- Arrêt of March 8, 2011

08/03/2011 - 2010AR3198

Case law

Summary

Samenvatting 1

1) Deze beslissingen zijn geen bevel tot overlegging van stukken in de zin van art. 877 en 878 van het Gerechtelijk Wetboek, maar slaan op een beoordeling van de wettige redenen tot weigering van de bevolen overlegging van stukken in de zin van art. 882 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het wettig karakter van de door partijen aangevoerde redenen tot weigering was een betwist punt. De beroepen tussenvonnissen houden een eindbeslissing in over dit betwist punt. Deze beoordeling kan bovendien in beginsel een nadeel inhouden voor de betrokken partij(en), te meer omdat de afwijzing van de wettige reden tot weigering de mogelijkheid van schadevergoeding opent.

2) Het beroepen vonnis van 23/04/2010 bevat naast de eindbeslissing over de door partijen aangevoerde redenen tot weigering van de bevolen overlegging van stukken, ook nog een handhaving van dat bevel, wat als een beslissing alvorens recht te doen zou kunnen worden gezien.

²In die zin is het beroepen vonnis een gemengd tussenvonnis dat appellabel is met toepassing van art. 1050 van het Gerechtelijk Wetboek.


Arrêt - Integral text

Tussenarrest

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen:

In zake: 2010/AR/3198

WRECKORDS BVBA, met maatschappelijke zetel te 2018 ANTWERPEN, Rodestraat 29, KBO-nummer 0462.925.273,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. HANSSEN Christoph, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Brusselstraat 59

tegen de vonnissen gewezen op 23 april 2010 en 25 juni 2010 door de Rechtbank van koophandel te Antwerpen

tegen

DENNISS BVBA, met maatschappelijke zetel te 3600 GENK, Klein Hostartstraat 33, KBO-nummer 0463.454.122,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. DAENEN Veerle, advocaat te 3600 GENK, Weg naar As 69

***

1. Wat voorafgaat.

1.1. In een dagvaarding van 20/10/2008 om te verschijnen voor de rechtbank van koophandel te Antwerpen heeft de bvba Denniss ten aanzien van de gedaagde bvba Wreckords uiteengezet dat laatstgenoemde contractbreuk pleegde m.b.t. een samenwerkingsovereenkomst voor de uitbating van een optometrisch centrum te Hasselt. Zij hield voor dat de gedaagde bvba Wreckords minstens een precontractuele fout had begaan door de onderhandelingen onrechtmatig stop te zetten.

Eiseres bvba Denniss poneerde gerechtigd te zijn op schadeloosstelling ten laste van de gedaagde bvba Wreckords en zij vorderde de veroordeling van de bvba Wreckords tot de betaling van een provisionele schadevergoeding van euro 6 000,00, vermeerderd met vergoedende interesten en gerechtelijke interesten. Zij vroeg tevens een deskundigenonderzoek te bevelen naar de omvang van haar schade en naar de afrekening tussen partijen.

1.2. De gedaagde bvba Wreckords heeft de beweerde contractuele en/of precontractuele fouten betwist en heeft de afwijzing van de eisen van bvba Denniss gevorderd.

1.3. In een tussenvonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 15/01/2010 werd partijen met toepassing van art. 877 van het Gerechtelijk Wetboek bevolen hun onderlinge briefwisseling over te leggen, meer bepaald het ontwerp van samenwerkingsovereenkomst van 05/02/2008 en het antwoord van Wreckords daarop.

1.4. In het beroepen tussenvonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 23/04/2010 werd vastgesteld dat aan het bevel tot overlegging van stukken door partijen geen gevolg werd gegeven waarbij de onmogelijkheid om het bevel uit te voeren werd ingeroepen wegens het vertrouwelijk karakter van de bedoelde stukken als deel van de confidentiële briefwisseling tussen advocaten.

De rechtbank besliste:

"Nu uit het voorgaande blijkt dat partijen geen ‘wettige reden' in de zin van art. 882 Ger.W. hebben ingeroepen, moet het bevel conform art. 877 Ger.W. gegeven in het tussenvonnis van 15 januari 2010 gehandhaafd worden. Tegen dit bevel kan volgens art. 880 Ger.W. geen hoger beroep worden aangetekend, echter wel een voorziening in cassatie. Het bevel zou in dit geval geldig blijven zolang het niet vernietigd zou zijn geworden (...). Daarom worden partijen verzocht de betreffende stukken neer te leggen onder gesloten omslag die pas geopend zal worden indien tegen dit vonnis geen voorziening in cassatie is ingesteld, of in de hypothese dat dit Hof de voorziening tegen dit vonnis zou hebben verworpen. Partijen beschikken uiterlijk tot donderdag 20 mei 2010 om hieraan te voldoen. Zij zullen daarbij ook aangeven of zij bijkomend, ten gronde, standpunt wensen in te nemen over de inhoud van deze stukken, hetzij aan de Rechtbank aantonen dat zij tegen dit vonnis een voorziening in cassatie hebben ingesteld. Intussen wordt de zaak in voortzetting gezet op de zitting van 21 mei 2010 om 12u15. Partijen worden eveneens verzocht hun overtuigingsstukken, die hen na uitspraak van het tussenvonnis werden terugbezorgd, opnieuw neer te leggen".

1.5. In een brief van 18/05/2010 meldt de bvba Wreckords aan de rechtbank van koophandel niet tot neerlegging van de stukken in kwestie te kunnen overgaan: "daar wij deze niet in ons bezit hebben".

In een brief van 20/05/2010 laat de Stafhouder van de Orde van Advocaten te Antwerpen aan de rechtbank van koophandel weten dat hij de beide advocaten, raadslieden van de partijen in onderhavig geding, verboden heeft de vertrouwelijke briefwisseling neer te leggen.

1.6. Op 20/05/2010 is er door advocaat V. Daenen een gesloten omslag ter griffie van de rechtbank van koophandel neergelegd. Deze raadsman verklaarde ter zitting van 28/05/2010 de neerlegging van die gesloten omslag te willen intrekken.

1.7. In het beroepen tussenvonnis van de rechtbank van koophandel van 25/06/2010 werd geoordeeld:

- dat de brief van voormelde Stafhouder van 20/05/2010 niet kan gelden als een derdenverzet tegen het vonnis dat de overlegging van stukken beveelt,

- dat de reden tot weigering van de bevolen overlegging van stukken, die de bvba Wreckords in haar brief van 18/05/2010 heeft aangehaald, niet als wettige reden kan gelden,

- dat het verzoek tot intrekking van de neergelegde stukken (gesloten omslag), niet kon worden ingewilligd bij gebreke van een bijzondere volmacht aan de zijde van de raadsman van de bvba Denniss (art. 824, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek),

- dat de rechtbank gebonden blijft door haar bevel tot overlegging van stukken, en dat, nu die stukken, weliswaar onder gesloten omslag werden neergelegd, deze moeten betrokken worden bij de beoordeling van de grond van de zaak.

De rechtbank stelde vervolgens een conclusiekalender op, bepaalde de voorwaarden en het tijdspad voor de opening van de neergelegde gesloten omslag. De rechtsdag werd vastgesteld.

1.8. Op 06/07/2010 werd door de bvba Wreckords een akte van wraking neergelegd tegen de heren Blockx, De Greef en Sollie, zittinghoudende rechters in onderhavige zaak .

1.9. Het Hof heeft in zijn arrest van 27/09/2010 de wraking ongegrond verklaard.

1.10. De bvba Wreckords, hierna appellante genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 29/10/2010 tegen de voormelde tussenvonnissen van 23/04/2010 en van 25/06/2010.

De zaak werd, enkel wat de ontvankelijkheid van het hoger beroep betreft, behandeld ter terechtzitting van 01/02/2011.

2. De eisen in hoger beroep.

2.1. Appellante verzoekt haar hoger beroep ontvankelijk te verklaren.

2.2. De bvba Denniss, hierna geïntimeerde genoemd, concludeert tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep.

.

3. De beoordeling.

3.1. Geïntimeerde betwist de ontvankelijkheid van het hoger beroep van appellante. Zij steunt hierbij op art. 880, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek dat het vonnis, waarbij de overlegging van het origineel of van een afschrift van stukken beveelt (art. 877 en 878 van het Gerechtelijk Wetboek), niet vatbaar verklaard voor hoger beroep. Zij houdt voor dat de beide beroepen tussenvonnissen van 23/04/2010 en van 25/06/2010 het bevel tot overlegging van stukken handhaven en zelfs de modaliteiten ervan bepalen, zodat het vonnissen zijn in de zin van art. 877 van het Gerechtelijk Wetboek, die volgens art. 880, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek niet vatbaar zijn voor hoger beroep.

Appellante houdt voor dat de beroepen tussenvonnissen niet kunnen gezien worden als een bevel tot overlegging van stukken, minstens dat ze naast zo'n bevel ook eindbeslissingen inhouden over geschilpunten, meer in het bijzonder over de kwestie of de redenen die zij aanhaalt om niet tot de bevolen overlegging van stukken over te gaan, al dan niet wettig zijn.

3.2. Een vonnis dat met toepassing van art. 877 van het Gerechtelijk Wetboek de overlegging van stukken beveelt, betreft een voorafgaande maatregel om de ingediende eis(en) en/of het verweer van partijen te onderzoeken. Het geldt als een voorbereidende uitspraak die wordt gedaan alvorens over de grond van de zaak recht te doen (art. 19, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek).

Tegen ieder vonnis kan tot vrijwaring van de dubbele aanleg met toepassing van art. 616 van het Gerechtelijk Wetboek hoger beroep worden ingesteld behoudens de wettelijke uitzonderingen. Dit hoger beroep kan worden ingesteld van zodra het vonnis is uitgesproken, wat eveneens geldt voor de beslissingen alvorens recht te doen (art. 1050, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek).

Een wettelijke uitzondering op de beroepbaarheid van vonnissen alvorens recht te doen wordt gevonden in art. 880, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek, waarin het vonnis dat de overlegging van stukken beveelt, niet vatbaar voor hoger beroep wordt verklaard.

Deze regel, waarop geïntimeerde haar exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep laat steunen, bevat een uitzondering op de algemene regel van de beroepbaarheid van vonnissen alvorens recht te doen, en vereist een restrictieve benadering.

3.3. In het beroepen vonnis van 23/04/2010 heeft de eerste rechter zijn bevel tot overlegging van stukken gehandhaafd en in het beroepen vonnis van 25/06/2010 is hij er niet op teruggekomen.

Daarnaast heeft de eerste rechter zich ook uitgesproken over het gewettigd karakter van de weigering van partijen om zijn bevel tot overlegging van stukken uit te voeren. Zo werd in het vonnis van 23/04/2010 de reden van weigering m.b.t. het vertrouwelijk karakter van de bedoelde stukken als deel van de confidentiële briefwisseling tussen advocaten, niet wettig verklaard. De eerste rechter oordeelde in het vonnis van 25/06/2010 in dezelfde zin m.b.t. de bewering van de bvba Wreckords dat zij niet in het bezit was van de stukken waarvan de overlegging werd bevolen.

Over het gewettigd karakter van de aangevoerde redenen van weigering was immers betwisting gerezen en was een debat gehouden.

Deze beslissingen zijn geen bevel tot overlegging van stukken in de zin van art. 877 en 878 van het Gerechtelijk Wetboek, maar slaan op een beoordeling van de wettige redenen tot weigering van de bevolen overlegging van stukken in de zin van art. 882 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het wettig karakter van de door partijen aangevoerde redenen tot weigering was een betwist punt. De beroepen tussenvonnissen houden een eindbeslissing in over dit betwist punt. Deze beoordeling kan bovendien in beginsel een nadeel inhouden voor de betrokken partij(en), te meer omdat de afwijzing van de wettige reden tot weigering de mogelijkheid van schadevergoeding opent.

3.4. Het Hof oordeelt dat de beroepen vonnissen eindbeslissingen inhouden over de wettige redenen tot weigering van het bevel tot overlegging van stukken.

Het beroepen vonnis van 23/04/2010 bevat naast de eindbeslissing over de door partijen aangevoerde redenen tot weigering van de bevolen overlegging van stukken, ook nog een handhaving van dat bevel, wat als een beslissing alvorens recht te doen zou kunnen worden gezien. In die zin is het beroepen vonnis een gemengd tussenvonnis dat appellabel is met toepassing van art. 1050 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het beroepen vonnis van 25/06/2010 bevat naast de eindbeslissing over de door appellante aangevoerde reden tot weigering van de bevolen overlegging van stukken, ook nog een beslissing van inwendig orde door de conclusietermijnen te regelen en een rechtsdag te bepalen. Deze laatste, op zich zelf niet beroepbare beslissing, staat evenwel het hoger beroep tegen de eindbeslissing, die dit tussenvonnis inhoudt, niet in de weg.

Bovendien, en ten overvloede, slaat het verbod van hoger beroep, vermeld in art. 880, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek, enkel op het bevel tot overlegging van stukken en kan deze uitzondering op de appellabiliteit van vonnissen alvorens recht te doen niet uitgebreid worden tot de beslissingen over het wettig karakter van de weigering tot nakoming van dat bevel.

3.5. Het hoger beroep van appellante is ontvankelijk.

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak.

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk.

Vooraleer verder recht te spreken.

Regelt het verder tijdsverloop van de rechtspleging als volgt:

eerste conclusie:

- voor appellante : uiterlijk op 31.03.2011

- voor geïntimeerde : uiterlijk op 29.04.2011

tweede conclusie:

- voor appellante : uiterlijk op 30.06.2011

- voor geïntimeerde : uiterlijk op 02.11.2011.

Zegt dat partijen zich moeten gedragen overeenkomstig artikel 748 bis en 756 Ger.W. .

Pleitduur voor alle partijen samen: 90 minuten

Datum rechtsdag: 3 januari 2012 om 9.00 uur.

De uiterste datum waarop partijen hun dossiers ter griffie van dit Hof zullen neerleggen wordt bepaald op 20.12.2011.

Houdt de beslissing over de kosten van het geding aan.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terecht¬zitting van

8 maart 2011.

waar aanwezig waren:

F. PEETERS Voorzitter

M. VAN ROMPAY Raadsheer

D. DEMEESTER Raadsheer

M. GIJSEMANS Griffier

M. GIJSEMANS D. DEMEESTER

M. VAN ROMPAY F. PEETERS

Free keywords

  • gerechtelijk recht

  • overlegging van stukken art. 877-878 Ger.W.

  • weigering bevolen overlegging art. 882 Ger.W.

  • afwijzing wettige redenen

  • beroepbaarheid