- Arrêt of March 22, 2011

22/03/2011 - 2008AR2350

Case law

Summary

Samenvatting 1

De toepasselijke wetgeving heeft het over de eigenaar, de huurder, de gebruiker die verantwoordelijk is voor cultuurgronden in het kader van de bestrijding van schadelijke organismen op planten en plantaardige producten. Het spreekt voor zich dat wanneer een pachter in gebreke blijft de meidoornhagen te snoeien de uiteindelijke verantwoordelijkheid steeds bij de eigenaar ligt. Het behoort aan de eigenaar om schikkingen te nemen met zijn pachter wanneer deze in gebreke blijft en niet aan de gemeente. De gemeente heeft in casu gehandeld conform de toepasselijke wetgeving.


Arrêt - Integral text

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/2350

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

1. R. G. J.,

2. R. J. Remi,

appellanten,

beiden vertegenwoordigd door Mr. MEUGENS loco Mr. BINNEMANS Luc, advocaat te 3980 TESSENDERLO, Schoterweg 40 ;

TEGEN:

De STAD ZOUTLEEUW, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, gevestigd te 3440 ZOUTLEEUW, Vincent Betsstraat 15,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. HALLAERT loco Mr. LEMMENS Alex, advocaat te 3440 ZOUTLEEUW, Grote Steenweg 54 ;

De toepasselijke wetgeving heeft het over de eigenaar, de huurder, de gebruiker die verantwoordelijk is voor cultuurgronden in het kader van de bestrijding van schadelijke organismen op planten en plantaardige producten. Het spreekt voor zich dat wanneer een pachter in gebreke blijft de meidoornhagen te snoeien de uiteindelijke verantwoordelijkheid steeds bij de eigenaar ligt. Het behoort aan de eigenaar om schikkingen te nemen met zijn pachter wanneer deze in gebreke blijft en niet aan de gemeente. De gemeente heeft in casu gehandeld conform de toepasselijke wetgeving.

Gelet op de procedurestukken:

n het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 2 april 2008, beslissing die betekend werd op 9 juli 2008;

n het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 8 september 2008;

n de conclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 29 december 2008;

n de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 25 februari 2009.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 7 februari 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde strekte ertoe appellanten solidair en in solidum te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 3.933,06 euro plus de wettelijke intresten.

1.2. De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk en gegrond verklaard en op het bedrag van 3.933,06 euro verwijlintresten toegekend aan de wettelijke intrestvoet vanaf 29 maart 2005.

1.3. Het hoger beroep van appellanten beoogt de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond te horen verklaren.

1.4. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

II. Precedenten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat op 24 juli 2003 het FAVV aan appellanten ter kennis bracht dat het bacterievuur (= ERWINIA AHY LOVORA) de meidoornhaag geplant op de percelen, eigendom van appellanten, had aangetast.

Bij dat zelfde schrijven werden appellanten aangemaand om krachtens de ter zake geldende wetgeving die meidoornhaag te verwijderen door het snoeien ervan tot op een hoogte van 1.50 m en het onmiddellijk verbranden ter plaatse van het snoeihout, dit alles uiterlijk tegen 18 augustus 2003.

Appellanten werden ervan op de hoogte gebracht dat indien zij hiertoe niet zelf overgingen, tot ambtshalve vernietiging zou overgegaan worden op hun kosten.

Bij aangetekend schrijven van 8 oktober 2003 herinnerde de Stad Zoutleeuw appellanten aan het dringend verzoek van het FAVV om tot vernietiging over te gaan van gezegde haag.

2.3. Gezien appellanten aan deze verzoeken geen gevolg gaven, is geïntimeerde overgegaan tot het ambtshalve vernietigen van die meidoornhaag.

De kosten hiervan werd aan appellanten ter kennis gebracht op 29 september 2004.

Op 25 oktober 2004 kwam een eerste reactie vanwege appellant sub 2 die vroeg meer bijzonderheden te verstrekken over de door geïntimeerde uitgevoerde werken.

Hierop reageerde geïntimeerde op 4 november 2004 en maande zij appellanten over te gaan tot betaling.

Op 29 maart 2005 werden appellanten opnieuw in gebreke gesteld om het bedrag van 3.933,06 euro te betalen.

Appellanten weigeren echter tot betaling over te gaan.

III. Bespreking.

3.1. Appellanten betwisten dat de bewuste haag op hun eigendom staat.

In dat verband vragen zij, vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde, hen toe te laten een aantal feiten te mogen bewijzen met alle middelen van recht, getuigenbewijs inbegrepen.

3.2. Uit de e-mail van 26 oktober 2003 als antwoord op de brief van de gemeente van 8 oktober 2003 blijkt dat J. R. (1) op 1 september 2008 de pachter Benny Herbots verwittigde dat de haag diende gesnoeid te worden en dat hij veronderstelde dat deze pachter inmiddels het nodige had gedaan en (2) ook de andere pachters op de hoogte had gesteld en dat de werkzaamheden eerstdaags zouden uitgevoerd worden door D. V. en Valentin R..

J. R. eindigde zijn e-mail met de bedenking dat hij de pachters gevraagd had voorzichtig te werk te gaan om milieuovertredingen te vermijden en verder dat hij meende te weten dat hagen in beginsel moeten bewaard blijven en met de vraag dat indien hij het verkeerd voor had hij het op prijs zou stellen dat de gemeente hem op de hoogte zou willen brengen van wat mocht of verboden was.

In zijn geschreven verklaring van 2 september 2008 bevestigde D. V. dat hij aan J. R. in 2003 toegezegd had het nodige te doen i.v.m. het zuiveren der meidoornhagen op verschillende gronden te Zoutleeuw.

3.3. Appellanten hebben destijds dus nooit betwist dat de aangetaste meidoornhagen wel degelijk op hun eigendom stonden en zij gaven bovendien aan hun pachters de opdracht om het nodige te doen conform de vraag van de gemeente.

Het is pas hangende de procedure dat appellanten één en ander zijn beginnen te betwisten.

Er staat bijgevolg afdoend vast dat de aangetaste meidoornhagen zich in 2003 wel degelijk bevonden op de eigendom van appellanten.

3.4. Appellanten betwisten verder de aanpak van de gemeente.

Zij zijn de mening toegedaan dat er krachtens de wet geen verplichting bestaat om in een dergelijk geval de eigenaar aan te spreken gezien de wet de nadruk legt op de verantwoordelijke die volgens hen de pachters zijn van de desbetreffende percelen.

Zij verwijten de gemeente gehandeld te hebben in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel.

3.5. De toepasselijke wetgeving heeft het over de eigenaar, de huurder, de gebruiker die verantwoordelijk is voor cultuurgronden in het kader van de bestrijding van schadelijke organismen op planten en plantaardige producten.

Het spreekt voor zich dat wanneer een pachter in gebreke blijft de meidoornhagen te snoeien de uiteindelijke verantwoordelijkheid steeds bij de eigenaar ligt.

Het behoort aan de eigenaar om schikkingen te nemen met zijn pachter wanneer deze in gebreke blijft en niet aan de gemeente.

De gemeente heeft derhalve gehandeld conform de toepasselijke wetgeving.

3.6. Appellanten werpen verder op dat zij door de gemeente nooit op de hoogte werden gebracht dat werken werden uitgevoerd.

J. R. werd bij brief van 24 juli 2003 door het FAVV op de hoogte gebracht van de maatregelen die moesten genomen worden ter bestrijding van het bacterievuur.

De Stad Zoutleeuw deelde bij schrijven van 8 oktober 2003 mede dat zij ambtshalve zou overgaan tot vernietiging indien appellanten niet zelf de nodige maatregelen troffen vóór 24 oktober 2003.

Appellanten waren derhalve afdoend op de hoogte dat de gemeente zelf tot vernietiging zou overgaan ingeval zijzelf niet de nodige maatregelen zouden nemen vóór de hen medegedeelde vervaldatum.

3.7. Ondergeschikt betwisten appellanten de afrekening en werpen zij op dat deze niet correct zou zijn.

De afrekening werd aan appellanten medegedeeld bij schrijven van 29 september 2004 en bevat een gedetailleerde lijst van de uitgevoerde verrichtingen.

Hierop reageerden appellanten op 25 oktober 2004 met de vraag meer details te geven over de wijze waarop de werken werden uitgevoerd.

De gemeente gaf bijkomende inlichtingen in haar brief van 4 november 2004 waarop geen enkele reactie meer kwam vanwege appellanten.

De gemeente stuurde een rappel op 29 maart 2005 waarop appellanten reageerden bij schrijven van 3 april 2005 stellende dat zij na raadpleging van enige politieke mandatarissen en terzake bevoegde deskundigen tot de conclusie waren gekomen dat de vordering van de gemeente een arbitrair karakter vertoonde.

Ondertussen was reeds meer dan één jaar verstreken sedert het uitvoeren van de werken door de gemeente.

Appellanten hebben ruimschoots de tijd gekregen om de gevraagde vernietiging op eigen kosten uit te voeren .

Door hun nalatig optreden zijn zijzelf verantwoordelijk voor het feit dat de gemeente tot ambtshalve vernietiging overging op haar kosten die berekend werden op basis van artikel 5, 6 en 7 van het K.B. van 3 mei 1994 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen .

De afrekening zoals opgesteld door de gemeente is derhalve niet voor betwisting vatbaar.

3.8. Het bestreden vonnis wordt bijgevolg bevestigd.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.9. De gemeente begroot de rechtsplegingsvergoeding terecht op 650 euro , zijnde het basisbedrag voor vorderingen in de schaal tussen 2.500,01 euro en 5.000 euro .

Ingevolge de indexering van toepassing vanaf 1 maart 2011 bedraagt dat basistarief thans 715 euro .

Dit bedrag komt toe aan geïntimeerde als de in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellanten in de kosten van hoger beroep, begroot

- in hoofde van appellanten op 186 euro rolrechten + 715 euro rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van geïntimeerde op 715 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 22 maart 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans A. De Preester

Free keywords

  • KB 3 mei 1994 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen. Aantasting van de meidoornhaag door bacterievuur. Herstelmaatregelen. Verantwoordelijkheid van de eigenaar of van de pachter. Regresvordering van de gemeente tegen de eigenaar die de herstelmaatrehgelen van de FAVV niet (tijdig) uitvoerde.