- Arrêt of February 24, 2011

24/02/2011 - 2007/AR/2762

Case law

Summary

Samenvatting 1

de gewestelijk directeur heeft de taxatie verantwoord door het bedrag van de waardevermindering te kwalificeren als een abnormaal of goedgunstig voordeel dat bij toepassing van art. 26 W.I.B. 1992 als verworpen uitgave bij de belastbare winst van appellante wordt gevoegd en is daardoor teruggekomen op de door de taxatieambtenaar weerhouden kwalificatie van opname van reserves, zonder dat daaromtrent door appellante enige grief in die zin werd geformuleerd in het bezwaarschrift - beslissing gaat veel verder dan het geven van een eigen interpretatie aan de feiten - de gewestelijke directeur heeft de taken van de taxatieambtenaar overgenomen en heeft hij een ontoereikend bevonden bewijsvoering aangevuld met nieuwe elementen


Arrêt - Integral text

HOF van BEROEP te BRUSSEL

Zesde fiscale kamer

Nr. van de zaak : 2007/AR/2762

Openbare terechtzitting van

IN ZAKE VAN :

De COM. V. A. DE BRON, commanditaire vennootschap naar Belgisch recht, met maatschappelijke zetel te 1780 Wemmel, Bosch 127, ingeschreven in het handelsregister van Brussel onder nummer 553313,

appellante,

vertegenwoordigd door Meester Jan Souvereyns, advocaat te 1090 Brussel, Burgemeester E. Demunterlaan 5,

TEGEN :

DE BELGISCHE STAAT, F.O.D. Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Centrale Diensten - Geschillen, met burelen te 1030 Brussel, Koning Albert II-laan 33, bus 25, Galaxytoren A,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester Herreman, loco Meester Philippe Declercq, advocaat te 1050 Brussel, Louizalaan 89,

*****

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

R. EINDARREST - gegrond

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder :

- het afschrift van het vonnis van de zesendertigste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op tegenspraak gewezen op 29 juni 2007 (A.R. nr. 2002/9028/A), vonnis waarvan geen betekeningakte voorligt;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 15 oktober 2007.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.

Het vonnis verklaarde de vordering van appellante ontvankelijk, doch ongegrond.

Deze vordering strekte ertoe de beslissing van de gewestelijke directeur der directe belastingen van 23 mei 2002 nietig te horen verklaren, evenals de aanslag gekend onder artikel nummer 813200221 (aanslagjaar 1999), en geïntimeerde te horen veroordelen tot terugbetaling van alle sommen die op grond van deze aanslag werden geïnd of ingehouden, meer moratoriuminteresten in toepassing van art. 418 W.I.B. 1992.

I. De feiten

Appellante had een vordering van 1.600.000 BEF op de rekening-courant verhouding op de SA Immobilière Sambrevilloise afgeboekt als waardevermindering voor waarschijnlijke verliezen, en fiscaal in mindering gebracht in haar aangifte in de vennootschapsbelasting (Venn. B.) met betrekking tot het aanslagjaar 1999.

Bij overeenkomst van 14 juli 1996 tussen appellante en de heer X werd overeengekomen dat laatstgenoemde 64 van de 126 aandelen in zijn bezit van de SA Immobilière Sambrevilloise verkocht aan appellante. In dezelfde overeenkomst werd erop gewezen dat de heer X appellante kennis had gegeven van de op dat ogenblik bestaande rekening-courant in de SA Immobilière Sambrevilloise op zijn naam.

Bij overeenkomst van 27 november 1998 tussen appellante en de heer X werd overeengekomen dat appellante "op heden" aan de heer X een bedrag van 1.600.000 BEF betaalde ter voldoening van de integraliteit van zijn vordering in rekening-courant op de SA Immobilière Sambrevilloise.

Het is deze vordering die werd afgeboekt.

De belastingadministratie was van oordeel dat de geboekte waardeverminderingen voor waarschijnlijke verliezen enkel vrijstelbaar zijn op grond van de artikelen 48 W.I.B. 1992 en 22 K.B./W.I.B. 1992 indien het gaat om handelsvorderingen, en voegde onder meer dit bedrag toe aan de belastbare basis.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen de in die zin gevestigde aanslag vroeg de gewestelijke directeur bijkomende informatie op bij appellante en bij derden. De gewestelijke directeur besliste op 23 mei 2002 dat de betaling van het bedrag aan de heer X eigenlijk een abnormaal of goedgunstig voordeel uitmaakte en wees het bezwaar op dit punt af.

Op 21 augustus 2002 legde appellante een tegensprekelijk verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Bij het bestreden vonnis van 29 juni 2007 wees de rechtbank te Brussel de vordering van appellante af.

II. Discussie

a) Wat de beweerde verboden substitutie van motieven betreft

Appellante verwijst naar art. 375 W.I.B. 1992, volgens hetwelk de directeur enkel gemachtigd is uitspraak te doen over de grieven die appellante in haar bezwaarschrift heeft ingeroepen. Appellante is van oordeel dat in deze de beslissing van de gewestelijke directeur gebaseerd is op totaal andere motieven en tevens feitelijke gegevens, zowel in rechte als in feite, waardoor de aanslagprocedure nietig is.

Het hof stelt vast dat de taxatieambtenaar in het bericht van wijziging van 22 mei 2001 (zie stuk 000461 van het administratief dossier) de waardevermindering waarover het in deze gaat, kwalificeerde als een opneming van belastbare reserves.

In de directoriale beslissing van 23 mei 2002 (zie stuk 000002 van het administratief dossier) wordt het bedrag van de waardevermindering in kwestie gekwalificeerd als abnormaal of goedgunstig voordeel, dat bij toepassing van art. 26 W.I.B. 1992 als verworpen uitgave bij de belastbare winst van appellante wordt gevoegd.

Indien het waar is dat de gewestelijke directeur in zijn beslissing de grondslag van de aanslag juist mag omschrijven en verder ook gebruik mag maken van het recht om aan de feiten een interpretatie te geven die verschilt van deze van de taxatieambtenaar en aldus een verrichting anders mag beoordelen, moet hij er zich evenwel voor hoeden de taken van de taxatieambtenaar over te nemen.

Zo gaat de gewestelijke directeur, volgens de eigen commentaar van de administratie op het W.I.B. 1992, de perken van zijn bevoegdheid tot kennisneming van de door de belastingplichtige aangevoerde bezwaren te buiten wanneer hij de aanslag verantwoordt op grond van een middel in feite of in rechte dat totaal vreemd blijft aan de ingeroepen grieven (zie Com.I.B. 1992, nr. 375/23).

En dat is exact wat de gewestelijke directeur in deze heeft gedaan. Hij heeft de taxatie verantwoord door het bedrag van de waardevermindering te kwalificeren als een verworpen uitgave en is daardoor teruggekomen op de door de taxatieambtenaar weerhouden kwalificatie van opname van reserves, zonder dat daaromtrent door appellante enige grief in die zin werd geformuleerd.

De door de gewestelijke directeur genomen beslissing gaat veel verder dan het geven van een eigen interpretatie aan de feiten, die verschilt van deze van de taxatieambtenaar, zoals geïntimeerde in deze ten onrechte voorhoudt.

Van het louter handhaven van de taxatie op grond van de materiële gegevens die de taxatieambtenaar in aanmerking had genomen is er in deze evenmin sprake, nu de gevestigde aanslag werd gehandhaafd, waarbij werd gesteund op materiële elementen die werden verkregen naar aanleiding van het onderzoek van het bezwaarschrift, terwijl deze elementen niet in aanmerking werden genomen tijdens de taxatieprocedure.

In de directoriale beslissing wordt de kwalificatie als abnormaal of goedgunstig voordeel in essentie gegrond op het feit dat in de jaarrekening van de SA Immobilière Sambrevilloise geen schuld in rekening-courant aan de heer X voor een bedrag van 1.793.474 BEF is opgenomen en dat zowel op 31 december 1995, 14 juli 1996 en 31 december 1996 de schuld in rekening-courant aan de heer X slechts 115.000 BEF bedroeg. Deze inlichtingen werden met name door de gewestelijke directeur verkregen naar aanleiding van de vraag om inlichtingen van 8 februari 2002, gericht aan de SA Immobilière Sambrevilloise (zie stukken 000117 en volgende van het administratief dossier).

Van zijn kant nam de taxatieambtenaar deze elementen niet in aanmerking. In het bericht van wijziging van 22 mei 2001 is er alleszins geen sprake van.

Aldus heeft de gewestelijke directeur de taken van de taxatieambtenaar overgenomen en heeft hij een ontoereikend bevonden bewijsvoering aangevuld met nieuwe elementen.

Derhalve is de gewestelijke directeur in deze de perken van zijn bevoegdheid te buiten gegaan.

Bijgevolg dient het hoger beroep van appellante te worden ingewilligd, zonder dat het nodig is haar overige middelen te onderzoeken.

b) Wat de kosten betreft

Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-K.B. van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit K.B. vinden toepassing op onderhavige zaak.

Ter openbare terechtzitting van het hof van 27 januari 2011 verklaarden beide partijen terzake de rechtsplegingvergoeding in hoger beroep op het basisbedrag van 1.100,00 EUR te begroten.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet en, opnieuw rechtdoende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellante ontvankelijk en gegrond;

Vernietigt de betwiste aanslag in de Venn. B. voor aanslagjaar 1999 gevestigd onder kohier artikel 813200221, supplement aan artikel nummer 802026438;

Veroordeelt geïntimeerde tot terugbetaling van alle sommen die op grond van deze aanslag zouden zijn geïnd, verhoogd met de moratoriuminteresten overeenkomstig art. 418 W.I.B. 1998;

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, begroot in hoger beroep op 1.100,00 EUR voor appellante en op 1.100,00 EUR voor geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6de fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op

Free keywords

  • substitutie van motieven