- Arrêt of May 10, 2011

10/05/2011 - 2008AR1280

Case law

Summary

Samenvatting 1

1. Stilzwijgende afstand mag alleen worden afgeleid uit akten of uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende feiten, waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen van het geding of van de rechtsvordering (artikel 824, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De enige omstandigheid dat geen stap in de procedure werd gezet impliceert geenszins met zekerheid dat appellanten afstand zouden hebben willen doen van hun vordering.

2. Een deskundigenonderzoek door een bedrijfsrevisor naar de juiste oorzaken van het faillissement kan meer dan twintig jaar na de feiten redelijk niet meer in overweging worden genomen.


Arrêt - Integral text

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

A.R. Nr.: 2008/AR/1280 en 2008/AR/1505

A.R. Nr.: 2008/AR/1280

INZAKE VAN:

1. D. M., wonende te ,

vertegenwoordigd door Mr. VANDEBROEK Romain, advocaat te 3000 LEUVEN, J.P. Minckelersstraat 33 ;

2. G. L., wonende te ,

die verschijnt, bijgestaan door Mr. VANDEBROEK Romain, advocaat te 3000 LEUVEN, J.P. Minckelersstraat 33 ;

TEGEN:

De STAD LEUVEN, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, gevestigd te 3000 LEUVEN, Grote Markt,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. VANSTIPELEN J. Loco BEELEN Bert, advocaat te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 24 ;

EN A.R. Nr.: 2008/AR/1505

INZAKE VAN:

De STAD LEUVEN, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, gevestigd te 3000 LEUVEN, Grote Markt,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. VANSTIPELEN loco Mr. BEELEN Bert, advocaat te 3000 LEUVEN, Justus Lipsiusstraat 24 ;

TEGEN:

1. DECLERCQ AANNEMINGEN BOUW- EN WEGENBOUW N.V., met maatschappelijke zetel te 2340 BEERSE, Lilsedijk 50,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. VEKEMANS Giovanni, advocaat te 2275 LILLE, Rechtestraat 4 bus 1 ;

2. D+A CONSULT N.V., voorheen GILUCU STUDIEBUREAU N.V., met maatschappelijke zetel te 1500 HALLE, Meiboom 26,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. DE MULDER S. loco Mr. VAN RYMENANT Erik, advocaat te 1000 BRUSSEL, Congresstraat 5 ;

3. GRONTMIJ VLAANDEREN N.V., met maatschappelijke zetel te 1932 SINT-STEVENS-WOLUWE, Frans Smoldersstraat 18,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. VAN DROOGENBROEK M. loco Mr. DE BORMAN Maurice, advocaat te 1050 BRUSSEL, Koninklijke Prinsstraat 85 ;

PARTIJEN MEDE INZAKE:

1. D. M., wonende te ,

vertegenwoordigd door Mr. VANDEBROEK Romain, advocaat te 3000 LEUVEN, J.P. Minckelersstraat 33 ;

2. G. L., wonende te ,

die verschijnt, bijgestaan door Mr. VANDEBROEK Romain, advocaat te 3000 LEUVEN, J.P. Minckelersstraat 33 ;

1. Stilzwijgende afstand mag alleen worden afgeleid uit akten of uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende feiten, waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen van het geding of van de rechtsvordering (artikel 824, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De enige omstandigheid dat geen stap in de procedure werd gezet impliceert geenszins met zekerheid dat appellanten afstand zouden hebben willen doen van hun vordering.

2. Een deskundigenonderzoek door een bedrijfsrevisor naar de juiste oorzaken van het faillissement kan meer dan twintig jaar na de feiten redelijk niet meer in overweging worden genomen.

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

· het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven (8ste kamer), op tegenspraak uitgesproken op 11 maart 2008, waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

· het verzoekschrift tot hoger beroep, op 8 mei 2008 ter griffie van het hof neergelegd door partijen D. en G. (2008/AR/1280);

· het verzoekschrift tot hoger beroep, op 3 juni 2008 ter griffie van het hof neergelegd door de Stad Leuven (2008/AR/1505);

· de conclusie van appellanten D. en G.;

· de conclusie en syntheseconclusie van de Stad Leuven;

· de conclusie en syntheseconclusie van de NV DECLERCQ AANNEMINGEN BOUW- en WEGENBOUW, hierna NV Declercq;

· de conclusie en aanvullende conclusie van de NV D+A CONSULT;

· de conclusie en syntheseconclusie van de NV GRONTMIJ VLAANDEREN tweede geïntimeerde.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 14 maart 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellanten stellen hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat hun oorspronkelijke vordering tegen de Stad Leuven alsook de vorderingen in vrijwaring van de Stad Leuven ongegrond, resp. zonder voorwerp, verklaart en hen veroordeelt in de gerechtskosten.

Voor het hof vorderen appellanten D. en G. met de hervorming van het bestreden vonnis, om hun oorspronkelijke vordering gegrond te verklaren, dienvolgens de Stad Leuven te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 100.000 euro, plus verwijlinterest vanaf het begin van de werken, zijnde 5 september 1989 en de gerechtelijke interest.

Zij vragen voor het overige de aanstelling van een deskundige met het oog op de beschrijving en begroting van de schade m.b.t. de handelszaak alsook van de economische schade in relatie met de hinder van de openbare werken.

Appellanten vorderen ten slotte de gerechtskosten van beide aanleggen, inclusief hun rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep begroot op 3.000 euro.

Het hoger beroep werd regelmatig en tijdig ingesteld en is ontvankelijk.

2. De Stad Leuven besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep van partijen D. en G..

Zij stelt hoger beroep in waarbij zij haar vordering in vrijwaring tegen de NV Declercq Aannemingen, de NV A+D Consult en de NV Grontmij Vlaanderen herneemt. Dit hoger beroep werd eveneens regelmatig en tijdig ingesteld en is ontvankelijk.

3. Geïntimeerden in de zaak 2008/AR/1505 besluiten tot de ontoelaatbaarheid of niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van dit hoger beroep. Er wordt echter geen middel van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep ontwikkeld en het hof ziet geen reden om ambtshalve het hoger beroep onontvankelijk te verklaren.

In ondergeschikte orde herneemt de NV Grontmij Vlaanderen haar tussenvordering in vrijwaring tegen NV Declercq en NV D+A Consult en de NV Giluco.

II. RELEVANTE FEITELIJKE GEGEVENS

4. Mevrouw D., echtgenote van de heer G., heeft in het najaar van 1989 de uitbating overgenomen van een kleinhandel te Leuven, op het adres X.straat 10 (hoek van de X.straat en de Amerikalaan). Het betrof een winkel voor dameskleding "Au Petit Paris" die al jaren (sinds 1978) bestond, voorheen uitgebaat door de PVBA R. (mevrouw J. R.) en waarin mevrouw D. voorheen werkzaam was als verkoopster.

Op 5 september 1989 werden werken tot hernieuwing van de stadskern in opdracht van de Stad Leuven in de X.straat opgestart. De werken waren uitgevoerd door de tijdelijke vennootschap NV Declercq en NV Vanco. De NV Grontmij Vlaanderen, bijgestaan door de NV D+A Consult, voorheen NV Giluco, trad op als ontwerper.

De werken werden op 7 april 1991 beëindigd (zie attest van de schepen van openbare werken van de Stad Leuven d.d. 20 november 1991 ).

5. Bij exploot van 6 december 1989 heeft mevrouw D. een vordering voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven zetelend in kort geding ingesteld tegen o.m. de stad Leuven, de tijdelijke vereniging NV Declercq en NV Vanco en het studiebureau. Zij beklaagde zich over schade aan het gebouw, nl. barsten en scheuren, naar aanleiding van de werken veroorzaakt, en vorderde de aanstelling van een gerechtsdeskundige.

De kort gedingrechter stelde bij beschikking van 4 januari 1990 de heer Van Himbeeck als deskundige aan met de opdracht (samengevat) de schade te beschrijven en advies te geven over de oorzaak ervan alsook over de aansprakelijkheden, met beschrijving van de uit te voeren herstelwerken.

6. De deskundige hield ter plaatse een installatievergadering op 19 januari 1990 en technische vergaderingen op 23 januari en 13 februari 1990. Hij deelde op 28 februari 1990 het "eerste deel van het voorverslag" (15 pagina's + 64 foto's) mee. Hij stelde toen drie vragen m.b.t. de uitvoering van de werken.

De deskundige vermeldt inderdaad in het gebouw, dat van 1926 dateert, o.m. een paar barsten die voor een deel recent waren.

Er worden geen andere stukken uitgaande van de gerechtsdeskundige voorgelegd.

7. Mevrouw D. werd bij vonnis van 2 juni 1992 failliet verklaard.

Het faillissement werd op 27 april 1993 afgesloten.

8. Appellanten D. en G. stelden bij exploot van 12 april 1994 een vordering ten gronde voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven in tegen de Stad Leuven in betaling van schadevergoeding, onder voorbehoud geraamd op 50.000.000 BEF (later gebracht op 1.239.467,60 euro) en, ondergeschikt, in aanstelling van een bedrijfsrevisor als gerechtsdeskundige teneinde de schade te bepalen (verlies van cliënteel, verlies van omzet en winst, vermogensverlies in het faillissement enz.)

Bij exploot van 20 juni 2006 heeft de Stad Leuven de NV Declercq, de NV D+A Consult en de NV Grontmij Vlaanderen in tussenkomst, gemeenverklaring en vrijwaring gedagvaard.

III. Bespreking

9. De eerste rechter wees vooreerst de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de hoofdvordering wegens rechtsverwerking of afstand van recht af.

Hij wees de vordering van huidige appellanten als ongegrond af bij gebrek aan bewijs van enige bovenmatige hinder in de uitbating van de handel van mevrouw D.. De vorderingen in vrijwaring werden dan ook zonder voorwerp verklaard.

1°. Ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering

10. De exceptie van niet-ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering wordt gesteund op de overweging dat appellanten D. en G. ruim tien jaar na de inleiding van de zaak niets meer ondernomen hebben zodat hun handelswijze neerkomt op een verzaking aan hun initieel ingeleide vordering.

Appellanten D. en G. betwisten dat zij tien jaar lang na de gedinginleidende dagvaarding niets ondernomen hebben. Zij zouden meer bepaald herhaaldelijk hebben aangedrongen bij hun opeenvolgende raadslieden die zelf verantwoordelijk zouden zijn voor de vertraging in de behandeling van de zaak.

Stilzwijgende afstand mag alleen worden afgeleid uit akten of uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende feiten, waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen van het geding of van de rechtsvordering (artikel 824, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). De enige omstandigheid dat geen stap in de procedure werd gezet impliceert geenszins met zekerheid dat appellanten afstand zouden hebben willen doen van hun vordering.

Het hof benadrukt dat het de verwerende partij ook behoorde de zaak actief te behandelen en stelt vast dat de Stad Leuven haar eerste conclusie voor de eerste rechter op 10 mei 2004 neerlegde, anders gezegd tien jaar en een maand na de dagvaarding.

Geïntimeerden beroepen zich ten onrechte op een algemeen rechtsbeginsel waaruit zou moeten blijken dat een partij die geen initiatief neemt, automatisch het recht verliest om zijn vordering voort te zetten, quod non.

2° Ten gronde

11. Appellanten voeren aan dat de wegeniswerken die tussen 5 september 1989 en 7 april 1991 werden uitgevoerd een heel zware impact op de verkoopcijfers van de winkel hadden; de commerciële schade ingevolge de werkzaamheden zou tot het faillissement hebben geleid. Zij beroepen zich op de verplichting van de Stad Leuven om, overeenkomstig artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, de bovenmatige hinder die de normale grenzen van het nabuurschap overschrijden te compenseren.

12. De in kort geding aangestelde deskundige heeft in zijn (eerste deel van) voorverslag bepaalde vaststellingen samengevat. Deze vaststellingen maken objectieve gegevens uit waarmee het hof rekening kan houden, ook al heeft deskundige Van Himbeeck geen eindverslag neergelegd. Geïntimeerden laten overigens na aan te tonen dat zij, na ontvangst van het voorverslag, de vaststellingen op enigerlei wijze zouden hebben betwist.

De deskundige heeft echter geen enkel advies verstrekt over de oorzaak van de barsten en bewegingen van het gebouw, en nog minder over de incidentie van de schade aan het pand op de verkoopcijfers van de winkel.

Appellanten zijn zelf aansprakelijk voor het feit dat de deskundige zijn opdracht niet voortgezet heeft.

13. Het is volledig geloofwaardig dat de uitvoering van grootschalige openbare werken in de X.straat de toegang tot de winkel heeft beperkt. Uit de voorgelegde stukken, en o.m. stukken 15, 16 en 19 uit het dossier van appellanten (foto's van de straat) alsook uit de foto's in het deskundigenverslag, moet het hof afleiden dat de handelszaak gedurende de werken toch wel bereikbaar was. Appellanten tonen niet aan dat de doorgang voor voetgangers een "smal modderig padje" was. Er wordt geen bewijs geleverd van de volledige afsluiting van de straat gedurende drie maanden (tijdens een niet nader omschreven periode), zoals door appellanten beweerd.

Appellanten D. en G. waren geen eigenaars van het gebouw zodat zij geen recht hebben op vergoeding van de beschadigingen aan het gebouw.

Deskundige Van Himbeeck maakt wel gewag van scheuren en barsten maar deze schade, zoals in het verslag beschreven, was niet van die aard dat zij een winstgevende uitbating van de handelszaak onmogelijk maakte. Tijdens de uitvoering van de werken hebben appellanten zich niet beklaagd over geleden commerciële schade.

De daling van de omzet vanaf eind 1989 is niet noodzakelijk te wijten aan de wegeniswerken in de X.straat. Het faillissement van mevrouw D. dateert overigens van 14 maanden na de beëindiging van de werken. De daling van de omzet strookt bovendien met de overname van de winkel door mevrouw D. en de resultaten van vόόr en na de overname zijn niet noodzakelijk vergelijkbaar. Andere factoren kunnen kennelijk de slechte resultaten van de handelszaak verklaren.

Het oorzakelijk verband tussen de negatieve resultaten van de handelszaak vanaf eind 1989 en de uitgevoerde werkzaamheden wordt te dezen door appellanten niet aangetoond en kan niet afgeleid worden uit de enige latere persartikels die overigens meestal de stelling van appellanten zelf weergeven.

Een deskundigenonderzoek door een bedrijfsrevisor naar de juiste oorzaken van het faillissement kan meer dan twintig jaar na de feiten redelijk niet meer in overweging worden genomen.

De eerste rechter heeft terecht de oorspronkelijke vordering van appellanten afgewezen als ongegrond.

Het hoger beroep is ongegrond.

De oorspronkelijke vordering in vrijwaring van de Stad Leuven werd terecht zonder voorwerp verklaard zodat ook het hoger beroep van de Stad Leuven ongegrond is.

3°. De gerechtskosten

14. De gerechtskosten in hoofde van de Stad Leuven worden ten laste gelegd van appellanten in hoedanigheid van in het ongelijk gestelde partij.

De gerechtskosten in hoofde van de NV Declercq, de NV D+A Consult en de NV Grontmij Vlaanderen worden ten laste gelegd van de Stad Leuven in hoedanigheid van in het ongelijk gestelde partij.

De gerechtskosten in eerste aanleg werden oordeelkundig begroot.

15. De rechtsplegingsvergoeding op het basistarief bedraagt 5.000 euro, thans geïndexeerd op 5.500 euro, zoals vastgesteld bij het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de art. 1 tot 13 van de wet van

21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

Hierbij houdt het hof rekening met het in de laatste conclusie gevorderde bedrag (100.000 euro + vergoedende interest vanaf 5 september 1989).

Gelet op de moeilijke financiële draagkracht van appellanten na het faillissement d.d. 2 juni 1992 en de overblijvende schulden en lasten, wordt echter toepassing gemaakt van het minimumbedrag, zijnde 1.100 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Voegt de zaken ingeschreven op de algemene rol van het hof onder de nummers 2008/AR/1280 en 2008/AR/1505 samen.

Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep van de NV Grontmij Vlaanderen ontvankelijk doch zonder voorwerp.

Veroordeelt de appellanten D. en G. in de gerechtskosten van het hoger beroep in hoofde van de Stad Leuven en veroordeelt de Stad Leuven tot betaling van de gerechtskosten in hoofde van de NV Declercq, de NV D+A Consult en de NV Grontmij Vlaanderen.

Begroot de gerechtskosten in hoger beroep

- in hoofde van D. M. en G. L. op 186 euro rolrechten + 1.100 euro rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van de STAD LEUVEN op 1.100 euro rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van de DECLERCQ AANNEMINGEN BOUW- EN WEGENBOUW N.V. op 1.100 euro rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van D+A CONSULT N.V. op 1.100 euro rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van de GRONTMIJ VLAANDEREN N.V. op 1.100 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 10 mei 2011.

Waar aanwezig waren:

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans E. Janssens de Bisthoven

Free keywords

  • Artikel 824 Ger. W. Stilzwigende afstand. Bewijs. Voorwaarden. Deskundigenonderzoek. Opportuniteit. Verloop van twintig jaar tussen een faillissement en een huidig gevraagd onderzoek naar de oorzaken van het faillissement. Deskundigenonderzoek niet toegestaan.