- Decision of March 23, 2012

23/03/2012 - M11-7-1048/8497

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

Verzoeker kwam als 12-jarige in contact met de genaamde Z.. De laatste, een orthopedagoog, handelde in zijn functie als pleegouder en als verantwoordelijke van het kinderhotel K. te .... Hij misbruikte zijn gezagsfunctie om de jonge kinderen die hem toevertrouwd waren onder meer alcoholische dranken toe te dienen en hen pornovideo's te doen bekijken. Daarna pleegde hij misbruik op hen.

Verzoeker onderging de feiten van 1996 tot 2000.

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 28 februari 2007 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werden onder meer de volgende tenlasteleggingen bewezen verklaard in hoofde van de genaamde Z. (° 1970), en waarvoor deze veroordeeld werd tot 5 jaar gevangenisstraf met probatie-uitstel:

"."A.

De misdaad van verkrachting, zijnde elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd te hebben op de persoon van een kind boven de volle leeftijd van veertien jaar en beneden die van zestien jaar op het ogenblik der feiten, die daar niet in had toegestemd, hetzij doordat de daad is opgedrongen door middel van geweld, dwang of list, hetzij mogelijk is gemaakt door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of een geestelijk gebrek van het slachtoffer, met de omstandigheid dat de schuldige behoort tot degenen die over het slachtoffer gezag hebben en misbruik heeft gemaakt van het gezag of de faciliteiten die zijn functies hem verleenden;

1. [...]

2. [...]

3. Te ... tussen ../../1998 en ../../2000, op niet nader te bepalen tijdstippen, meermaals

namelijk op X., geboren op ../../1984 te ...

B.

Het misdrijf dat beschouwd wordt als verkrachting met behulp van geweld, zijnde elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd te hebben op de persoon van het kind dat de volle leeftijd van veertien jaar niet had bereikt, doch volle tien jaar oud was op het ogenblik der feiten, met de omstandigheid dat de schuldige behoort tot degenen die over het slachtoffer gezag hebben en misbruik heeft gemaakt van het gezag of de faciliteiten die zijn functies hem verleenden;

1.[...]

2. [...]

3. [...]

4. Te ..., of elders in het Rijk, tussen 15 oktober 1996 en ../../1998, op niet nader te bepalen tijdstippen, meermaals

namelijk op X., geboren op ../../1984 te ... "

Op burgerlijk vlak werd Z. veroordeeld tot betaling van euro 1.000 provisioneel aan verzoeker.

Psychiater dr. Carlos V. werd aangesteld als geneesheer-deskundige met de gebruikelijke opdrachten.

Bij eindvonnis dd. 2 februari 2011 van dezelfde rechtbank werd Z. veroordeeld tot betaling van de som van euro 15.662,75 aan verzoeker, meer de intresten. Het totaalbedrag van

euro 16.662,75 voor de morele schade TWO werd door de rechtbank verminderd met de reeds toegewezen provisie van euro 1.000.

"Verleent de heer X. voorbehoud voor alle medische en/of psychologische behandelingen, waarvan dat er kan bewezen worden dat de dienstbaarheid van deze behandelingen in een rechtstreeks en oorzakelijk verband staat met de opgelopen feitelijkheden tussen 15 oktober 1996 en ../../2000."

III. Gevolgen van de feiten

Conclusies van gerechtsdeskundige psychiater dr. Carlos Vandecasteele in zijn verslag van 25/10/2007:

2. Klinisch onderzoek

Bewustzijn in tijd, ruimte en des persoons is normaal. De corticale en subcorticale cognities zijn goed bewaard. Er zijn geen aanwijzingen voor bewustzijnsvermindering, bewustzijnsverandering, en voor versperringen in het bewustzijn. Onderzochte vertoont geen tekens van conversie en/of van dissociatietoestand. Er zijn geen tekens van een manisch-depressieve psychose en/of van een aan schizofrenie verwante psychose. De persoonlijkheidsorganisatie van onderzochte vertoont een

normaal profiel. Uit het belevingsonderzoek mag blijken dat onderzochte de inbreuk op zijn seksuele intimiteit in hoofdzaak heeft verdrongen binnen het tot stand komen van zijn puberteits- en zijn adolescentaire ontwikkeling. De voldoende rijpheid van zijn emotionele intelligentie heeft ertoe bijgedragen dat onderzochte de inbreuken rationeel heeft weten te plaatsen mits cognitieve inspanningen en affectieve aanpassingen, waardoor er een psychische decompensatie van zijn functioneren is ontstaan in een rechtstreeks oorzakelijk verband met de feitelijkheden tot aan zijn 16 jaar, de verwerking van de feitelijkheden tot aan de leeftijd van 21 jaar en een plaats geven aan de feitelijkheden in de loop van de laatste jaren gelijklopend uitbouw van duurzaam partnerrelatiepatroon. Mits behoud van een nog normaal verlopen individuatie- en identificatieproces tijdens het verloop van zijn jeugdontwikkeling zowel tijdens de puberteit als tijdens de adolescentie met de intrinsiek daaraan verbonden loyauteits- en parentificatiemodellen die behoren bij zijn leeftijd, dient er besloten te worden dat onderzochte het slachtoffer geweest is van seksueel misbruik sinds de leeftijd van 12 jaar met als gevolg een psychische decompensatie tot op heden die als dusdanig kan geconsolideerd worden met tijdelijke invaliditeiten over het verloop van de leeftijd van 12 jaar en

4 maand tot aan de leeftijd van 16 jaar, van de leeftijd van 17 jaar tot en met de volle leeftijd van 21 jaar, tenslotte vanaf de leeftijd van 22 jaar tot op heden met een consolidatie zonder verdere tijdelijke

of blijvende invaliditeit en/of enige vorm van arbeidsongeschiktheid, terwijl dat het evenmin nuttig dan wel wenselijk is therapie te volgen aangaande de aard van de opgelopen psychotraumatologie mits tot stand laten komen van spontaan herstel, met dien verstande dat er in de toekomst altijd recht dient verleend te worden aan alle medische en/of psychologische behandelingen, waarvan dat er kan bewezen worden dat de dienstbaarheid van deze behandelingen in een rechtstreeks en oorzakelijk verband staat met de feitelijkheden.

3. Besluit

Na partijen te hebben opgeroepen volgens de regels van het Gerechtelijk Wetboek en na kennis genomen te hebben van het strafdossier en op tegensprekelijke wijze het slachtoffer dhr. X. grondig onderzocht te hebben, meent ondergetekende dat de letsels van onderzochte dienen bepaald te worden als een psychische decompensatie van een normale persoon over het

verloop van de puberteits- en adolescentenontwikkeling tot op heden ten gevolge van de feiten, uitsluitend voortspruitend uit de seksuele handelingen van beklaagde waarvoor hij veroordeeld is, waarbij de fysische en psychische invaliditeiten als volgt dienen bepaald te worden:

- 25% TI van 15/10/1996 t/m 14/06/2000

- 15% TI van 15/06/2000 t/m 14/06/2005

- 10% TI van 15/06/2005 t/m 14/06/2006

- 5% TI van 15/06/2006 t/m 14/06/2007

- 3% TI van 15/06/2007 t/m 15/10/2007

Consolidatie op 16.10.2007 zonder verdere tijdelijke of blijvende invaliditeit en/of enige vorm van arbeidsongeschiktheid, terwijl dat de aard en de prognose van het herstel van de opgelopen psychotraumatologie spontaan dient te verlopen zonder dat het nuttig of wenselijk is dat er enige therapie dient gevolgd te worden, waarvan de aard en de duur en in de mate van het mogelijke de kostprijs dient voorzien te worden, met dien verstande dat er in de toekomst recht dient verleend te worden aan alle medische en/of psychologische behandelingen, waarvan dat er kan bewezen worden dat de dienstbaarheid van deze behandelingen in een rechtstreeks en oorzakelijk verband staat met de opgelopen feitelijkheden tussen 15 oktober 1996 en ../../2000.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. De instrumenterende gerechtsdeurwaarder laat op 26 april 2011 weten dat uitvoering van het vonnis niet mogelijk is. De veroordeelde bewoont een studio en bezit geen onroerend goed.

IV-2. Familiaal verzekeraar ETHIAS keerde op grond van de clausule ‘onvermogen van derden' een tussenkomst van euro 6.197,24 uit. Dit bedrag werd proportioneel tussen verzoeker en zijn ouders verdeeld. Aan verzoeker kwam euro 4.433,96 toe.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 16.662,75 (zie rubriek II) meer de intresten.

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985:

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade :

1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;

3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;

5° de esthetische schade;

6° de procedurekosten;

7° de materiële kosten;

8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren."

‘Intresten' zijn daarbij niet opgenomen en komen dus niet in aanmerking voor een financiële hulp. Het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt is hier niet van toepassing; immers de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. De zienswijze van de Commissie ten aanzien van de intresten werd bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

Gelet op het subsidiariteitsbeginsel, dat vervat ligt in artikel 31bis, § 1, 5° van voormelde wet, dient de Commissie bij de toekenning van een hulpbedrag rekening te houden met de door de verzoeker genoten tussenkomst vanwege zijn verzekeraar (in casu euro 4.433,96).

Rekening houdende enerzijds met de ernst van de feiten en de opgelopen schade en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten en de tussenkomst door de verzekeraar, meent de Commissie aan verzoeker in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op euro 12.500.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoeker een hulp toe van euro 12.500.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 23 maart 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 3 oktober 2011 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.