- Decision of July 17, 2012

17/07/2012 - M10-7-0636/74511

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

De genaamde Z., ex-vriend van verzoekster, wilde met haar nog eens praten over hun stukgelopen relatie. Op 11 januari 2000 mondde dit gesprek uit in een moordpoging. Verzoekster werd drie maal verkracht en met een koevoet op het hoofd en de rechterhand geslagen. Daarna wierp hij haar in het kanaal.

In het water kwam verzoekster tot bewustzijn en zwom het kanaal over. Aan de overzijde werd zij opnieuw geslagen door de man. Ook overreed hij haar met haar eigen wagen.

II. Vervolging

Bij beschikking dd. 19 mei 2000 besliste de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te ... tot internering van Z. (° 1979).

Bij beschikking dd. 26 mei 2000 werd de geïnterneerde door dezelfde raadkamer veroordeeld tot betaling van een provisie van 1 miljoen BEF (= euro 24.789,35) aan verzoekster. Tevens werd dr.

J. D. aangesteld als geneesheer-deskundige met de gebruikelijke opdrachten.

De laatste legde zijn deskundigenverslag neer op 23 januari 2003.

Ter afhandeling van de burgerlijke belangen werd bij eindbeschikking dd. 4 februari 2011 van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te ... Z. veroordeeld tot betaling aan verzoekster de hoofdsom van euro 52.373,51 meer de intresten en een RPV van euro 2.500.

- medische kosten euro 1.771,51

- TWO moreel euro 6.862,00

- B.I. + BAO (20% x euro 2.062 / 2) + (10% x euro 2.062) euro 41.240,00

- esthetische schade (2,5/7) euro 1.500,00

- economische schade huishouden euro 1.000,00

III. Gevolgen van de feiten

Conclusies van gerechtsdeskundige dr. J. D. in zijn verslag van 23/01/2003:

Het staat vast dat mevrouw X. ingevolge de kwestieuze feiten van 11.01.2000 een polytrauma heeft opgelopen met onder andere een pneumothorax van de rechter long, die diende gedraineerd te worden.

Een orbita fractuur rechts.

Een fractuur van de schedel op diverse plaatsen.

Wonden van het voorhoofd die gehecht werden onder narcose.

Een fractuur van de rechter duim.

Een fractuur van vinger III open met botdefect waarvoor aanvankelijk uitwendige fixator werd geplaatst en 6 weken onder gipsverband gehouden.

Naast hospitalisatie werd op 17.01.2000 een osteosynthese verricht met reductie van de rechter oogkas gefixeerd door plaat en vijzen,

Ze verbleef daarna één week op intensieve zorgen,

Daarna één week op de dienst heelkunde.

Ze werd ontslagen 14 dagen na de feiten.

Ze kreeg tijdens haar hospitaalverblijf slachtofferhulp die ook werd verder gezet na het ontslag,

Per 03.05.2000 werd ze opnieuw gehospitaliseerd.

Osteosynthese met beendergreffe voor vinger III rechts waarbij het bot afgenomen werd van de linker heupkam.

Ze kon ontslagen worden op 04,05.2000.

Gips immobilisatie werd later overgeschakeld op orthese met passieve extensie en dit werd doorgevoerd tot omstreeks 01/2001.

Ze volgde kiné 5 maal per week tot 0812000.

De huidige subjectieve klachten omvatten:

- occipitale hoofdpijn rechts die uitstraalt naar de nek en gevoelig is aan atmosferische veranderingen;

- tintelingen onder de rechter oogkas;

- bewegingsbeperking van de vingers I en III van de rechterhand waarbij in vinger III trekkingen ontstaan die kunnen uitstralen tot aan de pols. Deze zelfde vinger is ook overgevoelig voor contact;

- gevoeligheid van de linker heupkam vooral na rustperiode;

- littekens in het aangezicht met een open tatoeage op de bovenlip naast littekens op de heupkam en de rechterhand;

- psychologische hinder door verkrachting waarvoor nog begeleiding door. slachtofferhulp wordt doorgevoerd en waarvoor ze ook nog behandeling wenst te volgen.

Het klinisch onderzoek door de deskundige verricht toonde een normotensieve patiënte.

De inspectie van de borstkas toonde enkele littekens afkomstig van de drainage maar het onderzoek van de longen was verder banaal buiten afwijkingen die aan een verkoudheid te wijten waren op het ogenblik van het onderzoek.

Ter hoogte van de linker heupkam wordt een litteken teruggevonden van 7 cm.

De beweeglijkheid van de wervel zuil valt binnen normale grenzen.

De Amoldzenuw is evenwel wat drukgevoelig rechts naast de doomuitsteeksels van C3 en C4.

Ter hoogte van vingers I en III zijn manifeste beperkingen met partiële extensietekorten waar te nemen.

De kracht voor een rechtshandige was normaal maar zonder het gebruik van vinger III.

Ook littekensporen werden op de hand teruggevonden.

Ter hoogte van de schedel werden eveneens littekensporen teruggevonden.

Gespecialiseerde onderzoeken werden in de loop van de expertise verwezenlijkt teneinde objectieve elementen in het licht te stellen welke zouden pleiten voor de gegrondheid der klachten van het slachtoffer.

De radiologische studie toonde ons aanwezigheid van osteosynthesemateriaal ter hoogte van de bodem van de rechter oogkas met vervorming van oogkas en rechter maxilllaire sinus

Ook links zijn fractuursporen te vinden maar zonder vervorming.

De hersenstructuren zijn gaaf.

In de rechter basis van de long zijn enkele strengformaties waar te nemen. Ter hoogte van de rechterhand is er een geconsolideerde fractuur op de straal van vinger I met onregelmatig gewrichtoppervlak ter hoogte van het gewricht A2.

Voor de derde vinger werd een plaat- en vijsosteosynthese met beendergreffe toegepast.

Er is een verkorting van de basisfalanx met flexiestand van de derde straal.

Op neuropsychiatrisch gebied blijven nog resten aanwezig van posttraumatische stressstoomis met functionele weerslag.

Het slachtoffer wenst hieraan nog te verhelpen door behandeling.

Hierop stelt de deskundige bijkomende vraag aan zijn consulent in verband met het nut en de noodzaak evenals de termijnen en de haard van de behandelingen.

De deskundige bekwam het antwoord van consulent-neuropsychiater Van P. per 18.11.2002 : bijlage 42.

Hieruit blijkt dat een kortdurende behandeling van 10 zittingen psychotherapie over een periode van 3 maand te aanvaarden is naast medicamenteuze behandeling met anxiolyticum.

Deze behandeling kan derhalve in reserve genomen worden.

Hiermede bijgevolg rekening houdend mag aangenomen worden dat mevrouw X. een blijvende invaliditeit ondergaat ingevolge de kwestieuze feiten van 11.02.2000.

Rekening houdend met de ernst van de letsels, de evolutie ervan en de noodzakelijke behandelingen kan de stabilisatie van de toestand gesteld worden op 11.01.2001; deze consolidatie wordt voorafgegaan door perioden van tijdelijke arbeidsongeschiktheden gedeeltelijk ex aequo et bono te ramen.

Uit deze blijvende invaliditeit spruit slechts gedeeltelijk een economische weerslag voor.

Betrokkene ondergaat een esthetische schade te schatten in de rangschaal

van 0 tot 7.

Voorbehoud dient gemaakt te worden voor een psychotherapeutische behandeling met 10 zittingen verspreid over 3 maand en een medicamenteuze begeleiding met anxiolyticum.

Er dient gezegd te worden dat slachtoffer geen andere schade met bestendig karakter oploopt dan bovenvermelde.

Rekening houdend met wat hierboven werd uiteengezet en onder alle voorbehoud kunnen in aanmerking genomen worden:

- 100 % TWO van 11.01.2000 tot 31.08.2000

- 50 % TWO van 01.09.2000 tot 30.09.2000

- 25 % TWO van 01.10.2000 tot 30.11.2000

- 15 % TWO van 01.12.2000 tot 10.01.2001

- consolidatie: 11.01.2001

- blijvende invaliditeit: 30 %

- 10 % invaliditeit heeft economische weerslag

- esthetische schade: 2.5/7 .

- voorbehoud voor 3 maanden psychotherapie met medicamenteuze begeleiding.

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. De instrumenterende gerechtsdeurwaarder laat op 18 mei 2010 weten dat uitvoering van het vonnis niet mogelijk is. De veroordeelde verblijft nog steeds in de gevangenis en beschikt over geen inkomen. Hij werd uit zijn woonst gezet en heeft talrijke schuldeisers. Bij het beslag is gebleken dat zijn goederen geen enkele waarde hebben.

IV-2. Rechtsbijstandverzekeraar DVV keerde op grond van de waarborg ‘onvermogen van derden'

euro 7.500 uit aan verzoekster.

IV-3. Bij beslissing dd. 23 november 2000 kende de Commissie aan verzoekster een noodhulp toe van 300.000 BEF (= euro 7.436,80).

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoekster vraagt om de toekenning van een hulp van euro 52.373,51 (samenstelling: zie rubriek II) meer de intresten meer de RPV ad euro 2.500.

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985:

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade:

1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;

3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;

5° de esthetische schade;

6° de procedurekosten;

7° de materiële kosten;

8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren."

‘Intresten' zijn daarbij niet opgenomen en komen dus niet in aanmerking voor een financiële hulp. Het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt is hier niet van toepassing; immers de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. De zienswijze van de Commissie ten aanzien van de intresten werd bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

‘Economische schade huishouden' is niet opgenomen in deze limitatieve lijst en komt bijgevolg evenmin in aanmerking voor een financiële hulp.

Gelet op het subsidiariteitsbeginsel, dat vervat ligt in artikel 31bis, § 1, 5° van voormelde wet, dient de Commissie bij de toekenning van een hulpbedrag rekening te houden met de door de verzoekster genoten tussenkomst vanwege haar verzekeraar (in casu euro 7.500).

Bij beslissing dd. 23 november 2000 kende de Commissie aan verzoekster reeds een noodhulp toe van 300.000 BEF (= euro 7.436,80).

Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.

Het voorgaande impliceert dat de Commissie voor bepaalde schadeposten andere tarieven kan (mag) hanteren dan die waarvan de correctionele rechter zich bedient. Hierdoor kan de door de Commissie toegekende hulp in meerdere of mindere mate afwijken van de in gemeenrecht toegewezen schadevergoeding. Zo baseert de Commissie zich onder meer bij het toekennen van een hulpbedrag voor de schadepost ‘morele schade' op haar rechtspraak in gelijkaardige dossiers.

De Commissie neemt tevens akte van de opmerking van de raadsman ter rechtszitting dat de raadkamer in haar eindbeschikking reeds in billijkheid geoordeeld heeft bij de cijfermatige waardering van de opgelopen schade.

Rekening houdende enerzijds met de ernst van de feiten en de opgelopen schade en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten en de reeds door verzoekster verworven schadeloosstellingen, meent de Commissie in billijkheid een hulp te kunnen toekennen begroot op ex aequo et bono euro 39.000.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoekster een hulp toe van euro 39.000.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 17 juli 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 25 mei 2010 waarbij verzoekster om de toekenning heeft gevraagd van een financiële (hoofd)hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.