- Decision of February 27, 2014

27/02/2014 - M13-1-0351

Case law

Summary

Samenvatting 1

Decision - Integral text

(...)

I. Feiten

Vonnis dd. 27/06/2011, f° 2-3

"Uit de analyse van de camerabeelden blijkt dat een eerste man [Yousef Z.] een tweede man [verzoeker] bij de schouder neemt waardoor deze achterwaarts struikelt, dat de tweede man daarop een kopstoot geeft in de richting van de eerste waarbij het niet duidelijk is of deze geraakt wordt, waarop de eerste man een glas stuk slaat in het aangezicht van de tweede man (stuk 37).

Portier J. hoorde van een vechtpartij, ging naar de dansvloer en zag er een manspersoon uithalen met een glas in het aangezicht van een andere klant. Deze twee personen werden door het overige personeel naar de voorzijde van de discotheek gebracht (stuk 19).

Deze personen worden door de verbalisanten geïdentificeerd als beide beklaagden (stuk 23). Zij stellen vast dat beklaagde Z. bloedt aan de rechterhand door snijwonden en dat beklaagde X. snijwonden heeft in het aangezicht en erg bloedt (stuk 22).

De rechtbank leidt uit het geheel van deze vaststellingen af dat de ten laste gelegde feiten bewezen zijn in hoofde van beklaagde Z..

De rechtbank acht de feiten in hoofde van beklaagde X. onvoldoende naar recht bewezen, nu niet duidelijk is of hij beklaagde Z. heeft geraakt en deze laatste geen verwondingen in het aangezicht heeft.

Beklaagde Z. beroept zich in ondergeschikte orde op de uitlokking. Vermits hij als eerste op beklaagde X. is toegestapt en aan diens schouder heeft getrokken en het daarenboven niet zeker is dat de kopstoot die daarop volgde hem geraakt heeft, is er geen sprake van enige zware gewelddaad op zijn persoon die een dergelijke buitensporige reactie kan verantwoorden. De rechtbank kan dit onmogelijk als verschoningsgrond aanvaarden. "

II. Vervolging

Bij vonnis dd. 27 juni 2011 van de rechtbank van eerste aanleg te ... werd de volgende tenlastelegging bewezen geacht in hoofde van de genaamde Yousef Z. (° 1983), en waarvoor deze veroordeeld werd tot 1 jaar gevangenisstraf:

"Te ... op 16 juni 2007:

Opzettelijke verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan X. Ilir met de omstandigheid dat de slagen of verwondingen een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hebben gehad. "

PS: verzoeker, tweede beklaagde, werd vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten: nl. het toebrengen van opzettelijke verwondingen of slagen aan Z..

Zowel Z. als het O.M. tekenden hoger beroep aan tegen het vonnis.

Bij arrest dd. 14 maart 2012 van het Hof van Beroep te ... werd het bestreden vonnis op penaal gebied bevestigd en op civiel gebied werd Z. veroordeeld tot betaling aan verzoeker de hoofdsom van euro 26.800,31 meer de intresten en een rechtsplegingsvergoeding van euro 4.400

( euro 2.200 in 1ste aanleg + euro 2.200 in graad van beroep).

Tevens werd voorbehoud verleend voor een eventuele plastische heelkundige ingreep geraamd op

euro 2.400.

- administratie en verplaatsingskosten euro 278,66

- medische kosten (provisioneel) euro 506,43

- TWO moreel euro 7.373,83

- B.I. moreel (5% x euro 2.062 / 2) euro 5.155,00

- esthetische schade (5/7) euro 10.000,00

- inkomstenverlies euro 2.457,38

- economische schade huishouden euro 1.029,01

III. Gevolgen van de feiten

Conclusies van gerechtsdeskundige dr. P. in zijn deskundigenverslag:

" Rekening houdende met de elementen van de bespreking;

Meen ik te mogen besluiten dat X. Ilir ten gevolge van de feiten d.d. 16.06.2007;

1. 100% arbeidsongeschikt was van 16.06.2007 tot en met 15.07.2007;

2. 25% invaliditeit vertoonde van 16.07.2007 tot en met 15.08.2007;

3. 15% invaliditeit vertoonde van 16.08.2007 tot en met 15.09.2007;

4. 10% invaliditeit vertoonde van 16.09.2007 tot en met 15.10.2007;

5. 5% invaliditeit vertoonde van 16.10.2007 tot en met 15.11.2008;

6. 2 % invaliditeit vertoonde van 16.11.2008 tot en met 15.06.2008;

7. Zijn fysische letsels geconsolideerd zijn op 16.06.2008;

8. Geen blijvende invaliditeit vertoont;

9. Geen blijvende arbeidsongeschiktheid vertoont;

10. ln de zin van artikel 400 van het SWB geen blijvende ongeschiktheid tot het vemchten van persoonlijke

arbeid vertoont;

11. De geleden pijnen vervat zijn in de verschillende percentages arbeidsongeschiktheid en invaliditeit;

12. Op 16.07.2007 zijn werkzaamheden redelijkerwijze kon hernemen zonder het leveren van meerinspanning;

13. Noch vóór, noch na de datum van consolidatie hulp van derden nodig had;

14. Een morele schade vertoonde welke in een schaal gaande van 1 tot 7 kan geschat worden op 6/7, zijnde een zeer ernstige morele schade tot 15.07.2010;

15. Een morele schade vertoonde welke in een schaal gaande van 1 tot 7, kan geschat worden op 5/7 zijnde een ernstige morele schade tot 30.08.2010;

16. 100% arbeidsongeschiktheid was van 31.08.2009 tot en met 15.11.2009;

17, 100% arbeidsongeschiktheid was van 01.04.2010 tot en met 31.05.2010;

18. Zijn morele letsels geconsolideerd zijn op 31.08.2010;

19. Een blijvende morele schade vertoont welke in een schaal gaande van 1 tot 7 kan geschat worden op 4 à 5 / 7, zijnde een middelmatige tot een ernstige morele restschade;

20. Na deze consolidatie geen medicatie of medische of paramedische behandelingen meer nodig zijn;

21. Een esthetische schade vertoont welke in een schaal gaande van 1 tot 7 kan geschat worden op 5 / 7, zijnde een ernstige esthetische schade;

22. Deze vatbaar is voor verbetering door middel van plastische chirurgie tegen een kostprijs van 2400 euro met een tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid van minstens 14 dagen tot gevolg. "

Arrest dd. 14/03/2012, f° 7 - 8

"Het hof neemt de bevindingen van de aangestelde gerechtsdeskundige P. en de door hem geraadpleegde psychiater Roosen als advies aan, vermits het verslag goed onderbouwd is en coherent.

Beklaagde betwist het oorzakelijk verband tussen de slag met het glas in het aangezicht en de door de gerechtsdeskundige weerhouden gevolgen, om reden dat de burgerlijke partij niet werd opgenomen in het ziekenhuis en de psychiatrische klachten en arbeidsongeschiktheid zich voordoen twee jaar na het feit en dat hij geen zicht heeft op andere gebeurtenissen die de schade

konden veroorzaken.

Het latere optreden van de arbeidsongeschiktheid en psychiatrische klachten is evenwel aannemelijk, vermits voigens de gerechtsdeskundige op grond van medische attesten blijkt dat de burgerlijke partij slechts sinds einde augustus 2009 in psychiatrische behandeling kwam, ingevolge een reactieve depressie op het ongeval met aangezichtstrauma met litteken in het aangezicht waarbij de burgerlijke partij in een eerste fase van verdringing voorbijging aan de verwerking en de gevolgen, waarna hij later des te heviger is gedecompenseerd.

Gelet op de ernst van het aangezichtslitteken is het zeker dat zonder het ernstig aangezichts-litteken, de door de gerechtsdeskundige in zijn verslag op pagina 15 vermelde schade zich niet op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan. Krachtens de equivalentietheorie blijft de aansprakelijk-heid van beklaagde bestaan ook indien mogelijke andere feitelijke elementen hebben bijgedragen tot deze schade. "

IV. Mogelijkheden tot schadeloosstelling

IV-1. De instrumenterende gerechtsdeurwaarder laat op 13 juli 2012 weten dat uitvoering van het arrest niet mogelijk is. De veroordeelde heeft geen gekende verblijfplaats en is ambtshalve geschrapt. Het arrest werd aan het ambt van de procureur des Konings betekend.

IV-2. Verzoeker verklaart op geen enkele verzekeringstussenkomst te kunnen beroep doen.

V. Begroting van de gevraagde hulp

Verzoeker vraagt om de toekenning van een hulp van euro 31.463,00.

- hoofdsom volgens arrest van 14/03/2012 euro 26.800,31

- rechtsplegingsvergoeding euro 4.400,00

- betekeningskosten euro 262,69

VI. Beoordeling door de Commissie

Het verzoekschrift aan de Commissie is regelmatig naar de vorm en het werd tijdig neergelegd.

De wetgeving betreffende de hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden verleent aan de slachtoffers geen subjectief recht op "schadeloosstelling", maar wel op het eventueel bekomen van een "hulp", gesteund op het principe van de collectieve solidariteit. Uit de aard zelf van de hulp volgt dat de "volledige vergoeding" van het door de slachtoffers geleden nadeel niet wordt gewaarborgd. Bij het beoordelen van een hulp dienen de voorschriften van de artikelen 31, 31bis, 32, 33 en 33bis van de wet van 1 augustus 1985 nageleefd te worden.

De Commissie verzekert geen integrale schadeloosstelling. Ze kan, naar billijkheid, een financiële hulp toekennen voor de schadeposten die limitatief zijn opgesomd in artikel 32, § 1, van de wet van 1 augustus 1985:

"Voor de toekenning van een hulp aan de personen als bedoeld in artikel 31, 1°, steunt de commissie uitsluitend op de volgende bestanddelen van de geleden schade :

1° de morele schade, rekening houdend met de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

2° de medische kosten en de ziekenhuiskosten, met inbegrip van de prothesekosten;

3° de tijdelijke of blijvende invaliditeit;

4° een verlies of vermindering aan inkomsten ten gevolge van de tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid;

5° de esthetische schade;

6° de procedurekosten;

7° de materiële kosten;

8° de schade die voortvloeit uit het verlies van een of meer schooljaren."

De post ‘economische schade huishouden' is niet opgenomen in deze limitatieve opsomming en komt bijgevolg niet in aanmerking voor een financiële hulp.

Uit artikel 33, § 1 van de wet van 1 augustus 1985 blijkt dat het bedrag van de hulp naar billijkheid wordt bepaald. Volgens de voorbereidende werken is die beoordeling naar billijkheid zelfs het basisbeginsel van het stelsel (Parl.St., Senaat 1984-85 nr. 873/2/1°,8). Dit uitgangspunt verleent aan de Commissie een appreciatiebevoegdheid, zowel inzake de opportuniteit van de toekenning van een financiële hulp als inzake de bepaling van de omvang van het hulpbedrag.

Het voorgaande impliceert dat de Commissie voor bepaalde schadeposten andere tarieven kan (mag) hanteren dan die waarvan de hoven en rechtbanken zich bedienen. Hierdoor kan de door de Commissie toegekende hulp in meerdere of mindere mate afwijken van de in gemeenrecht toegewezen schadevergoeding.

Dit is het geval wat de ‘esthetische schade' betreft, zoals de visu ter rechtszitting vastgesteld naar aanleiding van het persoonlijk verschijnen van verzoeker, dewelke de Commissie meent lager te moeten evalueren dan in het gemeen recht.

Het maximale hulpbedrag dat voor de schadepost ‘procedurekosten' kan toegekend worden, bedraagt euro 4.000 (artikel 32, § 1, 6°, van de wet van 1 augustus 1985 juncto artikel 2, eerste lid, van het K.B. van 18 december 1986 betreffende de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders).

Rekening houdende enerzijds met de ernst van de feiten en de opgelopen schade en anderzijds met de door de wet uitgesloten schadeposten en wettelijke maximumbedragen, meent de Commissie aan verzoeker in billijkheid een globale hulp te kunnen toekennen begroot op ex aequo et bono euro 25.000.

*

* *

OP DIE GRONDEN,

De Commissie,

Gelet op:

- de artikelen 17 § 1, 39 tot 42 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 tot regeling van het taalgebruik in bestuurszaken;

- de artikelen 28 tot 41 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, laatst gewijzigd bij wet van 30 december 2009;

- het koninklijk besluit van 18 december 1986 betreffende de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 7 december 2006,

Verklaart het verzoek ontvankelijk en kent verzoeker een hulp toe van euro 25.000.

Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare zitting en in de Nederlandse taal op 27 februari 2014.

De plv. secretaris, De voorzitter,

B. VAN BEURDEN C. DELESIE

Free keywords

  • Verzoekschrift, neergelegd op het secretariaat van de Commissie op 11 april 2013 waarbij verzoeker om de toekenning heeft gevraagd van een financiële hulp voor schade als gevolg van een opzettelijke gewelddaad.