- Decision of February 27, 2014

27/02/2014 - M12-1-0607

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

Cornelia X. was 12 jaar toen haar vader zich in haar aanwezigheid aan zelfbevrediging overgaf. De man was veelpleger van diverse feiten van aanranding van de eerbaarheid in het bijzijn van of misbruik makend van verschillende minderjarigen waaronder zijn eigen dochters.

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 5 oktober 2009 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werd onder meer de volgende tenlastelegging bewezen verklaard in hoofde van August X. (° 1960), en waarvoor deze veroordeeld werd tot 18 maanden gevangenisstraf:

"A/ [...]

B/ [...]

C/ Bij inbreuk op art. 385 lid 1 en 2 van het Strafwetboek, in het openbaar de zeden te hebben geschonden door handelingen die de eerbaarheid kwetsen, met name zich zelf bevredigen in de woning in aanwezigheid van derden en met de omstandigheid dat de schennis gepleegd werd in aanwezigheid van minderjarigen beneden de volle leeftijd van zestien jaar, en meer bepaald:

1. in aanwezigheid van X. Cornelia, geboren te ... op ../../1995,

te ... op niet nader te bepalen tijdstip in de maand november 2007 "

Op burgerlijk vlak werd X. bij zelfde vonnis veroordeeld tot betaling van een definitieve morele schadevergoeding van euro 500 aan verzoeker q.q. (die euro 2.500 provisioneel had gevorderd), meer de intresten.

Tevens werd voorbehoud verleend ‘voor eventuele toekomstige materiële en morele schade'.

Het vonnis bekwam kracht van gewijsde (attest griffie).

III. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

III-1. De instrumenterende gerechtsdeurwaarder wijst op 15 mei 2012 op een ‘zeer slechte solvabiliteit':

- Geen voertuigen ingeschreven

- Waardeloze inboedel, geen andere uitvoeringsmogelijkheden

- Meerdere dossiers op ons kantoor doch werden steeds afgesloten omdat meneer zijn beloftes niet nakwam, ofwel in de gevangenis verbleef ofwel afgevoerd was van ambtswege

- Nazicht van de beslagberichten: nihil

- Inkomsten: niet gekend op heden.

III-2. Verzoeker q.q. verklaart dat op geen enkele verzekeringstussenkomst kan worden beroep gedaan. De feiten speelden zich binnen het gezin af.

IV. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker q.q. vraagt een hoofdhulp van euro 552,70:

- morele schade euro 500,00

- intresten euro 52,70

Op de rechtszitting dd. 18 december 2013 van de Commissie verklaart verzoeker, voorlopig bewindvoerder en optredend namens zijn pupil Cornelia X., bij monde van zijn raadsman, zich te gedragen naar de wijsheid van de Commissie inzake de begroting van de schade.

V. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985:

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade :

1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;

3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;

5° de esthetische schade;

6° de procedurekosten;

7° de materiële kosten;

8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren."

‘Intresten' zijn daarbij niet opgenomen en komen dus niet in aanmerking voor een financiële hulp. Het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt is hier niet van toepassing; immers de schuldenaar van de toegekende hulp, zijnde de Belgische Staat, is niet de veroorzaker van de schade. De zienswijze van de Commissie ten aanzien van de intresten werd bevestigd bij arrest nr. 165.787 van de Raad van State d.d. 12 december 2006.

Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.

Het voorgaande impliceert dat de Commissie voor bepaalde schadeposten andere tarieven kan (mag) hanteren dan die waarvan de hoven en rechtbanken zich bedienen. Hierdoor kan de door de Commissie toegekende hulp in meerdere of mindere mate afwijken van de in gemeenrecht toegewezen schadevergoeding.

Aangezien, naar aanleiding van de verschijning van de raadsman ter zitting en uit diens schriftelijke reactie op het verslag van de verslaggever, blijkt dat de morele schade wezenlijk groter dient te worden gepercipieerd dan zoals begroot bij de afhandeling van de burgerlijke belangen. Dat mevrouw X. nog steeds baat ondervindt bij therapeutische begeleiding bij het verwerken van het haar overkomen leed. Dat verzoeker q.q. bij monde van zijn raadsman, ter rechtszitting dd. 18 december 2013 van de Commissie, uitdrukkelijk verklaarde zich te gedragen naar de wijsheid van de Commissie inzake de begroting van de schade van zijn pupil.

De Commissie, die tevens rekening houdt met de ernst van de schade, de jeugdige leeftijd van het slachtoffer en de schadeposten die volgens de wet niet in aanmerking komen voor een financiële hulp, meent in die omstandigheden aan mevrouw X. in billijkheid een globale hulp te kunnen toekennen begroot op ex aequo et bono euro 2.500.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent aan mevrouw Cornelia X. een hulp toe van euro 2.500.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 27 februari 2014.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 27 juni 2012 waarbij mr. M. De Molder in zijn hoedanigheid van voogd ad hoc namens de op dat ogenblik minderjarige Cornelia X. om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.