- Decision of September 11, 2012

11/09/2012 - BM11-7-0036/7899

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

Verzoeker, Nederlands student, vat zelf de feiten, die zich te ... op 24 oktober 2010 om 5 uur voordeden, samen als volgt:

" Na bij vrienden te zijn geweest ben ik op de terugweg bij mijn kamer in de Provinciestraat in elkaar geslagen en beroofd van al mijn bezittingen. Ik werd op een oprit achter een auto achtergelaten buiten bewustzijn.

Gevolg: angstig in de omgeving 's avonds, zware hersenschudding, inwendige hoofdbloedingen en een forse hersenkneuzing. "

II. Vervolging

Verzoeker stelt dat hij klacht heeft neergelegd.

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

Verzoeker heeft een ziektekostenverzekering afgesloten die alle medische kosten ten laste neemt.

IV. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een financiële hulp voor de volgende schadeposten:

- vervoerskosten euro 72,20

(naar Nederland ivm medische behandeling)

- inkomstenverlies euro 240,00

(gemiste inkomsten zaterdagwerk euro 60 x 4 weken)

- morele schade "door mij niet te bepalen"

- gestolen goederen

(GSM, portefeuille, geld, rijbewijs, kamersleutel,...) euro 207,75

V. Beoordeling door de Commissie

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd.

In het verslag dd. 12 maart 2012 van de verslaggever werd het volgende opgemerkt:

"Op 19 januari 2011 deed het secretariaat ontvangstmelding van het verzoekschrift aan verzoeker in de volgende bewoordingen:

" [...]

Sta mij toe om samen met u artikel 31bis, §1,3° (in geval de dader onbekend blijft) en 4° (de dader wordt geïdentificeerd) van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, te overlopen:

"3° Indien de dader onbekend is, moet de verzoeker klacht hebben ingediend, de hoedanigheid van benadeelde partij hebben aangenomen of zich burgerlijke partij hebben gesteld.

Indien het strafdossier geseponeerd wordt wegens die reden is het indienen van een klacht of het aannemen van de hoedanigheid van benadeelde persoon voldoende.

Het verzoek is binnen drie jaar ingediend. De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de dag van de eerste beslissing tot seponering wegens onbekende dader of vanaf de dag waarop een onderzoeksgerecht een beslissing tot buitenvervolgingstelling wegens onbekende daders uitgesproken heeft die kracht van gewijsde heeft bekomen.

Met een beslissing tot buitenvervolgingstelling wegens onbekende daders wordt gelijkgesteld, de beslissing van een burgerlijk of strafrechterlijk gerecht die de verdachte of de verweerder van de schuld van een opzettelijke gewelddaad, of van de verantwoordelijkheid van de nadelige gevolgen daarvan, ontlast, voor zover deze beslissing de werkelijkheid van de opzettellijke gewelddaad en van de gevolgen ervan onbetwijfelbaar vaststelt, zonder aan enig persoon de verantwoordelijkheid daarvan toe te schrijven.

De hulp kan ook worden toegekend indien er meer dan een jaar verstreken is sinds het indienen van een klacht, het aannemen van de hoedanigheid van benadeelde persoon of de datum van de burgerlijke partijstelling en de dader onbekend blijft.

4° Indien de dader bekend is, moet de verzoeker schadevergoeding nastreven door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank.

Het verzoek kan slechts worden ingediend, naargelang het geval, na een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de strafvordering of na een in kracht van gewijsde gegane beslissing van de burgerlijke rechtbank over de toerekening van of over de vergoeding van deschade.

Het verzoek is binnen drie jaar ingediend. "

U heeft klacht neergelegd en u schrijft dat de zaak in onderzoek is. U heeft zich nog geen burgerlijke partij gesteld tegen de verdachten of u dient dit nog te doen. Er ligt dus nog geen uitspraak door de rechter voor.

Evenmin is er bijvoorbeeld een beslissing tot seponering wegens onbekende dader.

Kortom, in het huidig stadium voldoet uw verzoekschrift niet aan de voorwaarden van de wet omdat het in feite te vroeg is ingediend.

Bovendien dient u zich natuurlijk in eerste instantie te richten tot de daders vermits zij degenen zijn die de schadelijke daad veroorzaakt hebben en niet de Belgische Staat. U schrijft dat u voor de medische kosten tussenkomst geniet vanwege uw verzekeraar. Een vergoeding voor de andere schadeposten (bv. morele schade) waar uw verzekeraar niet in

tussenkomt moet u eerst afdwingen van de veroordeelden. Pas wanneer blijkt dat deze niet in staat is om u te vergoeden, kunt u bij de Commissie komen aankloppen.

Zonder afbreuk te willen doen aan het leed waarmee u tot heden geconfronteerd werd, moet ik - gelet op het voorgaande - vaststellen dat uw verzoek in het actueel stadium manifest niet-ontvankelijk is en zou u daarom willen voorstellen om afstand te doen van uw verzoekschrift. U kunt hiertoe gebruik maken van bijgevoegd document. Wanneer u ons dit document ingevuld terugzendt kan de Commissie via een eenvoudige administratieve procedure uw dossier afsluiten.

Wanneer u afstand doet, verspeelt u niet uw rechten op een eventuele financiële (hoofd)hulp in de toekomst. Immers, zodra u over een rechterlijke beslissing beschikt (bv. een veroordeling van de dader) hetzij een seponering en het blijkt dat u noch via de veroordeelde noch via een verzekering de opgelopen kosten kunt lenigen, staat het u vrij

om binnen de drie jaren, te rekenen vanaf het vonnis, een nieuw verzoekschrift bij de Commissie in te dienen. "

- Op 19 april 2011 werd verzoeker herinnerd aan dit schrijven. Hij heeft hierop niet meer gereageerd.

De hulp die de Commissie toekent houdt geen subjectief recht in vermits de overheid geen schuld treft. Ze is gebaseerd op het principe van "collectieve solidariteit tussen de leden van eenzelfde natie." Immers, de hulp van de Commissie betreft een buitengewone schadeloosstelling "hetgeen betekent dat de toekenning ervan nooit als een recht kan worden opgevorderd" (Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 873/1°, p. 17 en 873/2/1°, p. 19).

Als algemene regel wordt dan ook verondersteld dat het slachtoffer van een zekere belangstelling blijk moet geven om een hulp te bekomen.

Gelet op het gebrek aan essentiële gegevens en stukken in het neergelegd verzoekschrift en aangezien verzoeker vooralsnog geen aanstalten maakt om zijn dossier te vervolledigen of op de gestelde vragen te antwoorden, voldoet het ingediend verzoekschrift niet aan de wettelijke voorwaarden, waardoor het kennelijk onontvankelijk is.

De aandacht van verzoeker wordt gevestigd op artikel 30, § 3, tweede lid, van de wet : "De voorzitters van de kamers houden zitting als enig lid inzake verzoeken om noodhulp als bedoeld in artikel 36, inzake verzoeken die kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond zijn, of wanneer ze de afstand van het geding toewijzen of de zaak van de rol afvoeren."

V-2. Voor zover verzoeker zijn verzoekschrift wenst te handhaven, zal hij begrijpen dat het moeilijk wordt om een financiële hulp toe te kennen wanneer de Commissie over geen enkel op objectieve en/of deskundige wijze tot stand gekomen document beschikt waaruit de waarachtigheid van de feiten noch de aard van de opgelopen letsels blijkt.

Hierbij wordt dan nog abstractie gemaakt van het gebrek aan informatie over de stand van het gerechtelijk onderzoek. De Commissie kan trouwens zelf geen informatie opvragen zolang er geen kopie van een proces-verbaal voorligt waaraan gerefereerd kan worden.

Verzoeker wordt dan ook verzocht om, zoals aangegeven op p.5 van het voorgedrukt verzoekschriftformulier dat hij hanteerde, zijn dossier te vervolledigen met alle nuttige bewijsstukken die de voorgehouden feiten én schade aannemelijk maken: deskundigenverslagen, attesten, facturen, betalingsbewijzen, ontvangen vergoedingen...

Minstens zou toch het proces-verbaal nopens de klacht bij de Antwerpse politie moeten voorliggen als tevens een medisch attest of verslag waarin de opgelopen letsels beschreven zijn."

De Minister van Justitie adviseerde om het verzoek af te wijzen als ongegrond bij gebrek aan reactie van verzoeker op de hem gestelde vragen.

Op 7 mei 2012 ontving het secretariaat via e-mail een bijgevoegde brief van verzoeker waaruit zijn nieuw adres bleek. Op zelfde datum betekende het secretariaat hem nogmaals het verslag, thans op zijn nieuw adres. Uit een attest van B-post blijkt dat verzoeker deze zending in ontvangst nam op 11 mei 2012. Op 29 juni 2012 (buiten de wettelijke conclusietermijn) heeft hij nog een e-mail uitgewisseld met het secretariaat, zonder daarin evenwel aanstalten te maken om op de gestelde vragen te antwoorden of zijn dossier met de ontbrekende stukken te vervolledigen. Het secretariaat antwoordde hem onder meer: "Uw zaak zal behandeld worden op de eerstvolgende rechtszitting van

de Commissie die door zal gaan op woensdag 25 juli a.s. U wordt niet op die zitting uitgenodigd aangezien u niet gevraagd heeft om te worden gehoord. Mocht u toch nog van mening veranderen, gelieve mij dan zo snel mogelijk te verwittigen. "

Vanwege verzoeker werd niets meer vernomen.

Zoals uit de bovenstaande chronologie van het dossierverloop blijkt, moet worden vastgesteld dat verzoeker sedert januari 2011 nalaat om op de gestelde vragen te antwoorden hetzij stukken voor te leggen die enig zicht kunnen bieden op zowel de waarachtigheid van de feiten als zijn fysieke en/of psychische schade als zijn mogelijkheden op schadeloosstelling. Dit gebrek aan medewerking laat de Commissie niet toe om het verzoek op een gefundeerde wijze te beoordelen.

In die omstandigheden dient het verzoek als onontvankelijk te worden afgewezen.

Aangezien in het verslag van de verslaggever reeds opgemerkt werd dat het verzoek kennelijk onontvankelijk is, doet, overeenkomstig artikel 30, § 3, tweede lid, van de wet en artikel 16bis van het K.B. van 18 december 1986, de voorzitter van de kamer als enig lid uitspraak over de onontvankelijkheid.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De voorzitter,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek onontvankelijk.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 11 september 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN P. DE SMET

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 12 januari 2011, waarbij verzoeker, geassisteerd door het Nederlands Schadefonds Geweldsmisdrijven conform Richtlijn 2004/80/EG dd. 29 april 2004 van de Raad van de Europese Unie, om de toekenning heeft gevraagd van een hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.