- Decision of April 16, 2012

16/04/2012 - M11-7-0832/8356

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Voorgaanden

Op 18 maart 2009 had verzoeker reeds een aanvraag tot financiële nood- en hoofdhulp ingediend, als gevolg van dezelfde schadeverwekkende feiten hem overkomen in de periode 1997-1999 die thans opnieuw het voorwerp uitmaken van voorliggend verzoekschrift. De eerste kamer van de Commissie sprak zich op 6 januari 2010 uit over het eerste verzoekschrift in volgende bewoordingen:

" I. Feiten

De verzoeker stelt dat de dader met geweld en onder fysieke, morele en psychische bedreigingen obligaties gestolen heeft: de waardepapieren werden uit zijn handen gerukt. Verder werd hij onder fysieke, morele en sociale bedreigingen verplicht om een lening in het voordeel van de dader aan te gaan. Ook de bankdirecteur van KBC te ... heeft hem meermaals opzettelijk geïntimideerd.

II. Vervolging

Bij arrest van het Hof van beroep te ... dd. 24 september 2008 werd Harry Z. (geboren op ../../1946, handelaar) onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden en een geldboete van 300 euro wegens

A. Met het oogmerk om zich een zaak toe te eigenen, die aan een ander toebehoort, zich gelden, roerende goederen, verbintenissen, kwijtingen, schuldbevrijdingen te hebben doen afgeven of leveren, hetzij door het gebruikmaken van valse namen, of valse hoedanigheden, hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen om te doen geloven aan het bestaan van valse ondernemingen, van een denkbeeldige macht of van een denbeeldig krediet, om een goede afloop, een ongeval of enige andere hersenschimmige gebeurtenis te doen verwachten of te doen vrezen of om op een andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen of van de lichtgelovigheid, namelijk ...

Als dader, ofwel om een misdaad of een wanbedrijf hieronder omschreven te hebben uitgevoerd, ofwel om aan de uitvoering rechtstreeks te hebben medegewerkt, ofwel om door enige daad, tot de uitvoering ervan zodanige hulp te hebben verleend dat, zonder hun bijstand, de misdaad of het wanbedrijf niet had kunnen worden gepleegd, ofwel om door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, rechtstreeks het misdrijf te hebben uitgelokt:

VI. 1. 449.153,- BF, bij samenhang te ... op 11 december 1998 ten nadele van X.

Nicolas,

2. 500.000,- BF, bij samenhang te ... op 17 november 1998 ten nadele van BVBA

Y. - X.,

B. Goederen, gelden, koopwaren, biljetten, kwijtingen, geschriften van om het even welke aard, die een verbintenis of een schuldbevrijding inhouden of teweegbrengen, en die hem overhandigd zijn onder verplichting om ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, bedrieglijk te hebben verduisterd of verspild, namelijk:

III. Als dader, ofwel om een misdaad of een wanbedrijf hieronder omschreven te hebben uitgevoerd, ofwel om aan de uitvoering rechtstreeks te hebben medegewerkt, ofwel om door enige daad, tot de uitvoering ervan zodanige hulp te hebben verleend dat, zonder hun bijstand, de misdaad of het wanbedrijf niet had kunnen worden gepleegd, ofwel om door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, rechtstreeks het misdrijf te hebben uitgelokt:

1 1.200.00 ,- BF, bij samenhang te ... op 16 november 1998

2 95.000 ,- BF, bij samenhang te ... op 16 november 1998,

3 407.00 ,- BF, bij samenhang te Brugge op 16 november 1998,

4 145.000 ,- BF, bij samenhang te Brugge op 16 november 1998,

5 148.000 ,- BF, bij samenhang te Brugge op 20 november 1998,

6 473.000 ,- BF, bij samenhang te Brugge op 28 januari 1999,

7 26.0000 ,- BF, bij samenhang te Brugge op 2 februari 1999,

8 20.000 ,- BF, bij samenhang te Oostkamp op 20 mei 1999,

9 20.000 ,- BF, bij samenhang te ... op 26 mei 1999,

10 50.000 ,- BF, bij samenhang te Antwerpen op 11 juni 1999,

ten nadele van X. Nicolas en BVBA Y.-X.

Op burgerlijk gebied werd hij veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding van 2.700 euro aan de verzoeker en tot het betalen van een schadevergoeding van 91.009,00 euro.

III. Financiële middelen en schadeloosstelling

Gerechtsdeurwaarder Willem P. laat op 28 augustus 2007 weten dat het dossier oninvorderbaar is: "Hij is een gewiekste oplichter en zeer gekende debiteur die het klappen van de zweep kent en zich totaal en integraal insolvabel heeft gemaakt."

IV. Begroting van de schade door de verzoeker

De verzoeker vraagt hem het maximum toe te kennen wegens:

- gemis aan gestolen gelden: 91.000 euro

- gemis aan beroepsinkomsten sinds juni 1999 (tien jaar)

- advocaten- en procedurekosten

De verzoeker verklaart mondeling ter zitting geen bezwaar te hebben om een medisch deskundigenonderzoek te ondergaan om de psychische schade vast te stellen, uit te voeren door de Gerechtelijk-geneeskundige Dienst op grond van artikel 34bis van de wet van 1 augustus 1985.

V. Beoordeling door de commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd. Aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden werd voldaan.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

Artikel 31, 1°, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen luidt als volgt:

"De commissie kan een financiële hulp toekennen aan :

1° personen die ernstige lichamelijke of psychische schade ondervinden als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad;"

Er kan pas sprake zijn van een dergelijke opzettelijke gewelddaad indien en voor zover volgende twee omstandigheden verenigd zijn :

- het materieel bestanddeel dat bestaat in de aanwen¬ding van geweld tegen een persoon;

- het moreel bestanddeel dat bestaat in het opzet van de dader om de gewelddaad te plegen (misdrijven uit onvoorzichtigheid zijn dus uitgesloten)

In de voorliggende zaak is geenszins vastgesteld noch redelijkerwijze vastgesteld kunnen worden dat de feiten hun oorzaak vonden in een opzet om schade toe te brengen aan verzoeker.

Het Hof van beroep omschrijft de feiten onder meer als volgt :

"Door zijn megalomane ingesteldheid bracht hij anderen tot investering en afgifte van gelden of goederen die in geen enkel opzicht rendabel konden zijn, ook al omwille van de amateuristische wijze waarop hij blijkbaar zaken wilde doen. Hij was niet alleen lichtzinnig, doch bediende zich in zijn streven naar zakelijk succes ook van leugens en zelfs van valse beweringen, teneinde anderen te doen geloven in de (manke en alleen in zijn geest bestaande) projecten die hij wilde opzetten. ...

Het gehele gedrag van de beklaagde is een mengsel van fantasie, leugen, bedrog, waan en simulatie. De beklaagde gebruikte veel woorden om anderen (zijn latere slachtoffers) te overdonderen en hen te overtuigen van niet bestaande of niet te verwezenlijken ondernemingen, waardoor zij werden bedrogen in hun verwachtingen."

De Commissie is ertoe gehouden het gezag erga omnes van hetgeen op penaal gebied door de strafrechter is beslist te respecteren en kan aldus niet anders dan vaststellen dat één van de basisvoorwaarden voor de toekenning van een financiële hulp - de geobjectiveerde opzettelijke gewelddaad - alsnog ontbreekt.

Ter zitting van de Commissie d.d. 18 november 2009 deelt verzoeker mee dat de veroordeelde geweld heeft gebruikt bij het ontfutselen van zijn waardepapieren. De Commissie moet evenwel constateren dat tijdens de strafprocedure werd nagelaten om, in voorkomend geval, een herkwalificatie van de feiten te vragen (naar "diefstal met geweld" of "afpersing" in plaats van "oplichting" en "misbruik van vertrouwen") of de verdachte hiervoor rechtstreeks te dagvaarden.

elet op het bovenstaande, maar zonder de ernst van de misdrijven te willen minimaliseren, alsook begrip hebbend voor de verwerkingsproblemen van de nare feiten voor het slachtoffer, is de Commissie van oordeel dat er geen afdoend bewijs van een opzettelijke gewelddaad in de zin van de wet van 1 augustus 1985 wordt voorgebracht.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, de artikelen 31 tot 40quater van de wet van 1 augustus 1985, zoals gewijzigd door de wetten van 26 maart 2003, 22 april 2003, 27 december 2004, 13 januari 2006 en 27 december 2006, en het K.B. van 18 december 1986,

Verklaart het verzoek niet ontvankelijk.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op "

* * *

II. Procedureverloop van het voorliggend verzoekschrift en argumentatie van de partijen

II-1. In een nieuw, op 30 juli 2011 gedateerd verzoekschrift, neergelegd op 2 augustus 2011, stelt verzoeker:

" [...]

In beginsel was dit initieel verzoekschrift onontvankeljk verklaard door de afwezigheid van de vermelding van het geweld in het Arrest van het Hof van Beroep van ... van 11-06-07.

Nu hebben er zich na de bespreking van deze zaak in de Commissie op 18 november 2009 om 14 u 30 volgende ontwikkelingen afgespeeld in deze zaak:

- de strafrechterlijke kant blijkt nu, op datum van heden, door afwezigheid van stuitende maatregelen door mijn pro deo-advocaat reeds verjaard te zijn sinds september 2009;

- voor mijn burgerlijke invordering tegen o.a. de KBC Bank weigert de voorzitter van het pro deo-bureau mij nu, terug op datum van heden, een advocaat toe te staan omdat deze voorzitter zelf persoonlijk alle invorderingen voor de KBC Bank uitvoert in zijn - en dus ook mijn - gerechtelijk arrondissement en hij dus tegen zichzelf een advocaat zou moeten aanwijzen;

waardoor de ene nog bestaande objectie van de Commissie (het gebruikte geweld werd niet vermeld in het Arrest) om mij steun te verlenen de facto komt te vervallen.

Daarnaast heeft de wetgever in december 2009 bepaald dat ook slachtoffers van een geweldmisdrijf bij wie de strafzaak geseponeerd is nu recht hebben op financiële hulp van de overheid.

Hetzelfde geldt voor slachtoffers die enkel voor de burgerlijke rechter een schadevergoeding hebben gevraagd.

Het Grondwettelijk Hof had eerder gezegd dat het om een niet-toelaatbaar discriminerend onderscheid gaat.

Gevolgen:

- Ik moet dus niet meer wachten op een bijkomend burgerlijk vonnis tegen de bankdirecteur van de KBC Bank ( waarin het geweld expliciet vermeld zou worden) daar dit vonnis er toch nooit meer kan en zal komen.

- Het enkele weerhouden argument van de Commissie om mij geen steun toe te kennen ( het geweld is niet vermeld in het Arrest), komt te vervallen.

- Een psychologische diagnose door de GGD ( Geestelijke Gezondheids Dienst ) te ... op kosten van de Commissie is nu wèl mogelijk.

- Met deze diagnose kan deze Commissie opnieuw worden samengeroepen.

- De psychologische schade kan in mijn nieuw Verzoekschrift gericht worden naar de Commissie.

Ik wens dan ook dit nieuwe aanvullende Verzoekschrift in te dienen bij de Commissie. Ter Uwer hulp brengen wij U hier kort nogmaals volgende punten in herinnering:

Materiële schade

Ik wens hierbij nogmaals te vermelden dat hoewel de materiële schade op datum van heden

(30-07-11) al meer dan 212.143 EUR bedraagt (inclusief de verwijlintresten sinds maart

1999); de emotionele schade veel groter is.

Opzettelijke gewelddaad

Kort herhaal ik hier nogmaals enkele blijvende lichamelijke klachten: hartkloppingen, naast enkele psychische klachten angstaanvallen, volledig verlies aan zelfvertrouwen, nihilistisch wereldbeeld, zwaarmoedigheid tot depressie, post-traumatische stress-dysfuncties, en anderen

die ik rechtstreeks te danken heb aan de daders.

Het hoeft daarom geen betoog dat de Oorzaak ( strafrechtelijk: het uit handen slaan van obligaties en er mee weglopen, het lichamelijk intimideren, het letterlijk ontvoeren van mijzelf naar de mededader te ..., naast bijkomende al bewezen oorzaken ) en het Opzet (zoals ook beschreven in diverse processen-verbaal evenals in het Arrest, het jarenlang liegen, en aanvullende redenen) onweerlegbaar met elkaar in verband staan.

Wat betreft het vroeger reeds uitgebrachte advies inzake mijn initieel verzoek aan de Commissie, wens ik als slachtoffer opnieuw het volgende toe te voegen:

- de intentie om geweld te gebruiken, stond nooit ter discussie

- zodat het geweld op mijn persoon eveneens niet in twijfel getrokken kan worden.

DERHALVE, OM DEZE REDENEN, BEHAGE HET DE COMMISSIE,

dit nieuwe Verzoek van het slachtoffer als ontvankelijk en gegrond te verklaren; hem akte te verlenen, hem toe te staan te getuigen voor de Commissie, hem als eerste financiële Noodhulp een bedrag van 15.000 EUR toe te kennen voor

materiële schade,

en hem daarbij de maximale hoofdhulp ( van 62.000 EUR) toe te kennen voor geleden ernstig lichamelijk en psychisch lijden ondervonden als rechtstreeks gevolg van de opzettelijke gewelddaden.

Hierbij bevestig ik dat deze verklaring op eer en naar waarheid werd opgesteld; "

II-2. In het verslag van 27 september 2011 wordt opgemerkt:

" Het eerste verzoekschrift van 18 maart 2009 werd door de Commissie niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen bewijs voorlag van aanwending van geweld (behoudens de persoonlijke verklaring van verzoeker). In het door de Commissie opgevraagd strafdossier blijkt evenmin sprake van geweldfeiten, niet in de PV's, niet in de nota burgerlijke partijstelling, niet in de dagvaarding,... Uit de bij dit verslag gevoegde kopies van de initiële afgenomen verhoren en verklaringen afgelegd door verzoeker moet worden vastgesteld dat hij geen enkel gewag maakte van fysiek geweld (contra zijn op 18 maart 2009 voor de Commissie ontwikkelde argumentatie dat hij fysieke en morele bedreigingen onderging waarbij de waardepapieren uit zijn handen gerukt werden).

Uit de verklaringen van de andere benadeelden blijkt evenmin een opzettelijke gewelddaad.

Ten slotte liep Z. reeds eerder strafrechtelijke veroordelingen op wegens o.m. misbruik van vertrouwen, verduistering gelden, afzetterij, niet uitbetalen loon, verkeersovertredingen,... maar nooit omwille van geweldfeiten.

Er zijn derhalve geen nieuwe relevante elementen voorhanden dan deze eerder onderworpen aan het oordeel van de Commissie middels het verzoekschrift van 18 maart 2009. "

In zijn advies van 10 oktober 2011 stelt de Minister van Justitie voor om het verzoek af te wijzen als niet ontvankelijk: " Zoals reeds aangegeven in het verslag van de Commissie zijn er derhalve geen nieuwe relevante elementen voorhanden dan deze eerder onderworpen aan het oordeel van de Commissie middels het verzoekschrift van 18 maart 2009. Er dient nog steeds vastgesteld te worden dat er geen geweld is gepleegd op de persoon van verzoeker. Zo is door dhr. Z. geen gebruik gemaakt van bedreiging met geweld of opzettelijke slagen en verwondingen ten aanzien van verzoeker. Zodat nog steeds niet aan de hierboven vermelde voorwaarde voldaan is. "

Verzoeker vraagt om zijn verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren. Zijn tegenargumenten, op uitgebreide wijze verwoord in zijn brieven ontvangen op 9 november 2011 en 24 januari 2012, komen, samengevat, op het volgende neer:

- dat bij het misdrijf effectief ‘geweld' werd aangewend aangezien de obligaties uit zijn handen werden geslagen;

- dat gebruikmaking van ‘geweld' wel degelijk door de rechter in hoger beroep aanvaard werd onder de verwoording: "om door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, rechtstreeks het misdrijf te hebben uitgelokt ":

- dat de persoonlijke verklaring van verzoeker in zijn hoedanigheid van slachtoffer dat rechtstreeks bij de feiten betrokken was " ver primeert boven hetgeen in een arrest van een Hof van Beroep op een papier kan worden opgenomen, van oneindig veel meer detailweergave getuigt dan wat een verslaggever ook maar op een papier kan reproduceren enkel en alleen afgaande op onder andere een strafdossier dat bijna zeker niet volledig werd geraadpleegd (ook volgens de griffiersters) en dat vanzelfsprekend veel meer gewicht in de schaal legt dan om het even welk ander papier dat nooit de feiten exact kan weergeven indien het niet door het slachtoffer zelf mee mocht worden opgesteld. "

- de Commissie vergist zich waar zij stelt dat zij gebonden is door de strafrechtelijke uitspraak van de rechter en waar zij stelt dat zij niet soeverein mag oordelen over de kwalificatie van de feiten "vooral uit mijn schriftelijke en mondelinge toelichtingen ter zitting verstrekt door mijzelf als verzoeker die boven en vóór derdehandsadvies van buitenstaanders gaan. Verzoeker verwijst hiervoor naar Cas., 7 oktober 1976, R.W., 1976-1977, 1569."

Tot slot vraagt verzoeker om voorbehoud te maken voor de door artikel 37 van de wet voorziene mogelijkheid tot het aanvragen van een aanvullende hulp.

III. Begroting van de schade door de verzoeker

Verzoeker vraagt om de toekenning van:

- een noodhulp van euro 15.000 voor materiële schade

- een hoofdhulp van euro 62.000 voor ernstig lichamelijk en psychisch lijden

Tevens vraagt hij om voorbehoud te maken voor de door artikel 37 van de wet voorziene mogelijkheid tot het aanvragen van een ‘integrale aanvullende hulp' voor ‘levenslang verlies aan levensonderhoud'.

IV. Beoordeling door de Commissie

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

IV-1. Terzake het verzoekschrift tot noodhulp

Nu de feiten dateren van 14 à 15 jaar geleden en er een in kracht van gewijsde gegaan arrest op strafrechtelijk gebied voorligt, snelt het verzoekschrift tot noodhulp voorbij aan de in artikel 36 van de wet van 1 augustus 1985 voorziene mogelijkheid om een noodhulp aan te vragen voor dringende (medische) kosten, in eerste instantie bedoeld voor de omstandigheid waarin er nog geen rechterlijke uitspraak of seponeringsbeslissing voorligt.

Er is geen enkel wettelijk beletsel om alle in het kader van de noodhulp voorgelegde schadeposten te hernemen in het verzoekschrift tot (hoofd)hulp dat gelijktijdig én in hetzelfde document als dat van de noodhulpaanvraag werd geformuleerd. Trouwens, de diverse administratieve procedurehandelingen voor de Commissie volgden elkaar zo snel mogelijk op als praktisch haalbaar was waardoor er geen enkele reden was om de noodhulpprocedure af te splitsen van de (hoofd)hulpprocedure.

De vraag tot ‘noodhulp' is derhalve overbodig geworden en wordt zonder voorwerp beschouwd.

IV-2. Terzake het verzoekschrift tot (hoofd)hulp

Zoals in het verslag van 27 september 2011 werd opgemerkt, zijn er geen nieuwe relevante elementen voorhanden dan deze eerder onderworpen aan het oordeel van de Commissie middels het verzoekschrift van 18 maart 2009.

Aangezien de eerste kamer van de Commissie in haar beslissing dd. 6 januari 2010 reeds op gemotiveerde wijze de verwerping van het verzoekschrift geschraagd heeft (geciteerd op p.4 hierboven) is het onnodig om diezelfde motivering hier opnieuw te herhalen.

Er wordt nog opgemerkt dat verzoeker geen cassatieberoep heeft ingediend bij de Raad van State tegen de beslissing van 6 januari 2010.

Hoewel verzoeker thans geen nieuwe dossierelementen bijbrengt, voert hij wel bijkomende argumenten aan die volgens hem de vastgestelde onontvankelijkheid ernstig in vraag stellen. De Commissie neemt deze argumenten hierna één voor één onder de loep.

A. dat bij het misdrijf effectief ‘geweld' werd aangewend aangezien de obligaties uit zijn handen werden geslagen

Dat verzoeker het slachtoffer van een oplichtingszaak was en dus wel degelijk als ‘slachtoffer' moet worden beschouwd van dat soort misdrijf; daaromtrent bestaat niet de minste twijfel. Wat evenwel het door verzoeker beweerde geweld betreft waarmee de feiten gepaard zouden zijn gegaan, kan de Commissie slechts vaststellen dat de strafrechter, aan wie het in een rechtsstaat toekomt feiten finaal strafrechtelijk te kwalificeren, er anders heeft over geoordeeld door oplichting en misbruik van vertrouwen te weerhouden, in plaats van, bijvoorbeeld, diefstal met geweld of afpersing.

Dit sluit niet uit dat men het oneens kan zijn met die kwalificatie. In dat geval voorziet de wet in specifieke rechtsmiddelen om de rechterlijke uitspraak aan te vechten. Verzoeker heeft hiervan evenwel geen gebruik gemaakt. Zijn rechtsmiddelen lijken thans uitgeput.

Ten slotte weze het nog opgemerkt dat de verzoeker thans de term ‘uit de handen geslagen' hanteert waar in het strafdossier sprake is van ‘afhandig gemaakt' en ‘afgenomen'.

B. dat gebruikmaking van ‘geweld' wel degelijk door de rechter in hoger beroep aanvaard werd onder de verwoording: "om door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, rechtstreeks het misdrijf te hebben uitgelokt "

Dit is de persoonlijke interpretatie die verzoeker er op nahoudt en dewelke de Commissie niet tot de hare kan maken. Dusver komt de term geweld in deze opsomming niet voor, wel bedreiging maar dan enkel als een van de mogelijke hypothesen van mededaderschap overeenkomstig artikel 66 van

het Strafwetboek die echter noch door de bewoordingen van het arrest, noch door de inhoud van het strafdossier redelijkerwijs aannemelijk wordt gemaakt.

C. dat de persoonlijke verklaring van verzoeker in zijn hoedanigheid van slachtoffer dat rechtstreeks bij de feiten betrokken was " ver primeert boven hetgeen in een arrest van een Hof van Beroep op een papier kan worden opgenomen, van oneindig veel meer detailweergave getuigt dan wat een verslaggever ook maar op een papier kan reproduceren enkel en alleen afgaande op onder andere een strafdossier dat bijna zeker niet volledig werd geraadpleegd (ook volgens de griffiersters) en dat vanzelfsprekend veel meer gewicht in de schaal legt dan om het even welk ander papier dat nooit de feiten exact kan weergeven indien het niet door het slachtoffer zelf mee mocht worden opgesteld. "

Er is in casu gewis een discrepantie tussen de perceptie van de feiten zoals in onderhavige procedure gegeven door verzoeker en de beoordeling ervan door het Hof van Beroep.

Per definitie echter is de loutere verklaring van verzoeker een subjectief gegeven en komt het hem toe deze te objectiveren, wil daaraan nuttige primauteit kunnen worden voorbehouden.

Welnu, hij faalt hierin.

Er worden door hem geen voldoende objectieve elementen aangereikt die zijn standpunt vermogen te ondersteunen, noch zijn deze te bespeuren in het lijvig strafdossier dat minutieus werd doorgenomen. Integendeel zelfs, de these van verzoeker is niet compatibel met het arrest dat terzake op penaal gebied voorligt.

D. dat de Commissie vergist zich waar zij stelt dat zij gebonden is door de strafrechtelijke uitspraak van de rechter en waar zij stelt dat zij niet soeverein mag oordelen over de kwalificatie van de feiten "vooral uit mijn schriftelijke en mondelinge toelichtingen ter zitting verstrekt door mijzelf als verzoeker die boven en vóór derdehandsadvies van buitenstaanders gaan. Verzoeker verwijst hiervoor naar Cas., 7 oktober 1976, R.W., 1976-1977, 1569."

Het specifieke arrest van het Hof van Cassatie behelst een problematiek de iure en de facto vreemd aan voorliggend geval. Het gaat er immers over de burgerlijke rechter die geroepen is uitspraak te doen over een op misdrijven gegronde rechtsvordering tot schadevergoeding, waaromtrent een beschikking tot buitenvervolgingstelling voorlag.

Alle argumenten van verzoeker derhalve node verwerpend dient de Commissie in deze omstandigheden dan ook haar beslissing van 6 januari 2010 te bevestigen, nl. dat verzoeker faalt het bewijs te leveren dat de voorgebrachte feiten wel degelijk een ‘opzettelijke gewelddaad' zouden uitmaken in de zin van de wet van 1 augustus 1985.

IV-3. Terzake de vraag tot voorbehoud voor de mogelijkheid tot het aanvragen van een aanvullende hulp

Artikel 37 van de wet van 1 augustus 1985 luidt:

" De commissie kan een aanvullende hulp toekennen wanneer na de toekenning van de hulp, het nadeel kennelijk is toegenomen, onverminderd de toepassing van de artikelen 31 tot 33, § 1.

De aanvullende hulp wordt per schadegeval en per verzoeker toegekend voor schade boven 500 euro en is beperkt tot een bedrag van 62 000 euro verminderd met de reeds toegekende hulp en de eventuele noodhulp.

Het verzoek tot toekenning van een aanvullende hulp wordt, op straffe van verval, binnen tien jaar te rekenen van de dag waarop de hulp uitbetaald is, ingediend. "

Aangezien de mogelijkheid om een aanvullende hulp aan te vragen reeds in se wettelijk voorzien is, is het voorbehoud dat verzoeker vraagt om de aanvraag te kunnen indienen overbodig en dient zonder voorwerp te worden beschouwd.

Iedereen die een hoofdhulp bekomt heeft nadien het recht om een aanvullende hulp aan te vragen waarna de Commissie zich over de opportuniteit ervan zal uitspreken. Hierdoor zou het voorbehoud maken op het bekomen van een aanvullende hulp tot een betekenisloze handeling verworden.

In zoverre verzoeker evenwel de intentie zou hebben om een aanvullende hulp aan te vragen, moet worden vastgesteld dat aan de wettelijke voorwaarden niet is voldaan. In de loop van de procedure van de Commissie was dergelijke aanvraag reeds voorbarig en vroegtijdig ingediend aangezien aan verzoeker (nog) geen (hoofd)hulp toegekend en uitbetaald was.

Nu het verzoek tot (hoofd)hulp zelfs afgewezen is op grond van redenen uiteengezet in rubriek

IV-2 in supra, is het verzoek tot aanvullende hulp zonder voorwerp.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

- Verklaart het verzoek tot noodhulp zonder voorwerp.

- Verklaart het verzoek tot (hoofd)hulp onontvankelijk.

- Verklaart het verzoek tot aanvullende hulp zonder voorwerp.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 16 april 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

. VAN BEURDEN P. DE SMET

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 2 augustus 2011 waarbij verzoeker zowel om de toekenning heeft gevraagd van een financiële noodhulp als (hoofd)hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.