- Arrêt of January 18, 2011

18/01/2011 - 2010/PGA/002 314

Case law

Summary

Samenvatting 1

Het Hof leidt met zekerheid af dat beklaagde, door zich valselijk voor te doen als een in financiële nood verkerende weduwe met vier kinderen wiens man zelfmoord pleegde in de gevangenis, de op het ogenblik van de feiten 85-jarige, op rust gestelde pastoor, ertoe aanzette haar, bij wijze van lening, gelden te overhandigen.

Uit de elementen van het strafdossier leidt het Hof met zekerheid af dat het van meet af aan het oogmerk van beklaagde was zich de haar door het slachtoffer overhandigde gelden toe te eigenen. Haar financiële toestand, zoals deze blijkt uit het strafonderzoek, liet haar immers niet toe om binnen redelijke termijn het geleende bedrag terug te betalen.

Uit de verklaringen van het slachtoffer dat hij, toen hij vernam dat beklaagde nog gehuwd was, als "door de bliksem werd getroffen", leidt het Hof met zekerheid af dat het feit dat beklaagde de hoedanigheid aannam van weduwe met 4 kinderen, determinerend was voor de afgifte van de gelden door het slachtoffer.


Arrêt - Integral text

Het Hof van Beroep, zitting houdende op 18 januari 2011

te Antwerpen, tiende kamer

(...)

Beklaagde betwist niet dat F.V. haar in de in tenlastelegging C vermelde incriminatieperiode gelden overhandigde ten belope van in totaal 25.000 euro.

Uit de samenlezing van de verklaringen van het slachtoffer (st. 20 en 31), van de door de bankbediende aan de verbalisanten verstrekte inlichtingen (st. 11) en de tijdens het strafonderzoek door beklaagde zelf afgelegde verklaring (st. 29), leidt het Hof met zekerheid af dat beklaagde, door zich valselijk voor te doen als een in financiële nood verkerende weduwe met vier kinderen wiens man zelfmoord pleegde in de gevangenis, de op het ogenblik van de feiten 85-jarige, op rust gestelde pastoor, F.V., ertoe aanzette haar, bij wijze van lening, voormelde gelden te overhandigen.

Dat het in de ogen van V. om leningen ging, blijkt uit zijn ten overstaan van de verbalisanten afgelegde verklaringen (st. 20 en 31). Ook de bankbediende van het bankkantoor waar V. zijn financiële verrichtingen deed, spreekt van door V. gegeven leningen (st. 11).

De door beklaagde voor de eerste rechter neergelegde geschreven verklaring van V. d.d. 25 november 2009, waarin deze - in strijd met zijn eerdere verklaringen - stelt dat hij het geld schonk aan beklaagde, overtuigt niet. Te meer daar ook uit de verklaring van beklaagde (st. 29) zelf blijkt dat er terugbetalingen dienden te gebeuren.

Uit de elementen van het strafdossier leidt het Hof met zekerheid af dat het van meet af aan het oogmerk van beklaagde was zich de haar door V. overhandigde gelden toe te eigenen. Haar financiële toestand, zoals deze blijkt uit het strafonderzoek, liet haar immers niet toe om binnen redelijke termijn het geleende bedrag terug te betalen.

Het feit dat beklaagde, zoals gesteld in de geschreven verklaring van V., sedert de feiten reeds 9 keer 100 euro terug betaalde - dit mogelijk met de bedoeling V. te sussen - ondermijnt voormeld oordeel van het Hof niet.

Uit voormelde verklaringen van V. en van beklaagde blijkt dat beklaagde ten overstaan van V. de hoedanigheid aannam van weduwe met vier kinderen wiens echtgenoot zelfmoord gepleegd had in de gevangenis, wat onmiskenbaar een leugen was, nu de betrokken echtgenoot - nog springlevend - verbleef in een caravan naast de bungalow van beklaagde.

Het in conclusie door beklaagde ontwikkelde verweer dat zij V. niet voorloog omtrent haar burgerlijke stand, maar hem naar waarheid zegde dat zij alleenstaande was nu zij feitelijk gescheiden leefde van haar echtgenoot, druist in tegen haar eerder afgelegde verklaring waarin zij bovendien specificeert dat zij haar echtgenoot verzocht zich zeker niet bij haar te vertonen als V. bij haar was. Indien er enkel sprake was van een feitelijke scheiding, was een dergelijke enscenering uiteraard niet nodig.

Het verweer van beklaagde dat V. haar echtgenoot kende, wordt tegengesproken door de verklaring van deze laatste (st. 48).

Uit de verklaringen van V. dat hij, toen hij vernam dat beklaagde nog gehuwd was, als "door de bliksem werd getroffen", leidt het Hof met zekerheid af dat het feit dat beklaagde de hoedanigheid aannam van weduwe met 4 kinderen, determinerend was voor de afgifte van de gelden door V..

Gelet op wat voorafgaat is de onder tenlastelegging C (zoals gepreciseerd) vermelde oplichting bewezen. Noch het feit dat V. in de loop van het strafonderzoek verklaarde zijn klachten tegen beklaagde te willen intrekken, noch het feit dat V. zelf de gelden van zijn rekening haalde en aanwezig was bij de door beklaagde verrichte aankopen, noch het feit dat V. - zoals beklaagde voorhoudt - nog steeds bij haar op bezoek komt, noch het feit dat V. zich - om welke redenen ook - in deze procedure geen burgerlijke partij stelde, doet aan wat voorafgaat afbreuk.

(...)

Free keywords

  • Misdrijf

  • Valselijk voordoen als weduwe om lening te verkrijgen

  • Oplichting

  • Valse hoedanigheid