- Decision of February 27, 2014

27/02/2014 - M12-1-0540

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

Verzoeker is de ex-echtgenoot van wijlen mevrouw Annick X. die overleed als gevolg van de haar toegediende slagen en verwondingen.

Vonnis 11/05/2012, f° 5-6

ZAAK I :

Op 6 april 2010 doet X. aangifte van een gewelddadige verkrachting door haar partner.

Zij vertoonde kwetsuren in het aangezicht aan het rechteroog, aan de lippen en aan beide oren, brandwonden op haar zitvlak en allerlei kneuzingen en zwellingen op de beide dijbenen. In het ziekenhuis werd tevens vastgesteld dat ze drie gebroken ribben had.

De foto's van de opgelopen kwetsuren tonen de ernst van de opgelopen letsels aan en geven een idee op welke wijze het slachtoffer werd toegetakeld.

Het slachtoffer verklaart dat beklaagde dronken was en boos en erg jaloers.

Hij sloeg haar met zijn vuisten op het hoofd, waarop zij op de grond viel en bewusteloos was, zij werd dan anaal verkracht, waarbij haar anus werd gekwetst door de implantaten. Zij viel opnieuw bewusteloos en werd dan vaginaal verkracht en nadien nog gedwongen om hem oraal te bevredigen.

Hij sleurde haar ook bij de haren.

Toen hij bevredigd was zei hij dat ze haar straf had gehad.

Het is een buurman die het slachtoffer uiteindelijk gevonden heeft op het appartement van beklaagde en haar naar het ziekenhuis heeft gevoerd.

Beklaagde ontkent de feiten en geeft een totaal ongeloofwaardige verklaring hoe het komt dat het slachtoffer - ernstig gekwetst - op zijn appartement terecht kwam.

De rechtbank heeft geen reden om aan de waarachtigheid van de verklaring van het slachtoffer te twijfelen.

De aangestelde deskundige beschrijft beklaagde als een primitieve man die agressief en impulsief uit de hoek kan komen wanneer hij zich tekort gedaan voelt.

Beklaagde wordt door de onderzoeksrechter vrijgelaten onder de voorwaarde geen contact met het slachtoffer te hebben en verbod zich in haar straat te bevinden.

ZAAK II:

Nog geen zes maanden na deze gewelddadige verkrachting wordt Annick X. in haar appartement dood aangetroffen.

Het is beklaagde zelf die de politie verwittigt dat hij haar geslagen heeft en niet weet of ze dood dan wel nog levend is.

De vrouw is weerom op gruwelijke wijze toegetakeld. Zij vertoonde talrijke kneusletsels ter hoogte van het hoofd, de ledematen en de rug. Er werd een neusfractuur, een schedelbasis breuk en meerdere gebroken ribben vastgesteld.

Op het appartement werden meerdere bloedsporen aangetroffen alsook bebloede kledij, niettegenstaande beklaagde zegt na de feiten het meeste bloed te hebben opgekuist.

Zowel de buren als de vrienden van het koppel zeggen dat er veel ruzie werd gemaakt en beklaagde ziekelijk jaloers was.

Het slachtoffer had kort voor de feiten een einde gemaakt aan de relatie en uit het telefoonverkeer blijkt dat zij nog zeer frequent door beklaagde werd lastig gevallen.

Uit de camerabeelden blijkt dat zij zeer angstig is wanneer zij geld gaat afhalen en tot drie keer toe de hulpdiensten opbelde omdat zij door beklaagde werd lastiggevallen.

Beklaagde houdt voor zijn vriendin één slag te hebben gegeven met de vlakke hand, hetgeen totaal niet compatibel is met de vastgestelde kwetsuren.

De rechtbank acht de feiten - zoals aangevuld - dan ook bewezen.

Ook hier is de aangestelde gerechtspsychiater van oordeel dat beklaagde een primitieve man is die zeer gewelddadig is als hij zijn zin niet krijgt, zoals het geval was, nu blijkt dat X. een einde wilde maken aan de relatie om naar haar kinderen in Griekenland te gaan.

Beklaagde is in Roemenië al meerdere keren veroordeeld onder meer voor geweldmisdrijven.

De weerhouden feiten van zaak I en zaak II, die zich vermengen als zijnde gepleegd met eenzelfde strafbaar opzet, zijn uitermate ernstig gelet op het extreem gewelddadig en repetitief karakter ervan, zodat de maximumstraf gepast is.

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 11 mei 2012 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werden de volgende tenlasteleggingen bewezen geacht in hoofde van de zich noemende Ion Z. (° 1967), en waarvoor deze voor de vermengde feiten van zaak I en zaak II veroordeeld werd tot 15 jaar gevangenisstraf. Tevens werd hij ontzet uit zijn rechten voor een termijn van 10 jaar en ter beschikking gesteld van de strafuitvoeringsrechtbank voor tevens 10 jaar.

" ZAAK I

Te ..., in de nacht van 4 op 5 april 2010, meermaals,

De misdaad van verkrachting gepleegd te hebben op de persoon van X. Annick , geboren te ... op ../../1964, de verkrachting zijnde elke daad van seksuele penetratie van welke aard ook en met welk middel ook, op een persoon die daar niet in toestemt, de daad met name opgedrongen zijnde door middel van geweld, dwang of list of mogelijk gemaakt zijnde door een onvolwaardigheid of een lichamelijk of geestelijk gebrek van het slachtoffer, de verkrachting voorafgegaan door of gepaard gegaan zijnde met lichamelijke foltering of opsluiting;

ZAAK II

Te ..., tussen 5 oktober 2010 en 11 oktober 2010, op niet nader bepaalde datum,

Opzettelijk, maar zonder het oogmerk om te doden, slagen of verwondingen te hebben toegebracht aan X. Annick, geboren te ... op ../../1964, de slagen of verwondingen toch diens dood veroorzaakt hebbende, met de verzwarende omstandigheid dat de slagen werden toegebracht aan de persoon met wie hij samenleeft of samengeleefd heeft en een duurzame affectieve en seksuele relatie heeft of gehad heeft ; "

Op burgerlijk vlak werd Z. bij zelfde vonnis veroordeeld tot betaling aan verzoeker in eigen naam de morele schadevergoeding van euro 1.500 meer de intresten en een rechtsplegingsvergoeding van euro 2.200 te verdelen over zes burgerlijke partijen.

Zowel Z. als het O.M. stelden hoger beroep in.

Bij eindarrest van 3 oktober 2012 ging het Hof van Beroep te ... over tot volgende uitspraak:

- op penaal gebied: 5 jaar gevangenisstraf, ontzet uit zijn rechten voor een termijn van 10 jaar

en ter beschikking gesteld van de strafuitvoeringsrechtbank voor tevens 10 jaar;

- op civiel gebied: aan verzoeker in eigen naam de morele schadevergoeding van euro 500

meer de intresten en een rechtsplegingsvergoeding van euro 687,50 x 2 (1ste aanleg + in graad van beroep).

Arrest f° 17: "Uit de verklaring van de burgerlijke partij zeif biijkt dat de laatste jaren van het huweiijk evenals de echtscheidingsprocedure erg moeizaam verliepen, dat er na de echtscheiding nog slechts sporadisch contacten waren met het slachtoffer en dat hij betreffende de opvoeding van de minderjarige dochters weinig of geen hulp had van het slachtoffer (zaak II - kaft 3 - st. 37-32). Wel kan aangenomen worden dat het feit dat de burgerlijke partij zijn dochters in kennis diende te stellen van het gewelddadige overlijden van hun moeder in zijn hoofde een morele last in oorzakelijk verband met de bewezen verklaarde feiten met zich bracht. Deze morele last wordt billijk vergoed door toekenning van 500,00 euro."

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

III-1. De raadsman van de veroordeelde laat weten dat haar cliënt, gelet op zijn lange detentie en gebrek aan inkomsten in de onmogelijkheid verkeert om de opgelegde schadevergoedingen te voldoen.

III-2. Verzoeker heeft een familiale polis met luik rechtsbijstand afgesloten maar de polis voorziet niet in een waarborg ‘onvermogen van derden'.

IV. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 1.500 voor morele schade conform het vonnis van 11 mei 2012.

V. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

Overeenkomstig artikel 31, 2° van de wet van 1 augustus 1985, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009, kan de Commissie een financiële hulp toekennen aan "erfgerechtigden, in de zin van artikel 731 van het Burgerlijk Wetboek, tot en met de tweede graad van een persoon die overleden is als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad of personen die in duurzaam gezinsverband samenleefden met de overledene".

Artikel 731 B.W. luidt als volgt: "De erfenissen komen toe aan de kinderen en afstammelingen van de overledene, aan zijn noch uit de echt noch van tafel en bed gescheiden echtgenoot, aan zijn bloedverwanten in de opgaande lijn (aan zijn bloedverwanten in de zijlijn en aan zijn wettelijk samenwonende binnen de grenzen van de rechten die hem zijn toegekend), in de orde en overeenkomstig de regels die hierna worden bepaald."

Verzoeker is de ex-echtgenoot van wijlen mevrouw Annick X. die overleed als gevolg van de haar toegediende slagen en verwondingen.

Vonnis dd. 11 mei 2012, f° 8: "Aangezien de burgerlijke partij en het slachtoffer reeds jaren gescheiden leefden en er slechts zeer beperkte contacten waren...".

Aangezien verzoeker, ex-echtgenoot op het ogenblik van de feiten, niet met het slachtoffer in duurzaam gezinsverband samenleefde, kan hij niet worden ondergebracht worden in de hierboven geciteerde omschrijving.

De Minister van Justitie adviseert om het verzoek af te wijzen als onontvankelijk.

Verzoeker vraagt om rekening te houden met een aantal factoren:

- het was verzoeker in persoon die aan de minderjarige kinderen diende uit te leggen dat hun moeder vermoord was;

- daarop kregen zijn kinderen het psychisch zeer moeilijk hetgeen hem ook raakte;

- de correctionele rechtbank heeft dit in overweging genomen en hem hiervoor een morele

schadevergoeding toegewezen.

Nu, in tegenstelling tot de schadevergoeding die een burgerlijke partij kan bekomen voor de gewone hoven en rechtbanken, verleent de wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen bovendien de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

In artikel 31 van die wet heeft de wetgever de mogelijkheden van tussenkomst tot bepaalde categorieën van slachtoffers (verzoekers) beperkt.

De Commissie oordeelt weliswaar, conform artikel 33, § 1, ‘naar billijkheid' maar zoals uit dit wetsartikel blijkt, slaat dergelijke wijze van beoordeling op het bedrag van de hulp en niet op de ontvankelijkheidsvoorwaarden.

In de gegeven omstandigheden kan de Commissie dan ook niet anders dan het voorliggend verzoek als onontvankelijk afwijzen.

Zij wenst evenwel te beklemtonen dat deze afwijzing evident geen afbreuk doet aan het leed van verzoeker, waarvoor de Commissie alle begrip betoont. Als administratief rechtscollege heeft de Commissie zich evenwel te houden aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die haar werking regelen.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek onontvankelijk.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 27 februari 2014.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 14 juni 2012 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.