- Decision of October 18, 2012

18/10/2012 - M90556/6734

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

Tania X. (° 1981), zus van verzoeker, kwam in de nacht van 13 augustus 2006 om het leven ten gevolge van brandstichting.

Na een (zoveelste) hoog oplopende ruzie stak haar partner Stefan Z. het appartement waar zij zich in bevond, in brand. Nadat Z. eerst zichzelf in veiligheid gebracht had, riep hij naar een medebewoonster dat zij de brandweer moest verwittigen.

Drie bewoners van het gebouw moesten worden geëvacueerd. Z. en een andere man werden naar het UZ overgebracht omdat ze te veel rook ingeademd hadden. Voor Tanja X. kon geen hulp meer baten.

II. Vervolging

Bij arrest dd. 19 december 2008 van het Hof van Assisen van de provincie ... werd de volgende tenlastelegging bewezen verklaard in hoofde van de genaamde Stefan Z. (° 1979) en waarvoor deze veroordeeld werd tot 12 jaar opsluiting:

"Te ..., op 13 augustus 2006:

Opzettelijk een gebouw of ander bouwwerk in brand gestoken te hebben,

Namelijk een appartement, gelegen te ..., ... 39 bus 1 R, toebehorend aan de familie P., ..., ...,

terwijl de dader moest vermoeden dat zich aldaar op het ogenblik van de brand één of meer personen bevonden, met de omstandigheid dat de brand bij nacht gesticht werd en met de omstandigheid dat de brand de dood van X. Tania, geboren te ... op ../../ 1981, ten gevolge heeft gehad. "

Op burgerlijk vlak werd Z. bij arrest dd. 23 december 2008 van het Hof van Assisen veroordeeld tot betaling aan verzoeker de som van euro 5.000 morele schade meer de intresten en een RPV van euro 200.

Het arrest verwierf kracht van gewijsde (attest griffie).

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

III-1. De trajectbegeleider van de veroordeelde deelt mee dat hij in de gevangenis een zeer klein en onregelmatig inkomen heeft, afhankelijk van of er werk is of niet. Hij verrichtte enkele afbetalingen van euro 30, te verdelen onder de vijf burgerlijke partijen. Hij heeft nog andere financiële schulden en heeft geen bezittingen.

Volgens de gerechtsdeurwaarder beschikt de veroordeelde niet over goederen waarop beslag kan worden gelegd. Hij verblijft in de gevangenis en staat ingeschreven op het adres van familie.

III-2. Verzoeker verklaart op eer op geen enkele verzekeringstussenkomst te kunnen beroep doen.

IV. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker, de niet-inwonende broer van het overleden slachtoffer, vraagt om de toekenning van een hulp van euro 6.109,73.

- morele schade volgens arrest dd. 23/12/2008 euro 5.000,00

- intresten euro 909,73

- RPV euro 200,00

V. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen aan "erfgerechtigden, in de zin van artikel 731 van het Burgerlijk Wetboek, tot en met de tweede graad van een persoon die overleden is als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad of personen die in duurzaam gezinsverband samenleefden met de overledene" (art. 31, 2°, W. 1.08.1985) voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 2, met name:

1° de morele schade;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten;

3° het verlies aan levensonderhoud voor personen die op het ogenblik van de gewelddaad ten laste waren van het slachtoffer;

4° de begrafeniskosten;

5° de procedurekosten;

6° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren.

‘Intresten' zijn daarbij niet opgenomen en komen dus niet in aanmerking voor een financiële hulp. Het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt is hier niet van toepassing; immers de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. De zienswijze van de Commissie ten aanzien van de intresten werd bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.

Het voorgaande impliceert dat de Commissie voor bepaalde schadeposten andere tarieven kan (mag) hanteren dan die waarvan de correctionele rechter zich bedient. Hierdoor kan de door de Commissie toegekende hulp in meerdere of mindere mate afwijken van de in gemeenrecht toegewezen schadevergoeding. Zo baseert de Commissie zich onder meer bij het toekennen van een hulpbedrag voor de schadepost ‘morele schade' op haar rechtspraak in gelijkaardige dossiers én op de indicatieve tabel van het Nationaal verbond van magistraten eerste aanleg en het Koninklijk verbond van vrede- en politierechters (in casu is het tarief overleden niet-inwonende broer/zus euro 1.500).

De Commissie meent overigens dat dergelijke schade onmogelijk kan goedgemaakt worden door een geldelijke tegemoetkoming. Morele schade speelt zich af in het hoofd van het slachtoffer en kan dus niet hersteld worden door gebruik te maken van financiële middelen. Als men dan toch een vergoeding wenst toe te kennen, kan dat hooguit een vorm van troost zijn, een compensatie die tot doel heeft de pijn, de smart, het moreel leed te lenigen. Het gaat daarbij om een abstracte begroting van het leed.

In die optiek, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak zoals hierboven geschetst, acht de Commissie de toekenning van een hulp van euro 1.700 billijk.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoeker een hulp toe van euro 1.700.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 18 oktober 2012.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 9 juni 2009 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.