- Decision of May 29, 2012

29/05/2012 - M11-5-0914/8404

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

Tussen 1 juli 1990 en 17 februari 1991 werd verzoekster te ... herhaaldelijk seksueel misbruikt door haar vader, de heer Patrick X.. Deze laatste vergreep zich ook nog meermaals aan zijn twee andere kinderen.

Ter zitting van de Commissie d.d. 22 maart 2012 verklaarde verzoekster dat de op haar gepleegde zedenfeiten minstens zes jaar hebben geduurd.

II. Vervolging

Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te ... d.d. 19 januari 1993 werd de heer Patrick X. wegens aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging + openbare zedenschennis t.a.v. zijn drie kinderen (waaronder verzoekster), veroordeeld tot een effectieve gevangenisstraf van acht maanden en tot een geldboete van 12.000 oude BEF.

Op burgerlijk gebied werd hij veroordeeld tot betaling van een provisie van 1 oude BEF aan mevrouw Y. (moeder) qualitate qua Evelyne X..

Tegen dit vonnis werd hoger beroep aangetekend door het Openbaar Ministerie en door de burgerlijke partij.

Bij arrest van het Hof van Beroep te ... d.d. 15 juni 1993 werd het bestreden vonnis hervormd:

- de effectieve gevangenisstraf werd verhoogd tot vier jaar;

- aan mevrouw Y. q.q. Evelyne X. werd een definitief bedrag van 50.000 oude BEF toegekend ter vergoeding van de fysische en morele aantasting. Tevens werd voorbehoud verleend voor het opvragen van eventuele toekomstige schade.

Blijkens een attest van de griffie werd tegen dit arrest geen cassatieberoep aangetekend.

III. Gevolgen van de feiten

Luidens het verzoekschrift heeft verzoekster aan de zedenfeiten een enorm trauma overgehouden.

Ter zitting d.d. 22 maart 2012 deelde verzoekster mee dat ze ter verwerking van de feiten nooit in therapie is geweest. Ze heeft in de jaren 1995-1996 wel beroep gedaan op een psychiater.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

De heer Patrick X. overleed op ../../1996.

In haar brief van 28 juli 2011 deelde mevrouw Y., de moeder van verzoekster, mee dat ze tot op heden op geen enkele wijze werd vergoed.

Luidens het verzoekschrift is er geen verzekeringsmaatschappij die kan worden aangesproken, mede door het jarenlange stilzitten van de moeder van verzoekster.

V. Begroting van de gevraagde hulp

In haar initieel verzoekschrift vroeg verzoekster om de toekenning van een hulp van euro 2.500 voor de morele schade.

Ter zitting d.d. 22 maart 2012 breidde verzoekster haar vordering uit tot euro 15.000.

VI. Beoordeling door de Commissie

A. Ontvankelijkheid

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen nageleefd te worden.

In de hypothese van een bekende dader (zoals in casu het geval is) kan luidens artikel 31bis, § 1, 4°, van de wet een financiële hulp worden toegekend onder de volgende voorwaarde:

"Indien de dader bekend is, moet de verzoeker schadevergoeding nastreven door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank.

Het verzoek kan slechts worden ingediend, naargelang het geval, na een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de strafvordering of na een in kracht van gewijsde gegane beslissing van de burgerlijke rechtbank over de toerekening van of over de vergoeding van de schade.

Het verzoek is binnen drie jaar ingediend.

De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de dag waarop er definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing door een onderzoeks- of vonnisgerecht, de dag waarop een strafrechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak heeft gedaan over de burgerlijke belangen na de beslissing over de strafvordering, of de dag waarop uitspraak is gedaan door een burgerlijke rechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de toerekening van of over de vergoeding van de schade."

* In de voorliggende zaak werd de heer Patrick X. bij arrest van het Hof van Beroep te ... d.d. 15 juni 1993 op burgerlijk gebied veroordeeld tot betaling van een definitief bedrag van 50.000 oude BEF aan mevrouw Y. q.q. Evelyne X.. Tevens werd voorbehoud verleend voor het opvragen van eventuele toekomstige schade.

In voornoemd arrest staat het volgende te lezen: "Het blijkt niet dat de kinderen erg getekend zijn door de nare ervaringen die zij hebben gehad. (...) Voor schade die zich in de toekomst zou manifesteren kan voorbehoud worden verleend."

Ter zitting van de Commissie d.d. 22 maart 2012 deelde verzoekster mee dat ze in de jaren 1995-1996 ter verwerking van de feiten beroep heeft gedaan op een psychiater. Dit gegeven op zich reeds toont aan dat Evelyne X. psychisch uitermate zwaar is getekend door de gepleegde feiten en dat de gevolgen zich gedurende jaren na de feiten (en dus ook na de gerechtelijke uitspraak) zijn blijven manifesteren. Deze blijvende en continue implicaties op haar persoonlijk en sociaal leven zijn duidelijk componenten van toekomstige schade die zich na de uitspraak hebben gemanifesteerd en die in de gerechtelijke beslissing niet mee in rekening werden gebracht. Aldus zijn de vereiste elementen aanwezig om het verleende voorbehoud te activeren.

Wanneer in een rechterlijke beslissing een voorbehoud wordt verleend, zoals in casu het geval is, kan de procedure in afhandeling van de burgerlijke belangen nog gedurende twintig jaar worden geactiveerd. De eis die ertoe strekt een uitspraak te verkrijgen over het voorwerp van het voorbehoud kent immers een specifieke verjaringstermijn: op grond van artikel 2262bis B.W. is die eis ontvankelijk gedurende twintig jaar na de uitspraak. In de voorliggende zaak is die termijn nog niet verstreken, zodat verzoekster nog de theoretische mogelijkheid heeft om een burgerlijk eindvonnis uit te lokken.

De Commissie stelt evenwel vast dat de dader van de feiten op 25 augustus 1996 overleden is.

In dit verband wenst de Commissie te wijzen op artikel 31bis, § 1, 6°, van voornoemde wet, dat als volgt luidt:

"Wanneer de verzoeker door omstandigheden volledig buiten zijn wil om geen klacht kon indienen, de hoedanigheid van benadeelde partij niet kon aannemen, zich geen burgerlijke partij kon stellen, geen vordering kon instellen of geen vonnis kon bekomen of wanneer het instellen van een vordering of het bekomen van een vonnis gelet op de insolvabiliteit van de dader kennelijk onredelijk lijkt, kan de commissie oordelen dat de door de verzoeker aangehaalde redenen voldoende zijn om hem te ontslaan van de in 3° en 4° voorziene voorwaarden."

Gelet op het overlijden van de dader bevond verzoekster zich in de onmogelijkheid om een vonnis te bekomen. Ze verkeert aldus in de voorwaarden om zich te kunnen beroepen op één van de in artikel 31bis, § 1, 6°, van de wet vermelde overmachtsituaties.

Gelet op de bovenstaande overwegingen verklaart de Commissie het hulpverzoek ontvankelijk.

B. Ten gronde

Lichamelijke en emotionele schade die door slachtoffers van seksuele agressie worden geleden zijn niet uit te drukken in een som geld, maar wellicht kan de Commissie door een financiële hulpverlening wel erkenning en een gevoel van gerechtigheid geven aan het slachtoffer.

Rekening houdend met:

- de aard, de ernst, de lange duur en de frequentie van de gepleegde feiten;

- de jeugdige leeftijd van het slachtoffer;

- de omstandigheid dat de zedenfeiten gepleegd werden door de biologische vader van het slachtoffer;

- de gevolgen voor verzoekster, zoals nader toegelicht ter zitting;

- de door de Commissie gehanteerde tarieven in analoge dossiers inzake seksueel misbruik van minderjarigen,

meent de Commissie in billijkheid een financiële hulp te kunnen toekennen van euro 15.000.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006.

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent een hulp toe van euro 15.000.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 29 mei 2012.

De secretaris, De voorzitter,

G. VAN DEN ABBEELE L. VULSTEKE

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 31 augustus 2011, waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp, voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.