- Decision of July 17, 2012

17/07/2012 - M12-1-0134/8740

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

Verzoeker, thans meerderjarig, werd in de periode van 01/08/2005 t/m 31/12/2007 op 11 à 14 jarige leeftijd aangerand door de genaamde Z. met gebruikmaking van geweld en/of bedreiging.

Z., een neef van de moeder, was toen een vriend des huizes die zich gedroeg als een suikeroom t.a.v. de kinderen. Hij pleegde de feiten toen de kinderen bij hem thuis logeerden.

II. Vervolging

Bij arrest dd. 4 februari 2010 van de Kamer van Inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te ... werd de bestreden beschikking van de raadkamer dd. 28/12/2009 bevestigd waarbij de internering gelast werd van de genaamde Z. (° 1987) wegens de volgende bewezen geachte tenlasteleggingen:

" Inverdenkinggesteld wegens:

E. Aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging gepleegd te hebben op de

persoon van een minderjarige, geen volle zestien jaar oud op het ogenblik van de feiten,

de aanranding bestaande van zodra er een begin van uitvoering is,

1. namelijk op X. Cédric, geboren op ../../1998, te ..., meermaals op niet nader te bepalen data in de periode van 7 maart 2005 tot en met 31 december 2007

2. namelijk op X. Frédéric, geboren op ../../1997, te ..., meermaals op niet nader te bepalen data in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 31 december 2007

3. namelijk op X. Laurens, geboren op ../../1993, te ..., meermaals op niet nader te bepalen data in de periode van 1 augustus 2005 tot en met 31 december 2007 "

Op burgerlijk vlak werd bij zelfde arrest de bestreden schikking van de raadkamer dd. 28/12/2009 bevestigd voor zover beslist werd dat Z. veroordeeld was tot betaling aan de heer en mevrouw Luc X. - Y. qualitate qua hun op dat ogenblik minderjarige zonen Laurens, Frédéric en Cédric X. een vergoeding van euro 1.000 per kind, meer de intresten.

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

III-1. De raadsman van de veroordeelde deelt mee dat zijn cliënt zich "gelet op zijn internering in staat van onvermogendheid bevindt en momenteel niet in staat is over te gaan tot betaling van de toegekende sommen in schadevergoeding ".

III-2. Verzoeker verklaart op geen enkele verzekeringstussenkomst te kunnen beroep doen.

IV. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 2.500 voor morele schade.

Ter zitting van 26 april 2012 verklaarde (de raadsman van) verzoeker tevens uitdrukkelijk zich te gedragen naar de wijsheid van de Commissie inzake de begroting van deze schadepost.

V. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.

Het voorgaande impliceert dat de Commissie voor bepaalde schadeposten andere tarieven kan (mag) hanteren dan die waarvan de correctionele rechter zich bedient. Hierdoor kan de door de Commissie toegekende hulp in meerdere of mindere mate afwijken van de in gemeenrecht toegewezen schadevergoeding. Zo baseert de Commissie zich onder meer bij het toekennen van een hulpbedrag voor de schadepost ‘morele schade' op haar rechtspraak in gelijkaardige dossiers.

Rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak, zoals hierboven geschetst, meent de Commissie aan verzoeker zonder meer het gevraagde hulpbedrag van euro 2.500 in billijkheid te kunnen toekennen.

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoeker een hulp toe van euro 2.500.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 17 juli 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 13 februari 2012 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.