- Decision of May 4, 2012

04/05/2012 - M11-7-0844/8364

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

Op 13 november 2006 overleed mevrouw Diana X. (° 1953), grootmoeder van verzoeker.

Uit het medicolegaal onderzoek, in het bijzonder het letselpatroon, en het sporenonderzoek, inclusief DNA, hebben de feiten, volgens de meest plausibele hypothese, zich als volgt voorgedaan:

- Een ruzie met handgemeen waarbij X. Diana talrijke klappen, zeer

waarschijnlijk meerdere slagen met de sierpook (waarop DNA van X. Diana en

Z. Mathias), op het gelaat heeft gekregen, en waarbij talrijke slagen werden

geïncasseerd door de beschermend opgeheven armen, en dit vermoedelijk minstens voor

een deel in liggende houding;

- Het slachtoffer heeft, op de grond gelegen met het hoofd voor de sierschouw, liggen

bloeden, vermoedelijk als gevolg van een bloedneus; er werd ook met de sierpook

'gestoken' naar het onderbeen;

- Het slachtoffer werd eveneens gewurgd, waarschijnlijk nog in het salon;

- Het slachtoffer werd, zeer vermoedelijk na overlijden en dus na het stoppen van de

bloeding (vanwege ontbreken van hartslag), op de rug bij de enkels (DNA van Z.

Mathias op de linker enkel) de keldertrap afgesleurd (schaafwonden en cementafzetting,

vooral op de bovenrug).

II. Vervolging

Namens verzoeker werd door zijn ouders op 22 december 2006 burgerlijke partijstelling ingeleid lastens de genaamde Mathias Z. bij de onderzoeksrechter te ... .

Bij arrest dd. 30 september 2008 van de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te ... werd Mathias Z. (° 1945), in verdenking gesteld van "opzettelijk, met het oogmerk om te doden en met voorbedachten rade, X. Diana, geboren te Vliermaalroot op 25 juni 1953, gedood te hebben", verwezen naar het Hof van Assisen van de Provincie ....

Op 20 juli 2009 overleed de inverdenkinggestelde.

De zaak was nog niet vastgesteld voor het Hof van Assisen te .... Als reden wordt opgegeven dat een 5 tal dikke Engelse kaften op dat ogenblik nog niet vertaald waren.

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

III-1. De dader is overleden. Uit een ander verzoekschriftdossier, ingeleid voor een Franstalige kamer van de Commissie, blijkt dat betrokkene bij leven onvermogend was. Hij had al eerder een gevangenisstraf van 20 jaar uitgezeten wegens moord en bijkomende schulden gemaakt na het plegen van andere misdrijven.

Uit een solvabiliteitsonderzoek dd. 16/12/2010 uitgevoerd door een gerechtsdeurwaarder blijkt dat een beslagprocedure op 1/8 van een onroerend goed waarvan de overledene eigenaar was, meer kosten dan opbrengsten zou genereren.

III-2. De ouders van verzoeker hebben een rechtsbijstandverzekering afgesloten bij KBC. Op grond van de insolvabiliteitsclausule werd hem euro 1.700 voor moreel leed uitgekeerd:

IV. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker, niet-inwonende kleinzoon van het slachtoffer, vraagt om de toekenning van een hulp van

euro 3.750 morele schade min euro 1.700 verzekeringstussenkomst = euro 2.050.

V. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.

Zo baseert de Commissie zich onder meer bij het toekennen van een hulpbedrag voor de schadepost ‘morele schade' op haar rechtspraak in gelijkaardige dossiers. Gelet op het subsidiariteitsbeginsel, dat vervat ligt in artikel 31bis, § 1, 5° van voormelde wet, dient de Commissie bij de toekenning van een hulpbedrag eveneens rekening te houden met de door de verzoeker genoten verzekeringstussenkomst (in casu euro 1.700). De Commissie komt derhalve tot de vaststelling dat verzoeker reeds schadeloos werd gesteld.

In die omstandigheden wordt het voorliggend verzoekschrift afgewezen als ongegrond.

De Commissie wenst evenwel te beklemtonen dat de afwijzing van voorliggend verzoekschrift evident geen afbreuk doet aan het grote leed van verzoeker, waarvoor de Commissie alle begrip betoont. Als administratief rechtscollege heeft de Commissie zich evenwel te houden aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die haar werking regelen.

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk doch ongegrond.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 4 mei 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 9 augustus 2011 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.