- Arrêt of December 6, 2011

06/12/2011 - 2010/BV/172

Case law

Summary

Samenvatting 1

Krachtens artikel 136 § 2 zesde lid van de bij KB van 14 juli 1994 gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen verwittigt degene die schadeloosstelling verschuldigd is, de verzekeringsinstelling van zijn voornemen om de rechthebbende schadeloos te stellen en maakt hij aan de verzekeringsinstelling, indien deze geen partij is, een kopij over van de tot stand gekomen akkoorden of gerechtelijke beslissingen. Alhoewel de wet geen bijzondere formaliteiten heeft verbonden aan de wijze waarop de informatie dient verschaft, blijkt evenwel dat die informatie op duidelijke en ondubbelzinnige wijze dient verschaft zodat daaromtrent tussen alle betrokken partijen niet de minste twijfel kan bestaan.


Arrêt - Integral text

Het Hof van Beroep, zitting houdende op 6 december 2011

te Antwerpen, 15e kamer

(...)

2.

De vordering van de burgerlijke partij steunt op het subrogatierecht zoals omschreven in artikel 136 § 2 van de bij Koninklijke besluit van 14 juli 1994 gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, hierna Ziektewet genoemd; deze wettelijke indeplaatsstelling (van de rechthebbende) wijkt af van de gemeenrechtelijke subrogatieregeling en geldt voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in het eerste lid van dat artikel bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden; niet weerlegd wordt dat de gedane betalingen zoals thans nog gevorderd, een vergoeding van zodanige schade uitmaken; de indeplaatsstelling van de rechthebbende ontstaat op het ogenblik van de betaling (het subrogatiemoment).

3.

Krachtens het zesde lid van voormeld artikel verwittigt degene die schadeloosstelling verschuldigd is, de verzekeringsinstelling (te dezen de burgerlijke partij) van zijn voornemen om de rechthebbende schadeloos te stellen en maakt hij aan de verzekeringsinstelling, indien deze geen partij is, een kopij over van de tot stand gekomen akkoorden of gerechtelijke beslissingen.

De beklaagde L. S. (en haar verzekeraar) weerleggen niet dat zij de burgerlijke partij destijds niet hebben ingelicht omtrent het voornemen om D. J. schadeloos te stellen; uit alle voorliggende stukken blijkt dat zij reeds in het jaar 2000 onderling hebben onderhandeld en zij stellen zelf dat een transactie met het slachtoffer werd afgesloten, zonder datum weliswaar, doch waarvan de datum te situeren is op 26 juni 2000 (...); evenmin wordt weerlegd dat die transactie in die periode niet in kopij werd overgemaakt aan de burgerlijke partij.

4.

Volgens de burgerlijke partij heeft zij van die transactie slechts kennis gekregen per 22 juni 2004 - reden waarom zij haar vordering met betrekking tot de uitgavenstaten tot die datum beperkt - en zij heeft die datum ook aangehouden in haar geschil met D. J. zelf zoals gevoerd voor de arbeidsrechtbank te Luik; de burgerlijke partij had aan D. J. bij brief gemeld dat zij vanaf 22 juni 2004 haar tussenkomsten zou stopzetten om reden dat zij op die datum kennis had gekregen van de tussengekomen transactie; (de voorlopige bewindvoerder van) D. J. betwistte kennis te hebben van zodanige transactie doch werd afgewezen nu het arbeidauditoraat na onderzoek die transactie voorlegde, ondertekend door D. J. en zijn raadsman.

5.

Beklaagde (en haar verzekeraar) doen gelden dat zij evenwel reeds bij brief van 20 oktober 2003 hebben voldaan aan hun wettelijke informatieplicht zoals voormeld omschreven.

Deze brief is, gelet op de datum van de transactie in juni 2000 en gegeven zijnde dat er nooit voorheen werd verwittigd omtrent het voornemen om de rechthebbende schadeloos te stellen, duidelijk te laat en deze vaststelling brengt mee dat alle door de burgerlijke partij gedane uitkeringen tot 20 oktober 2003 hoe dan ook aan deze partij dienen terugbetaald gelet op de wettelijke subrogatie die ten volle uitwerking had.

6.

Die brief van 20 oktober 2003 gaat uit van de raadsman van L. S. en is gericht aan de raadsman van de burgerlijke partij; in besluiten wordt nog gesuggereerd dat het om een vertrouwelijke brief tussen advocaten zou handelen doch partijen brengen hem voor zodat het hof daarvan kennis kan nemen.

Deze brief luidt als volgt:

"Waarde confrater,

Wij zijn zo vrij terug te komen op in rand vermeld dossier nadat wij zekere tijd zonder instructies waren van onze opdrachtgeefster.

Op basis van het deskundig verslag moet het toch mogelijk zijn van ... (de burgerlijke partij) haar definitieve schade-eisen te bezorgen.

Wij menen dat de voorlopige staten werden meegedeeld tot eind 2000.

Het definitief verslag dateert evenwel reeds van 25.02.1997.

Voor de goede orde bezorgen wij U in bijlage de afrekening namens slachtoffer D. J. op basis waarvan de schade door onze opdrachtgeefster werd vergoed.

In afwachting uwer schade-aanspraken tekenen wij ..."

Aan die brief wordt blijkbaar een document gehecht, omvattende vier bladzijden en volgens titel inhoudende "afrekening" en blijkbaar opgesteld door advocaat R. namens het slachtoffer.

In antwoord op die brief van 20 oktober 2003 heeft de raadsman van de burgerlijke partij, bij brief van 13 november 2003, een afrekening gestuurd van nog openstaande uitgavenstaten tot en met een staat 16 voor de periode vanaf 4/6/2002; blijkbaar zijn deze uitgaven ook nadien terugbetaald.

Nadien heeft de raadsman van de burgerlijke partij bij brief van 25 mei 2005 - waarin ook verwezen wordt naar een voorgaande brief van 11 april 2005 die evenwel niet voorligt - en nadien bij brief van 28 juni 2005 aan de raadsman van de beklaagde gerappelleerd naar verdere regeling en verwezen naar de wettelijke informatieplicht.

Blijkbaar zijn partijen alsdan onderling met elkaar in debat omtrent de gevraagde verdere minnelijke terugbetaling van de staten nummers 19 en 20, want op 23 augustus 2005 reageert de raadsman van de beklaagde en stelt alsdan duidelijk dat er wel een door het slachtoffer getekende kwijting bestaande is en dat de verzekeringsinstelling aan de hand van de vroegere brief van 20 oktober 2003 had kunnen vaststellen dat er een integrale regeling was tussengekomen met de benadeelde zodat die brief als voldoende dient aangezien wat betreft de informatieplicht.

Finaal schrijft de raadsman van de beklaagde (en diens verzekeraar) dat er in totaal 156.754,56 EUR werd vergoed middels een kwijting die dateert van 18 augustus 2004 (...); die finale kwijting dateert dus van quasi vier jaren later dan de transactie en qua cijfer komt dat niet overeen met hetgeen in de afrekening, gehecht aan de brief van 20 oktober 2003, vermeld staat.

7.

Alhoewel de wet geen bijzondere formaliteiten heeft verbonden aan de wijze waarop die informatie dient verschaft, blijkt evenwel dat die informatie op duidelijke en ondubbelzinnige wijze dient verschaft zodat daaromtrent tussen alle betrokken partijen niet de minste twijfel kan bestaan; de ernst daarvan wordt onderlijnd door het gegeven dat de wetgever voorheen in het artikel 170 van de Ziektewet, welk artikel slechts bij artikel 109 van de wet van 6 juni 2010 werd opgeheven, strafsancties voorzag tegen diegene die schadeloosstelling verschuldigd is en nalaat de verzekeringsinstelling in te lichten overeenkomstig de bepalingen van artikel 136 §2 zesde lid.

Uit de inhoud van de brief van 20 oktober 2003 en gelet op de verder gevoerde briefwisseling en nog uitgevoerde betalingen en de feitelijke omstandigheden zoals hiervoor beschreven sub 6. blijkt dat de beklaagde (en diens verzekeraar) door middel van die brief niet de intentie hadden om daarmee te voldoen aan de wettelijke informatieplicht noch dat de verzekeringsinstelling dergelijke mededeling daaruit met voldoende duidelijkheid kon of had moeten kunnen begrijpen.

Het komt het hof eerder voor dat de beklaagde (en diens verzekeraar) pas nadat zij later op die wettelijke mededelingsplicht werden gewezen, in de voorgaande briefwisseling op zoek zijn gegaan naar een tekst of tekstfragment dat zij alsdan zouden kunnen doen gelden als zodanig.

Het hof aanziet het verzenden van die brief van 20 oktober 2003 dan ook niet van aard dat daarmee kan geacht worden dat aan de informatieplicht zoals omschreven in artikel 136 § 2 van de Ziektewet is voldaan; alle overige feitelijke beweringen van de beklaagde (en diens verzekeraar) zijn niet van aard anders te moeten oordelen.

8.

Nu de beklaagde (en diens verzekeraar) geen andere datum aanvoeren dan de niet aan te nemen datum van 20 oktober 2003, neemt het hof aan dat aan die meldingsplicht door de beklaagde (en de verzekeraar) werd voldaan op 22 juni 2004 zoals ook aangenomen door de verzekeringsinstelling zelf; vanaf deze datum gelden derhalve de klassieke principes van de indeplaatsstelling en kan de beklaagde (en diens verzekeraar) de betaling die geschiedde aan de benadeelde, tegen stellen aan de verzekeringsinstelling.

Voor de door deze verzekeringsinstelling gedane uitkeringen tot 22 juni 2004 - en waarvan de aard niet betwist is, zie 2. - is zij evenwel door het uitbetalen zelf wettelijk gesubrogeerd en beklaagde is dan ook tot de terugbetaling ervan gehouden, ongeacht de door de beklaagde (en diens verzekeraar) voordien gedane betalingen aan het slachtoffer.

(...)

Free keywords

  • Strafrecht

  • burgerlijke vordering

  • subrogatie

  • artikel 136 bij KB van 14 juli 1994 gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen

  • informatieplicht

  • duidelijk en ondubbelzinnig