lastens de heer Isa Z. (° 1987) en liep hij een berisping op.

Op burgerlijk gebied meende de rechtbank dat er objectieve elementen voorhanden waren die wijzen op uitlokking in hoofde van de burgerlijke partij Andres X.. Isa Z. en zijn burgerlijk aansprakelijke ouders werden solidair veroordeeld tot betaling van de som van euros 1.274,85 meer intresten aan verzoeker.

III. Gevolgen van de feiten

Na de feiten werd verzoeker overgebracht naar de CM kliniek Sint-Jozef te .... Na controle en hechting van het linker ooglid mocht hij huiswaarts keren.

In zijn verslag d.d. 16 april 2008 weerhoudt adviserend geneesheer Dr. Marc De K. de volgende graden van tijdelijke arbeidsongeschiktheid

100 % van 06.12.04 t.e.m. 21.12.04 (schoolongeschiktheid)

25 % van 22.12.04 t.e.m. 31.12.04.

Voorts een tijdelijke invaliditeit als volgt:

15 % van 01.01.05 t.e.m. 31.01.05

10 % van 01.02.05 t.e.m. 28.02.05

5 % van 01.03.05 t.e.m. 31.03.05

2 % van 01.04.05 t.e.m. 06.06.05

100 % van 07.06.05 t.e.m. 07.06.05

10 % van 08.06.05 t.e.m. 22.06.05.

Er is consolidatie op 23 juni 2005, zonder restletsels.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

• dader

Het sub II vermeld vonnis d.d. 8 oktober 2008 werd bij deurwaardersexploot d.d. 26 mei 2009 aan Isa Z. en zijn ouders betekend, met bevel tot betalen bij exploot d.d. 1 juli 2009 en 29 juli 2009. Hierop volgde evenwel geen reactie.

In zijn schrijven d.d. 1 maart 2010 verklaarde gerechtsdeurwaarder P. Eyskens dat er geen uitvoeringsmogelijkheden zijn lastens voornoemden (ze zijn allen ambtshalve afgevoerd sedert 22 oktober 2009).

• verzekering

Het luik rechtsbijstand van de familiale polis (DVV Verzekeringen) van (de ouders van) verzoeker bevat in artikel 5 een insolventieclausule, welke als volgt luidt:

"Wanneer wij het onvermogen van de gekende aansprakelijke vaststellen door een onderzoek of via gerechtelijke weg, waarborgen wij aan de verzekerde de betaling van de vergoeding die hem door een tegensprekelijk vonnis is toegekend, na aftrek van een niet-geïndexeerde franchise van 250 EUR.

Deze waarborg:

- kan slechts ingeroepen worden in het kader van de waarborg verhaal;

- geldt slechts in zover de tegemoetkoming van iedere andere openbare of privé-instelling uitgeput is;

- kan niet ingeroepen worden voor schade die het gevolg is van een diefstal."

In haar schrijven d.d. 19 april 2010 liet DVV weten geen tussenkomst te verlenen op basis van de waarborg onvermogen, "aangezien er geen bewijs van insolvabiliteit van de tegenpartij is."

Om haar standpunt kracht bij te zetten, verwees DVV per brief van 3 februari 2011 naar een vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te ... d.d. 17 december 2004, waarin het volgende te lezen staat: "Het loutere gebrek aan vaste woon- of verblijfplaats is op zich, bij gebreke aan andere indicatoren, niet voldoende om als bewijs van onvermogendheid aanvaard te worden."

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euros 1.674,85 meer intresten:

- hoofdsom cf. vonnis d.d. 08.10.08: euros 1.274,85

- opleg medische kosten: euros 62,14

- kledijschade: euros 150,00

- administratieve kosten: euros 75,00

- morele schade TAO: euros 756,00

- meerinspanningen: euros 231,71

- rechtsplegingsvergoeding: euros 400,00

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen nageleefd te worden.

De Commissie wenst te benadrukken dat ze geen integrale schadeloosstelling verzekert. Ze kan, naar billijkheid, slechts een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van voormelde wet. ‘Meerinspanningen' zijn daarbij niet opgenomen en komen dus niet in aanmerking voor vergoeding.

Eenzelfde opmerking geldt met betrekking tot de intresten.

Het behoort overigens tot de constante rechtspraak van de Commissie - en deze vloeit voort uit de bedoeling van de wet - dat intresten niet in aanmerking komen voor een financiële hulp. De Commissie is van oordeel dat het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt, niet van toepassing is in het stelsel van financiële hulpverlening aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. De schuldenaar van de toegekende hulp, met name de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. Bovendien brengt ook in het gemeen recht de toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek niet mee dat de intresten automatisch verschuldigd zijn, vermits zij moeten gevraagd of gevorderd worden door het slachtoffer en de rechter ze niet mag toekennen wanneer een dergelijke vraag of vordering ontbreekt.

De Raad van State heeft zich in een uitvoerig gemotiveerd arrest bij de stellingname van de Commissie aangesloten (arrest nr. 165.787 van 12 december 2006).

Voor de rechtsplegingsvergoeding kan evenmin een hulp worden toegekend, nu de procedurekosten ten laste worden genomen door de rechtsbijstandsverzekeraar.

Artikel 33 § 1, eerste lid, van de wet van 1 augustus 1985 bepaalt uitdrukkelijk dat de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is de beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St. Senaat 1984-85, nr. 873/2/1°, 8). Dit uitgangspunt geeft aan de Commissie een ruime appreciatiebevoegdheid, zowel met betrekking tot de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als met betrekking tot de bepaling van de omvang ervan.

Eén en ander impliceert dat de door de Commissie toegekende hulp niet noodzakelijk overeenstemt met de volledige schadeloosstelling van het nadeel dat verzoeker heeft geleden. Het betekent eveneens dat de Commissie niet gebonden is door de schadevergoeding die door de rechter werd toegekend.

Wat het voorliggend dossier betreft, is de Commissie van oordeel dat de toekenning van een forfaitair hulpbedrag van euros 750 redelijk en gepast is.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006.

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent een hulp toe van euros 750.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 1 maart 2012.

De secretaris, De voorzitter,

G. VAN DEN ABBEELE L. VULSTEKE

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 24 september 2010, waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.