- Arrêt of June 1, 2011

01/06/2011 - 2009AR3059

Case law

Summary

Samenvatting 1

1) Het geschilpunt is of het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan de beweerde verzwijging is, dan wel de kennisname van het verzwegen voorval.

Zonder aangevoerde opzettelijke verzwijging ontstaat er geen vorderingsrecht om vernietiging te vorderen. Het is het voorval van de verzwijging dat het vorderingsrecht doet ontstaan.

De wetgever heeft niet bedoeld dat de kennisname het voorval is.

2) Wanneer diegene aan wie de rechtsvordering toekomt, bewijst dat hij pas op een later tijdstip van het voorval kennis heeft gekregen, begint de verjaringstermijn te lopen vanaf dat tijdstip

3) Het criterium voor de beoordeling van de toepasselijke verjaringsregels is wel de oorzaak en het voorwerp van het vorderingsrecht dat wordt uitgeoefend.

Met betrekking tot de zin "maar de verjaringstermijn verstrijkt in elk geval vijf jaar na het voorval, behoudens bedrog" in art. 34 §1 lid 2 WLVO, bedoelt de wetgever dat de verjaringstermijn niet in elk geval binnen de vijf jaar na het voorval verstrijkt indien de oorzaak en het voorwerp van het vorderingsrecht steunt op bedrog.

De uitzondering op de uitzondering dat het vorderingsrecht in elk geval verjaart vijf jaar na het voorval is in geval het vorderingsrecht steunt op bedrog.


Arrêt - Integral text

Nummer:

Rep. nr.: 2011/

Zitting van:

1 juni 2011

EINDARREST

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, TWEEDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen:

In zake: 2009/AR/3059

NV DKV BELGIUM,

met maatschappelijke zetel gevestigd te 1000 Brussel,

Bischoffsheimlaan 1-8, en ingeschreven met KBO-nummer

0414.858.607

- appellante

- tegen het vonnis gewezen op 10 september 2009 door 5e kamer

van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren, aldaar gekend onder het rolnummer AR 08/869/A

- vertegenwoordigd door Meester Bracke S. loco Meester Van Leemputten Jan, advocaat te 2600 Berchem (Antwerpen), Marie-Josélaan 90

Tegen:

De heer KB,

praktijkleraar technische vakken,

geboren te ...,

Wonende te 3670 ...

- geïntimeerde

- vertegenwoordigd door Meester Miemans Marleen, advocaat te 3500 Hasselt, Detmoldlaan 3 (ref.: 080143)

1. Wat voorafgaat.

1.1. De nv DKV Belgium dagvaardde op 16/04/2008 KB om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren. Zij vorderde zijn veroordeling tot de terugbetaling van een som van euro 4.806,37, vermeerderd met moratoire rente vanaf 23/02/2006 en de proceskosten.

Zij hield voor dat zij met KB op basis van een verzekeringsvoorstel van 15/11/2000 een verzekeringsovereenkomst "Gewaarborgd inkomen, dagelijkse vergoedingen bij werkongeschiktheid en afhankelijkheidsverzekering" sloot (polisnr.218.746.04).

Zij liet gelden dat haar verzekerde op 19/02/2005 een aangifte deed van een schadegeval, meer bepaald een werkongeschiktheid vanaf 08/12/2004. Zij ging ingevolge deze aangifte over tot uitkering van de verzekeringswaarborg naar rato van 100% ongeschiktheid gedurende de periode van 08/12/2004 tot 06/02/2005.

DKV heeft voorgehouden dat zij na onderzoek bij de werkgever van KB, te weten de nv Festen Interieur, tot de vaststelling is gekomen dat de verzekerde reeds werkonbekwaam was geweest vanaf 07/11/2000 tot 19/01/2001. Zij voerde aan dat KB deze werkonbekwaamheid niet had medegedeeld bij de contractsluiting op 15/11/2000 alhoewel die reeds daarvóór een aanvang had genomen.

DKV verweet haar verzekerde een opzettelijke verzwijging. Volgens haar was de verzwegen informatie van die aard om invloed te hebben op de beoordeling van het verzekerde risico. Zij meende dat de polis van partijen met toepassing van art. 6 Wet op de landverzekerings-overeenkomst nietig was.

Zij vorderde haar uitkeringen terug.

1.2. KB wierp de verjaring van de vordering van DKV Belgium tegen. Hij besloot ook tot de ongegrondheid van de eis.

1.3. Het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 10/09/2009 heeft de oorspronkelijke eis van DKV Belgium onontvankelijk verklaard wegens verjaring.

De eerste rechter oordeelde dat te dezen art. 34 Wet op de landverzekeringsovereenkomst moet worden toegepast en leidde daaruit af dat bij de dagvaarding op 16/04/2008 meer dan 5 jaar verstreken waren sedert de aan de verzekerde aangewreven verzwijging, zodat deze de verjaring geldig kon tegenwerpen.

Het element dat zou kunnen doen besluiten tot het opheffen van het verval van recht door verjaring, te weten het bedrog van de verzekerde, werd, volgens de eerste rechter, niet bewezen.

1.5. De nv DKV Belgium, hierna appellante genoemd, stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 12/11/2009.

De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 11/05/2011.

2. De eisen in hoger beroep.

2.1. Appellante vordert dat haar oorspronkelijke eis toelaatbaar en gegrond zou worden verklaard door de verzekeringsovereenkomst van partijen nietig te verklaren en door geïntimeerde te veroordelen tot de terugbetaling aan haar van de som van euro 4.8906,37, vermeerderd met de moratoire rente vanaf 23/02/2006, de gerechtelijke interesten en de proceskosten van beide aanleggen.

2.2. KB, hierna geïntimeerde genoemd, concludeert tot de afwijzing van het hoger beroep van appellante als onontvankelijk, minstens als ongegrond.

Hij besluit tot de bevestiging van het bestreden vonnis en tot de verwijzing van appellante in de proceskosten in hoger beroep.

3. De beoordeling.

3.1. Over de exceptie van ontoelaatbaarheid van het hoger beroep.

Het hof bemerkt in het overwegende gedeelte van de conclusies voor geïntimeerde geen middelen die de toelaatbaarheid van het rechtsmiddel van hoger beroep betreffen.

Geïntimeerde motiveert de ontoelaatbaarheid van het hoger beroep met het middel van de verjaring. Het middel van de verjaring betreft niet de toelaatbaarheid van het hoger beroep. Het middel van de verjaring betreft enkel de vraag of appellante al dan niet voor het verstrijken van de verjaringstermijn van het uitgeoefende vorderingsrecht van dit vorderingsrecht heeft gebruik gemaakt.

De exceptie van ontoelaatbaarheid van het hoger beroep is ongegrond.

3.2. Over de exceptie van verjaring.

3.2.1. Het vorderingsrecht dat in de inleidende dagvaarding wordt uitgeoefend betreft volgens de bewoordingen ervan een vorderingsrecht tot nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst ingevolge kennisname van een opzettelijke verzwijging op 22 juni 2005. Het is de verjaringstermijn van dat specifieke vorderingsrecht die beoordeeld dient te worden.

3.2.2. De eerste rechter heeft beslist dat het vorderingsrecht van appellante tegen geïntimeerde verjaard was op 16 april 2008, datum van uitoefening van dat vorderingsrecht.

De eerste rechter overwoog dat artikel 34 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst een verjaringstermijn van drie jaar voorziet vanaf de dag van het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan.

De eerste rechter overwoog dat het vorderingsrecht in elk geval verjaart vijf jaar na het voorval, behoudens bedrog.

Het voorval dat het vorderingsrecht deed ontstaan deed zich volgens de eerste rechter voor op 15 november 2000, toen geïntimeerde

de medische vragenlijst gevoegd bij het verzekeringsvoorstel ondertekende.

De eerste rechter overweegt dat meer dan vijf jaren verstreken zijn sedert de verzwijging op 15 november 2000 op basis waarvan de nietigheid van de overeenkomst wordt gevorderd.

De eerste rechter oordeelt dat geen bedrog bewezen is.

Bij toepassing van artikel 34 §1 lid 2 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst oordeelt de eerste rechter dat het vorderingsrecht van appellante verjaard was op 16 april 2008, tijdstip waarop het vorderingsrecht werd uitgeoefend door appellante.

3.2.3. Als eerste grief voert appellante aan dat de eerste rechter zich heeft vergist met betrekking tot het vertrekpunt van de verjaring,

te weten het voorval dat het vorderingsrecht heeft doen ontstaan.

De eerste rechter heeft volgens appellante dit voorval gesitueerd op 15 november 2000, terwijl appellante dit voorval situeert op 22 juni 2005, zijnde het tijdstip waarop zij kennis kreeg van het gegeven dat geïntimeerde opzettelijk onjuiste mededeling heeft gedaan van gegevens over het risico, waardoor de verzekeraar misleid is bij de beoordeling van het risico.

In die redenering van appellante is het vertrekpunt van de driejarige verjaringstermijn 22 juni 2005 en heeft zij binnen de verjaringstermijn van drie jaren, te weten op 16 april 2008, van haar vorderingsrecht gebruik gemaakt.

3.2.4. Geïntimeerde volgt de redenering van de eerste rechter over het vertrekpunt van de verjaringstermijn, te weten dat het aangevoerde voorval een voorval is van 15 november 2000 en dat, ook al heeft appellante van dat voorval maar kennis gekregen op 22 juni 2005, de begrenzing geldt dat de verjaringstermijn in elk geval verstrijkt vijf jaar na het voorval, behoudens bedrog.

3.2.5. Het hof beslecht het geschilpunt over de vraag wat het "voorval" is dat het vorderingsrecht doet ontstaan als volgt;

3.2.5.1. Het geschilpunt is of het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan de beweerde verzwijging is, die zich situeert op 15 november 2000 dan wel de kennisname van het voorval.

Het hof oordeelt dat het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan de aangevoerde verzwijging is. Zonder aangevoerde opzettelijke verzwijging ontstaat er geen vorderingsrecht om vernietiging te vorderen. Het is het voorval van de verzwijging dat het vorderingsrecht doet ontstaan.

3.2.5.3. Appellante verliest het onderscheid uit het oog tussen enerzijds het voorval en anderzijds de kennisname van het voorval, waarover de tweede zin van artikel 34 §1 lid 2 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst gaat.

Het voorval in de eerste zin van artikel 34§1 lid 2 is te onderscheiden van de kennisname van het voorval, waarover artikel 34 §1 lid 2 tweede zin het heeft.

De eiser die niet op de hoogte is van het voorval wordt ingevolge artikel 34 §1 lid 2 in beperkte mate beschermd op het gebied van de verjaring.

De wetgever heeft niet bedoeld dat de kennisname het voorval is.

De wetgever heeft wel bedoeld dat de eiser die bewijst dat hij pas op een later tijdstip van het voorval kennis krijgt beschermd wordt in die zin dat als uitzondering op artikel 34 §1 lid 2 eerste zin van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst niet het voorval zelf het vertrekpunt is van de verjaring, maar wel de kennisname van het voorval.

Deze bepaling heeft niet als rechtsgevolg dat het voorval de kennisname wordt.

3.2.6. Een volgend geschilpunt is het vertrekpunt van de verjaring.

3.2.6.1. In beginsel volgens artikel 34 §1 lid 2 eerste zin is het vertrekpunt van de verjaring het "voorval", dus in casu de aangevoerde verzwijging van 15 november 2000.

3.2.6.2. Er is daarop echter een uitzondering.

Immers wanneer diegene aan wie de rechtsvordering toekomt, bewijst dat hij pas op een later tijdstip van het voorval kennis heeft gekregen, begint de termijn te lopen vanaf dat tijdstip.

Degene aan wie de rechtsvordering toekomt is in casu appellante.

Dan dient de vraag te worden beslecht of appellante al dan niet bewijst dat zij op een later tijdstip kennis kreeg van het voorval.

Het in de dagvaarding aangevoerde voorval is de opzettelijke verzwijging van het gegeven dat geïntimeerde werkonbekwaam was

op het ogenblik dat hij het verzekeringsvoorstel invulde en dat hij daarvan opzettelijk geen melding heeft gemaakt om appellante te misleiden over het te beoordelen risico.

Het hof oordeelt dat appellante met vermoedens bewijst dat zij pas op 22 juni 2005 kennis kreeg van de verzwijging. Er is immers

niet betwist dat appellante van 5 juni 2001 tot en met de 29 april 2005 verzekeringsprestaties uitkeerde op grond van de verzekerings-overeenkomst.

Het zou nogal bizar zijn dat zij dergelijke prestaties uitvoerde, terwijl zij op de hoogte zou zijn van het aangevoerde voorval van opzettelijke verzwijging.

Appellante bewijst dat zij naar aanleiding van de aangifte van een werkongeschiktheid van geïntimeerde, ingegaan op 8 december 2004, inlichtingen heeft ingewonnen en het door haar aangevoerde opzettelijk verzwegen feit op 22 juni 2005 van de werkgever van geïntimeerde heeft vernomen.

Het geschilpunt wordt beslecht in die zin dat het vertrekpunt van de verjaring 22 juni 2005 is.

3.2.7. Een volgend geschilpunt betreft de laatste bijzin van artikel 34 §1 lid 2 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

3.2.7.1. Deze bijzin luidt "maar hij verstrijkt in elk geval vijf jaar na het voorval, behoudens bedrog".

3.2.7.2. Geïntimeerde voert deze bijzin aan in de redenering dat het voorval dateert van 15 november 2000 en dat de verjaringstermijn dus in elk geval verstreken is op 15 november 2005 en dat de uitzondering daarop te weten bedrog niet van toepassing is, omdat bedrog niet bewezen is. Zij voert aan dat er voor 15 november 2005 geen stuiting is geweest door dagvaarding, zodat het vorderingsrecht op 15 november 2005 verjaard is.

3.2.7.3. Appellante voert een andere redenering in die zin dat bedrog wel van toepassing is, nu de aangevoerde rechtsgrond van de vordering precies bedrog is. Opzettelijk verzwijgen om te misleiden, wat zij als rechtsgrond van haar vorderingsrecht aanvoerde, is volgens haar bedrog.

3.2.7.4. Het hof oordeelt dat het middel van geïntimeerde dat bedrog niet bewezen is bij de beoordeling van de exceptie van verjaring niet relevant is. Dit is wel relevant bij de beoordeling van de grond van de zaak. De exceptie of het verweermiddel van bevrijdende verjaring

is immers geen verweer aangaande de zaak zelf. Het gaat er om dat de verweerder op het standpunt staat dat de grond van de zaak niet meer kan en mag onderzocht worden omdat eiser de verjaringstermijn heeft laten voorbijgaan zonder van zijn vorderingsrecht gebruik te maken.

Dus zelfs als de verweerder ten gronde ongelijk zou hebben kan daarover omwille van de verjaring, in geval van verjaring, niet meer beslist worden.

Het hof maakt deze overwegingen enkel om duidelijk te maken dat wanneer de wetgever verjaringsregelingen invoert, de wetgever niet de bedoeling heeft dat de rechter de grond van de zaak moet onderzoeken. Het rechtsgevolg is dat het, althans voor de beoordeling van de exceptie van verjaring, niet relevant is of bedrog al dan niet bewezen is.

Het gaat bij verjaring immers om verjaring van het vorderingsrecht en niet om het materieel recht zelf. Immers de verjaring betreft de opeisbaarheid van een schuld en niet het bestaan van de schuld zelf.

3.2.7.5. Het criterium voor de beoordeling van de toepasselijke verjaringsregels is wel de oorzaak en het voorwerp van het vorderingsrecht dat wordt uitgeoefend.

Met betrekking tot de zin "maar de verjaringstermijn verstrijkt in elk geval vijf jaar na het voorval, behoudens bedrog", bedoelt de wetgever dat de verjaringstermijn niet in elk geval binnen de vijf jaar na het voorval verstrijkt indien de oorzaak en het voorwerp van het vorderingsrecht steunt op bedrog.

De uitzondering op de uitzondering dat het vorderingsrecht in elk geval verjaart vijf jaar na het voorval is in geval het vorderingsrecht steunt op bedrog.

De vraag is dan of het vorderingsrecht van appellante al dan niet steunt op bedrog en dit los van de vraag of dat bedrog, dat de grond van de zaak betreft, al dan niet bewezen is.

Het hof oordeelt dat het vorderingsrecht van appellante steunt op bedrog. Opzettelijk verzwijgen om te misleiden is bedriegen.

Wat in de inleidende dagvaarding wordt aangevoerd is opzettelijk verzwijgen om te misleiden. Dit is bedrog.

3.2.8. De eindconclusie van de redenering van het hof inzake de exceptie van verjaring is dat het vertrekpunt van de verjaring 22 juni 2005 is. De verjaringstermijn is drie jaar vanaf 22 juni 2005.

Zonder stuiting of schorsing zou de verjaringstermijn verstrijken op 22 juni 2008. De dagvaarding is uitgebracht op 16 april 2008. De verjaringstermijn was op 16 april 2008 niet verstreken.

De maximale termijn van vijf jaar na het voorval is niet van toepassing omdat de uitzondering daarop - te weten bedrog - van toepassing is. De uitzondering bedrog is van toepassing omdat de oorzaak van de vordering bedrog is.

3.3. Over het geschilpunt ten gronde of appellante het vervuld zijn van de toepassingsvoorwaarden voor nietigheid van de verzekerings-overeenkomst al dan niet bewijst.

3.3.1. Het verzekeringsvoorstel, dat ondertekend werd door geïntimeerde, bevat een rubriek 5. "Nadere gegevens over omtrent de gegeven antwoorden".

Geïntimeerde heeft op vraag 2 van de medische vragenlijst bevestigend geantwoord op de vraag of hij ziekten, ongevallen of behandelingen heeft gehad gedurende de laatste 5 jaar.

Geïntimeerde heeft onder de nadere gegevens vermeld;

"operatie linker knie miniscus gedeeltelijk, 2 nachten in hospitaal, oktober 1998, kijkoperatie".

Appellante verwijt geïntimeerde onder de "nadere gegevens omtrent de gegeven antwoorden" niet te hebben vermeld, te hebben verzwegen, dat hij op het ogenblik van ondertekening van het verzekeringsvoorstel werkonbekwaam was en een corset droeg naar aanleiding van een voetbalincident hem overkomen op 7 november 2000.

Dit gegeven is volgens appellante een opzettelijke verzwijging om de verzekeraar te misleiden over het risico en dit in concreto door de verzwijging van de werkonbekwaamheid naar aanleiding van het voetbalincident van 7 november 2000. Volgens geïntimeerde is dit geen geval van opzettelijke verzwijging om te misleiden.

3.3.2. Het gegeven dat geïntimeerde op 15 november 2000, tijdstip waarop hij het verzekeringsvoorstel ondertekende werkonbekwaam was naar aanleiding van een voetbalincident van 7 november 2000, is niet betwist.

Het door geïntimeerde aangevoerde gegeven dat de letsels van dit voetbalincident enkel konden herstellen en zouden herstellen door rust is door appelante niet tegengesproken en is niet betwist. Geïntimeerde heeft in het verzekeringsvoorstel opgegeven dat hij als amateursport aan voetbal doet.

3.3.3. Het hof beslecht dit geschilpunt als volgt;

Het hof oordeelt dat geïntimeerde dit voetbalincident redelijkerwijs niet moest beschouwen als een gegeven dat verder van invloed zou kunnen zijn op de beoordeling van het risico door de verzekeraar in de omstandigheid dat hij in het verzekeringsvoorstel heeft meegedeeld dat hij aan amateurvoetbal deed. De realisatie van dit concreet letsel uit een voetbalincident van 7 november 2000, welk zich herstelt door rust, moest door geïntimeerde niet specifiek vermeld worden, nu geïntimeerde in het verzekeringsvoorstel aan de verzekeraar het gegeven heeft meegedeeld dat hij aan amateurvoetbal doet. Geïntimeerde heeft bevestigend geantwoord op de vraag naar ziektes op ongevallen gedurende de laatste 5 jaar.

Ten overvloede oordeelt het hof dat appellante in dit geval niet slaagt in het bewijs van een opzettelijke verzwijging die de verzekeraar misleidt bij de beoordeling van het risico. De verzekeraar weet middels de mededelingen gedaan in het verzekeringsvoorstel dat geïntimeerde aan amateurvoetbal doet. Over de risico's verbonden aan het gegeven dat geïntimeerde aan amateurvoetbal doet, is de verzekeraar dus geenszins misleid.

3.3.4. Appellante verwijt geïntimeerde ontkennend in plaats van bevestigend te hebben geantwoord op de vraag in de medische vragenlijst bij het verzekeringsvoorstel:

" bent u momenteel in behandeling d.m.v. een medicatie voor een ongeval of ziekte?".

Geïntimeerde voert aan dat hij daar correct ontkennend heeft op geantwoord omdat het voetbalincident van 7 november 2000 geen aanleiding heeft gegeven tot het nemen van medicatie.

3.3.5. Het hof beslecht dit geschilpunt als volgt;

Het is niet betwist dat het voetbalincident van 7 november 2000 geen aanleiding heeft gegeven tot het nemen van medicatie op het ogenblik van de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst.

Het hof oordeelt dat vermits er geen behandeling was door middel van medicatie, het verwijt van appellante aan geïntimeerde om ontkennend op deze vraag te hebben geantwoord ongegrond is.

3.3.6. Appellante verwijt geïntimeerde ontkennend in plaats van bevestigend te hebben geantwoord op de vraag in de medische vragenlijst bij het verzekeringsvoorstel:

"heeft u hulp nodig van een derde in het dagelijks leven (bv bij het aan- en uitkleden, toilet maken, voedsel innemen of klaarmaken, verplaatsingen, onderhoud van de woning)?"; "Indien ja, waarom?"

Geïntimeerde voert aan correct ontkennend op deze vraag te hebben geantwoord.

3.3.7. Het hof beslecht dit geschilpunt als volgt;

Appellante toont niet aan dat geïntimeerde bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst hulp nodig had van derden in het dagelijkse leven. Appellante droeg een corset ingevolge het voetbalincident. Dit bracht niet met zich mee dat hij hulp van derden nodig had in het dagelijkse leven. Dit is minstens niet aangetoond.

3.3.8. Het hof komt tot de conclusie dat appellante niet slaagt in het bewijs dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 6 van de wet van

25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, waarop zij zich beroept, vervuld zijn.

Appellante slaagt niet in het bewijs van een opzettelijk verzwijgen of opzettelijk onjuist meedelen van gegevens over het risico die de verzekeraar misleiden bij de beoordeling van dat risico.

Dit onderdeel van het hoger beroep van appellante is ongegrond.

Ten aanzien van de verwijzing in de gedingkosten.

Het hof verwijst appellante in de gedingkosten van beide aanleggen, nu appellante de ten gronde in het ongelijk gestelde partij is.

Ten aanzien van de vereffening van de gedingkosten.

Het hof stelt vast dat de vordering van appellante verschillende punten bevat als bedoeld in artikel 558 Gerechtelijk Wetboek.

Een van de punten is de nietigverklaring van de verzekerings-overeenkomst. De nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst is een niet in geld waardeerbaar punt van de vordering.

Bij een niet in geld waardeerbare vordering, zoals de vordering tot vernietiging van een overeenkomst, geniet de in het gelijk gestelde partij een rechtsplegingsvergoeding aan een basisbedrag van euro 1200,00.

Een ander punt van de vordering is de veroordeling tot betaling van euro 4.806,37 te vermeerderen met intresten van 23 februari 2006 tot,

voor wat overeenkomstig artikel 557 Gerechtelijk Wetboek de waarde van de vordering betreft, het tijdstip van dagvaarding, hetzij 16 april 2008. Bij deze in geld waardeerbare vordering geniet de in het gelijk gestelde partij een rechtsplegingsvergoeding aan een basisbedrag van euro 900,00.

Het hof oordeelt dat geïntimeerde het hoogste van de twee bedragen van de rechtsplegingsvergoeding geniet, hetzij een basisbedrag van

euro 1200,00 in eerste aanleg en een geïndexeerd basisbedrag van euro 1320,00 in hoger beroep.

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak.

Gelet op art. 24 van de Wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep van DKV Belgium toelaatbaar en gedeeltelijk gegrond.

Het beroepen vonnis wijzigend;

Verklaart de eis van NV DKV Belgium tegen KB toelaatbaar, doch ongegrond.

Verwijst NV DKV Belgium in de gedingkosten van beide aanleggen aan de zijde van KB.

Vereffent de gedingkosten van beide aanleggen aan de zijde van KB op:

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: euro 1.200,00

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: euro 1.320,00

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terecht¬zitting van 1 juni 2011.

waar aanwezig waren:

F. PEETERS Voorzitter

K. VAN HAELST Raadsheer

R. HOBIN Raadsheer

R. VAN GOETHEM Griffier

R. VAN GOETHEM R. HOBIN

K. VAN HAELST F. PEETERS

Free keywords

  • Landverzekering

  • opzettelijke verzwijging

  • vorderingsrecht verzekeraar

  • verjaring

  • aanvang verjaringstermijn

  • art. 34§1 lid 2 eerste lid WLVO

  • begrip 'voorval'