- Decision of May 11, 2012

11/05/2012 - BM90875/6886

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

• Op 3 februari 2009 doet verzoekster bij de spoorwegpolitie ... aangifte van een handtasdiefstal waarvan zij het slachtoffer werd om 9u 30 in het station ...-Centraal tijdens het wachten op de trein richting Amsterdam.

Volgens het aanvankelijk proces-verbaal is er sprake van "diefstal, zonder geweld of bedreiging, zonder verzwarende omstandigheden (gewone diefstal)".

• Daags nadien, op 4 februari 2009, doet verzoekster melding van het verlies van haar paspoort en identiteitskaart bij de politie Amsterdam: " Ik kan u vertellen dat mijn schoudertas op het station van mijn schouder is gerukt. Ik voelde daardoor pijn in mijn schouder. Ik heb hiervan aangifte gedaan in .... "

• In haar verzoekschrift aan de Commissie vat verzoekster de feiten als volgt samen: "Stond op station ...-Centraal te wachten op de trein naar Nederland. Iemand kwam op me af en wilde mij wat vragen en op dezelfde moment werd ik van achteren aangevallen. Ze namen mijn of trokken mijn handtas van mijn arm. Ik wilde niet loslaten. Ze trokken ze hard. Ben gevallen. Toen hadden ze mijn tas/handtas meegenomen."

II. Vervolging

Verzoekster legde op datum der feiten klacht neer tegen onbekenden.

Op 28 oktober 2009 seponeerde de procureur des Konings te ... het strafdossier omwille van "dader(s) onbekend ".

III. Gevolgen van de feiten

Medisch attest dr. M. D. S., huisarts, gedateerd 15/06/2009:

" Op 03/02/2009 werd bovengenoemde patiënte in België beroofd. Toen veel pijnklachten van linker arm, schouder en rug ivm weg rukken van haar tas.

Zij kreeg forse pijnstilling hiervoor.

Nu nog last van haar linker arm en schouder. Tevens psychisch last van angsten na dit voorval. "

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. De dader(s) kon(den) niet worden geïdentificeerd.

IV-2. Op de vraag " Heeft u reeds geld ontvangen of kan u aanspraak maken op een tegemoetkoming met betrekking tot de ten gevolge van de feiten opgelopen schade?" (p. 5 van het verzoekschriftformulier) antwoordt verzoekster:"NVT".

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een niet nader begrote hulp.

Behoudens het attest van de huisarts vermeld onder rubriek III ligt geen enkel schadebewijsstuk voor.

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd.

In het verslag dd. 25 januari 2012 van de verslaggever worden volgende opmerkingen geformuleerd:

" VI-1. Op 18 september 2009 schreef het secretariaat van de Commissie aan verzoekster:

"4. Gelieve volgende vragen te beantwoorden: welk hulpbedrag vraagt u aan de Commissie en hoe is dat bedrag samengesteld ?

Terzake merk ik trouwens op dat het tot de constante rechtspraak van de Commissie behoort om tot ‘materiële kosten', zoals vermeld in artikel 32, §1 van de wet van 1 augustus 1985, alleen kosten te rekenen die verband houden met het lichamelijk letsel opgelopen door het slachtoffer. Gestolen geld en goederen vallen hier niet onder. "

Verzoekster heeft op deze uitnodiging om haar dossier te vervolledigen niet meer gereageerd.

De hulp die de Commissie toekent houdt geen subjectief recht in vermits de overheid geen schuld treft. Ze is gebaseerd op het principe van "collectieve solidariteit tussen de leden van eenzelfde natie." Immers, de hulp van de Commissie betreft een buitengewone schadeloosstelling "hetgeen betekent dat de toekenning ervan nooit als een recht kan worden opgevorderd" (Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 873/1°, p. 17 en 873/2/1°, p. 19).

Als algemene regel wordt dan ook verondersteld dat het slachtoffer van een zekere belangstelling blijk moet geven om een hulp te bekomen.

Gelet op het gebrek aan essentiële gegevens en stukken in het neergelegd verzoekschrift en aangezien verzoekster vooralsnog geen aanstalten gemaakt heeft om haar dossier te vervolledigen, voldoet het ingediend verzoekschrift niet aan de wettelijke voorwaarden, waardoor het kennelijk onontvankelijk is.

De aandacht van verzoekster wordt gevestigd op artikel 30, § 3, tweede lid, van de wet: "De voorzitters van de kamers houden zitting als enig lid inzake verzoeken om noodhulp als bedoeld in artikel 36, inzake verzoeken die kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond zijn, of wanneer ze de afstand van het geding toewijzen of de zaak van de rol afvoeren."

VI-2. Voor zover verzoekster haar verzoekschrift wenst te handhaven, zal zij begrijpen dat het moeilijk wordt om een financiële hulp toe te kennen wanneer de Commissie over geen enkel op deskundige en/of op objectieve wijze tot stand gekomen document beschikt dat haar toelaat om de geleden schade op cijfermatige wijze te evalueren.

Verzoekster wordt dan ook met aandrang verzocht om, zoals aangegeven op p.5 van het voorgedrukt verzoekschriftformulier dat zij hanteerde, haar dossier te vervolledigen met alle nuttige bewijsstukken die de voorgehouden schade aannemelijk maken: deskundigenverslagen, attesten, facturen, betalingsbewijzen, ontvangen vergoedingen...

Tevens wordt zij uitgenodigd om op basis van de diverse schadeposten haar hulpaanvraag te begroten.

Bovendien wordt verzoekster nadrukkelijk gewezen op het in artikel 31bis, 5° van de wet van 1 augustus 1985 vervatte subsidiariteitsbeginsel: " De schade kan niet afdoende worden hersteld door de dader of de burgerlijk aansprakelijke partij, op grond van een stelsel van sociale zekerheid of een private verzekering, noch op enige andere manier." .

Zij dient dus eerst beroep te doen op de traditionele middelen om schadeloosstelling te bekomen, zoals bv. via de private verzekeringsmaatschappij alvorens de Commissie mag tussenkomen.

Heeft verzoekster een familiale of gezinspolis met luik rechtsbijstand afgesloten? Indien bevestigend zal zij de polisvoorwaarden voorleggen."

In weerwil van de inhoud van het verslag mag het verzoekschrift niet als ‘kennelijk onontvankelijk' beschouwd worden aangezien het tijdig werd neergelegd en het aan alle wettelijke ontvankelijkheidsvoorwaarden beantwoordt. Zoals de Minister van Justitie in haar advies van 24 februari 2012 terecht opmerkt stelt zich in voorliggend dossier eerder een probleem nopens de gegrondheid.

Zoals reeds gesteld in het verslag houdt de hulp die de Commissie toekent geen subjectief recht in vermits de overheid geen schuld treft. Ze is gebaseerd op het principe van "collectieve solidariteit tussen de leden van eenzelfde natie." Immers, de hulp van de Commissie betreft een buitengewone schadeloosstelling "hetgeen betekent dat de toekenning ervan nooit als een recht kan worden opgevorderd" (Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 873/1°, p. 17 en 873/2/1°, p. 19). Als algemene regel wordt dan ook verondersteld dat het slachtoffer van een zekere belangstelling blijk moet geven om een hulp te bekomen. Verzoekster laat sedert september 2009 (2,5 jaar) na om de gestelde vragen te beantwoorden hetzij stukken voor te leggen die enig zicht kunnen bieden op haar schade (behoudens deze gevoegd bij het initieel verzoekschrift) en op de mogelijkheden waarover zij beschikt tot schadeloosstelling. Evenmin heeft zij gereageerd op het verslag van de verslaggever noch de mogelijkheid benut om gehoord te worden op de rechtszitting van de Commissie. Dit gebrek aan medewerking laat de Commissie niet toe om tot een gefundeerde beoordeling te komen van de hoegrootheid van de voorgehouden schade. Er kan dan ook redelijkerwijs aangenomen worden dat verzoekster intussen langs andere weg is vergoed of gewoon geen interesse meer heeft.

De vraag van verzoekster dient derhalve als ongegrond te worden beschouwd.

Overeenkomstig artikel 30, § 3, tweede lid, van de wet en artikel 16bis van het K.B. van 18 december 1986, doet de voorzitter van de kamer als enig lid uitspraak over de kennelijke ongegrondheid.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De voorzitter,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk doch ongegrond.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 11 mei 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 14 september 2009, daarbij geassisteerd door het Nederlands Schadefonds Geweldsmisdrijven conform Richtlijn 2004/80/EG dd. 29 april 2004 van de Raad van de Europese Unie, waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.