- Arrêt of May 17, 2011

17/05/2011 - 2008AR1985

Case law

Summary

Samenvatting 1

1. De voetbalbond treedt op binnen het reglementair kader van haar bond. Het deelnemen aan een arbitrageprocedure binnen dit reglementair kader houdt niet in dat gewonde voetballer tijdens het voetbalspel wegens een optreden van een andere voetballer afstand zou gedaan hebben van zijn aanspraken op burgerlijk vlak. De rechtbank is niet eens gebonden door de beslissingen die in dat kader zouden zijn genomen door de voetbalbond.

2. Voor de toepassing van artikel 1382 e.v. B.W. dient overigens enkel nagegaan te worden of appellant tijdens het voetbal spelen zich gedragen heeft als een voldoende zorgvuldige speler zoals van elke speler, geplaatst in dezelfde omstandigheden, mag verwacht worden.

De zorgvuldigheidsplicht van sportbeoefenaars houdt, gelet op de omstandigheden van de beoefende sporttak, vaak minder stringente normen in dan in het dagelijkse leven het geval is.


Arrêt - Integral text

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/1985

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

B. S., wonende te,

appellant,

vertegenwoordigd door Mr. GUNS Johan, advocaat te 1790 AFFLIGEM, Kasteelstraat 58

TEGEN:

1. S. K.,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. D'HAENENS loco Mr. LENSSENS Geert, advocaat te 1090 BRUSSEL, Carton de Wiartlaan 126

2. De LANDSBOND CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met maatschappelijke zetel te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. CROONENBERGHS loco Mr. VAN OBBERGHEN Vincent, advocaat te 1800 VILVOORDE, Ridderstraat 2 b2

SAMENVATTING.

1. De voetbalbond treedt op binnen het reglementair kader van haar bond. Het deelnemen aan een arbitrageprocedure binnen dit reglementair kader houdt niet in dat gewonde voetballer tijdens het voetbalspel wegens een optreden van een andere voetballer afstand zou gedaan hebben van zijn aanspraken op burgerlijk vlak. De rechtbank is niet eens gebonden door de beslissingen die in dat kader zouden zijn genomen door de voetbalbond.

2. Voor de toepassing van artikel 1382 e.v. B.W. dient overigens enkel nagegaan te worden of appellant tijdens het voetbal spelen zich gedragen heeft als een voldoende zorgvuldige speler zoals van elke speler, geplaatst in dezelfde omstandigheden, mag verwacht worden.

De zorgvuldigheidsplicht van sportbeoefenaars houdt, gelet op de omstandigheden van de beoefende sporttak, vaak minder stringente normen in dan in het dagelijkse leven het geval is.

Gelet op de procedurestukken:

n de voor eensluidend verklaarde afschriften van de vonnissen uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 19 december 2007 en 21 mei 2008, beslissingen waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

n het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 18 juli 2008;

n de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 8 juni 2009;

n de syntheseconclusie van eerste geïntimeerde neergelegd ter griffie op 14 augustus 2009;

n de syntheseconclusie van tweede geïntimeerde neergelegd ter griffie op 12 oktober 2009.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 28 maart 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van tweede geïntimeerde (= de LANDSBOND) strekte ertoe appellant (= B.) te horen veroordelen tot betaling van een provisie van 1.919,64 euro plus de intresten (= A.R. nr. 04/4887/A) .

De oorspronkelijke eis van eerste geïntimeerde (= S.) strekte ertoe appellant (= B.) te horen veroordelen tot betaling van een provisie van 1.000 euro plus de intresten en vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde een geneesheer - deskundige aan te stellen met een welomschreven opdracht (= A.R. nr. 04/5678/A) .

1.2. Bij tussenvonnis van 19 december 2007 werd(en) (1) de beide zaken samengevoegd, (2) de vorderingen van de oorspronkelijke eisers ontvankelijk verklaard en (3) het getuigenverhoor bevolen van de heer Philippe BRANDT aangaande de omstandigheden waarbij op 28 februari 1999 de heer S. gewond raakte.

Bij tussenvonnis van 21 mei 2008 werd (1) appellant veroordeeld tot betaling aan eerste geïntimeerde van een provisie van 1 euro , (2) appellant veroordeeld tot betaling aan tweede geïntimeerde van een provisie van 1.919,64 euro en werd voorbehoud verleend voor wat de intresten betreft op voormeld bedrag en (3) alvorens verder recht te doen, Dr. Albert HUYBRECHTS aangesteld als deskundige met o.a. als opdracht de gevolgen te omschrijven die het ongeval van 28 februari 1999 voor het slachtoffer met zich meebrachten.

1.3. Het hoger beroep van appellant beoogt de oorspronkelijke vorderingen van huidige geïntimeerden onontvankelijk minstens ongegrond te horen verklaren.

1.4. Geïntimeerden vragen beiden de bevestiging van de bestreden vonnissen.

II. De Feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar de bestreden vonnissen.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat eerste geïntimeerde op 28 februari 1999 tijdens een voetbalwedstrijd gekwetst raakte bij een balbetwisting tussen hemzelf en appellant.

Appellant was doelwachter bij de V.C. De Leeuwkens Teralfene en eerste geïntimeerde was veldspeler bij SV Asse.

2.3. De Landsbond is de ziekteverzekeraar van eerste geïntimeerde.

III. Bespreking.

3.1. Appellant is de mening toegedaan dat de beide vorderingen ingesteld door geïntimeerden bij toepassing van artikel 2262bis,§1 B.W. (= verjaringstermijn van 5 jaar) verjaard zijn.

3.2. In deze gaat het om een burgerlijke vordering die volgt uit een misdrijf (= onopzettelijke slagen of verwondingen).

Bij toepassing van artikel 26 van de Voorafgaande Titel Sv. verjaart de burgerlijke rechtsvordering uit een misdrijf volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van de schade met dien verstande dat zij niet kan verjaren vóór de strafvordering.

3.3. Door eerste geïntimeerde werd klacht neergelegd tegen appellant wegens het "opzettelijk" toebrengen van slagen en verwondingen die later zonder gevolg werd geklasseerd.

Tijdens het gerechtelijk onderzoek dat hierop volgde werd appellant een laatste maal verhoord op 22 juni 1999.

Deze onderzoeksdaad heeft een stuitende werking als gevolg waarvan na deze datum een nieuwe verjaringstermijn begon te lopen van 5 jaar.

De verjaringstermijn wat de strafvordering betreft liep bijgevolg ten einde op 22 juni 2004.

Gezien de burgerlijke vorderingen die volgen uit een misdrijf niet kunnen verjaren vóór de strafvordering, loopt de verjaringstermijn voor de huidige ingestelde (burgerlijke) vorderingen tevens tot voormelde datum.

3.4. Appellant werd respectievelijk gedagvaard door beide geïntimeerden bij exploten betekend op 1 april 2004 en op 15 april 2004, d.i. binnen de lopende verjaringstermijn.

Het bestreden vonnis wordt bevestigd in zoverre hierin de vorderingen respectievelijk ingesteld door geïntimeerden niet verjaard werden verklaard.

3.5. Appellant houdt verder voor dat huidig geschil het voorwerp is geweest van een arbitrage vanwege de KBVB en huidige vorderingen hierdoor ook onontvankelijk zouden zijn.

De voetbalbond treedt op binnen het reglementair kader van haar bond.

Het deelnemen aan een arbitrageprocedure binnen dit reglementair kader houdt niet in dat geïntimeerden afstand zouden gedaan hebben van hun aanspraken op burgerlijk vlak.

De rechtbank is niet eens gebonden door de beslissingen die in dat kader zouden zijn genomen door de voetbalbond.

Appellant stelt overigens zelf dat hijzelf en eerste geïntimeerde verschenen zijn voor het Provinciaal Comité van de KBVB dat uiteindelijk besliste dat het schadegeval ten laste moest genomen worden door het Federaal Solidariteitsfonds gezien er in deze geen sprake was van enig opzet . De tussenkomst van voormeld comité beperkte zich dan ook enkel tot deze vraagstelling.

3.6. Geïntimeerden beweren dat appellant opzettelijk verwondingen heeft toegebracht. Hiervan is geen bewijs en terloops wordt opgemerkt dat de klacht wegens het opzettelijk toebrengen van slagen of verwondingen zonder gevolg werd geklasseerd.

Voor de toepassing van artikel 1382 e.v. B.W. dient overigens enkel nagegaan te worden of appellant tijdens het voetbal spelen zich gedragen heeft als een voldoende zorgvuldige speler zoals van elke speler, geplaatst in dezelfde omstandigheden, mag verwacht worden.

De zorgvuldigheidsplicht van sportbeoefenaars houdt, gelet op de omstandigheden van de beoefende sporttak, vaak minder stringente normen in dan in het dagelijkse leven het geval is.

3.7. Het strafdossier bevat een aantal verklaringen die tegenstrijdig zijn. Uit deze verklaringen kan enkel afgeleid worden dat de spelers of supporters van de respectieve clubs het opnemen voor hun eigen speler.

3.8. De heer BRANDT die scheidsrechter was tijdens de bewuste match werd onder ede verhoord op de zitting van 18 februari 2008.

Hij verklaarde alsdan dat de doelman over de grond naar de bal toe gleed en met de benen eerst de aanvaller raakte waarop hij met de handen onmiddellijk de bal kon grijpen.

Uit de briefwisseling van de voetbalbond blijkt verder dat appellant kort na de match een minnelijke regeling aanvaardde, zijnde een schorsing gedurende één speeldag omwille van "brutaal" spel.

Uit de medisch attesten blijkt tenslotte dat eerste geïntimeerde tengevolge van het "voetenspel" van appellant een fractuur opliep aan de linkerenkel en een scheur van de ligamenten en dat het volledig herstel enkele maanden in beslag zou nemen. Eerste geïntimeerde liep bijgevolg ernstige letsels op ingevolge de uitval van appellant. Deze letsels konden inderdaad alleen veroorzaakt worden door brutaal spel.

3.9. Hiermede is afdoend aangetoond dat appellant zich op het veld niet heeft gedragen zoals van een normaal voorzichtige speler mag verwacht worden, geplaatst in dezelfde omstandigheden.

De eerste rechter heeft dan ook terecht appellant aansprakelijk gesteld voor de door eerste geïntimeerde opgelopen schade en heeft even terecht een deskundige aangesteld.

Gezien de eerste rechter aan eerste geïntimeerde slechts een provisie toekende van 1 euro is het thans voorbarig in te gaan op het debat dat appellant voert over de eigenlijke omvang van de schade na tussenkomst van het FSF.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.10. Alle partijen vorderen het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding rekening houdende met de omvang van het gevorderde.

Hierbij wordt opgemerkt dat eerste geïntimeerde de bevestiging vraagt van het bestreden vonnis waarin hem een provisie van 1 euro werd toegekend zodat het basisbedrag in deze geïndexeerd 165 euro bedraagt en niet 400 euro zoals gevraagd.

Aan tweede geïntimeerde komt het geïndexeerde bedrag toe van 715 euro .

Beide geïntimeerden hebben immers een onderscheiden raadsman.

Voornoemde bedragen zijn verschuldigd door appellant als de in het ongelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt de bestreden vonnissen.

Verwijst de zaak bij toepassing van artikel 1068, 2e lid Ger.W. opnieuw naar de eerste rechter.

Veroordeelt appellant in de kosten van hoger beroep,

- in hoofde van appellant op 186 euro rolrechten + 715 euro rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van eerste geïntimeerde op 165 euro rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van tweede geïntimeerde op 715 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 17 mei 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

E. Janssens de Bisthoven A. De Preester

Free keywords

  • Sport. Voetbal. Zorgvuldigheidsplicht van de voetballer. Balbetwisting. Slagen en verwondingen. Schadevergoeing. Verjaringstermijn. Art. 26 VT Sv.

  • Stuiting van de verjaring

  • Voetbalbond- Arbitrage

  • Geen weerslag op de ontvankelijkheid van de burgerlijke rechtsvordering tot het bekomen van schadeloosstelling.