- Arrêt of May 24, 2011

24/05/2011 - 2010AR3304

Case law

Summary

Samenvatting 1

Tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling kan niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep (artikel 812, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek).


Arrêt - Integral text

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2010/AR/3304

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

1. D. P.

2-12,

appellanten,

allen vertegenwoordigd door Mr. VANDENBULCKE Dominiek, advocaat te 3090 OVERIJSE, Brusselsesteenweg 506 ;

TEGEN:

1. KEMBO N.V., met maatschappelijke zetel te 2480 DESSEL, Gooremansdijk 9, ingeschreven in het handelsregister te , onder het nummer 02.00.93, ingeschreven met KBO-nummer 0404.143.966.,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. JORIS Wilfried, advocaat te 2110 WIJNEGEM, Marktplein 22 ;

2. DEWIL R. B.V.B.A, met maatschappelijke zetel te 3350 LINTER, Dorpstraat 118, ingeschreven met KBO-nummer 0424.133..488.,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. JORIS Wilfried, advocaat te 2110 WIJNEGEM, Marktplein 22 ;

3. De GEMEENTE T.

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. EYSKENS T. loco Mr. LINDEMANS Dirk, advocaat te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 ;

PARTIJEN MEDE INZAKE:

1. H. S.

2. A.Q.L.

3. S. C.

vrijwillig tussenkomende partijen,

allen vertegenwoordigd door Mr. VANDENBULCKE Dominiek, advocaat te 3090 OVERIJSE, Brusselsesteenweg 506 ;

Tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling kan niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep (artikel 812, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek).

1. DE PROCEDURE

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 25 november 2010.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie van het hof op 21 december 2010. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2. DE FEITEN

De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt:

"

In opdracht van de gemeente T.worden door verweerders [KEMBO en DEWIL] riolering en wegeniswerken uitgevoerd te T.aan de Lindeboomstraat en de Depauwstraat. Met de werken werd een aanvang genomen op 12 april 2010; de uitvoeringstermijn werd vastgesteld op 175 werkdagen.

De tijdelijke stockage en verbetering van de uitgegraven gronden vindt plaats op de gemeentelijke opslagplaats, gelegen aan de Kisteveldlaan, naast de gemeentelijke begraafplaats.

Eisers [appellanten] zijn allen inwoners van de gemeente TERVUREN, meer bepaald in de Kwartellaan en de Kisteveldlaan.

Op 28 juni 2010 richt de raadsman van eisers een ingebrekestelling aan de vrijwillig tussenkomende partij [TERVUREN] wegens overlast, die een abnormale burenhinder uitmaakt in de zin van art. 544 en 1382 BW. De vrijwillig tussenkomende partij wordt gevraagd binnen de 48 uur de handelingen te staken, bij gebreke waaraan de staking zal worden gevorderd.

Op 20 juli 2010 formuleert de vrijwillig tussenkomende partij een antwoord, waarbij wordt gesteld dat de werken worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de aannemers.

Tevens wordt toelichting gegeven over de reden waarom de bedoelde opslagplaats werd gekozen en welke maatregelen werden genomen."

Appellanten leidden in naam van T.bij verzoekschrift een vordering tot staken in tegen KEMBO en DEWIL. T.kwam vrijwillig tussen.

3. HET ONDERWERP VAN DE VORDERING

3.1.

Voor de eerste rechter vorderden appellanten akte te verlenen van hun aanbod om zekerheid te stellen en te zeggen dat er geen aanleiding is om er een te stellen, en KEMBO en DEWIL te veroordelen tot het staken van elke activiteit op de gemeentelijke opslagplaats met ingang aan de Kisteveldlaan 22, binnen een termijn van 48 uur vanaf de betekening van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 10.000,00 EUR per inbreuk, waarbij elke vastgestelde aanwezigheid van een werknemer of aangestelde van KEMBO en DEWIL zal gelden als inbreuk. Ondergeschikt vroegen zij de aanstelling van een deskundige.

Zij concludeerden tot de niet-ontvankelijkheid van de tussenkomst van TERVUREN, behalve voor wat betreft een gemeenverklaring van het vonnis.

KEMBO en DEWIL concludeerden tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering. Ondergeschikt vroegen zij een termijn van 15 werkdagen voor de ontruiming van de site.

T.vroeg alvorens recht te doen een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de verzoenbaarheid van artikel 194 van het gemeentedecreet met de artikelen 41 en 162, 1ste lid, 1° en 2° van de Grondwet en de artikelen 3 en 11 van het Europees Handvest inzake locale autonomie in samenhang met artikel 10 en 11 van de Grondwet.

3.2.

De eerste rechter verklaarde de vordering van appellanten niet ontvankelijk.

3.3.

In hoger beroep hernemen appellanten hun oorspronkelijke vordering; zij voegen alleen de vraag toe een verzoeningspoging te doen voor het debat over de grond.

In hoger beroep komen de heren HOEBEKE en AUGUSTO QUIMPER en mevrouw SCHUERMANS vrijwillig tussen; zij sluiten zich aan bij de vordering van appellanten.

KEMBO en DEWIL concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

T.concludeert tot de niet-ontvankelijkheid van de vrijwillige tussenkomst in hoger beroep, en tot de bevestiging van het vonnis, behalve voor wat betreft de prejudiciële vraag die zij herneemt; dat is dus een incidenteel hoger beroep.

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING EN HET ANTWOORD OP DE

MIDDELEN VAN DE PARTIJEN

4.1. De grond van het hoger beroep

Terecht werpt T.op dat de vrijwillige tussenkomst van mevrouw S. en de heren H. en A. niet ontvankelijk is. Tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling kan niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep (artikel 812, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek). Dat de heren H. en A. en mevrouw S. zich aansluiten bij een vordering die appellanten reeds hebben gesteld in eerste aanleg doet daaraan niets af.

Terecht oordeelde de eerste rechter dat de tussenkomst van T.in de procedure ontvankelijk is. De toepassing van artikel 194 van het gemeentedecreet ontneemt aan de gemeente zelf niet haar recht om op te treden in rechte bij beslissing van het college van burgemeester en schepenen met toepassing van artikel 193 . Uit artikel 194, 3de lid zelf blijkt overigens al dat de gemeente kan tussenkomen: als zij niet tussenkomt, kan zij ook geen afstand doen.

Terecht oordeelde de eerste rechter dat appellanten weliswaar stellen dat zij optreden voor de gemeente, maar dat zij in wezen enkel optreden voor hun eigen respectieve belangen. De appellanten wonen allen in de Kwartellaan en de Kisteveldlaan en laten gelden dat zij door de activiteiten van KEMBO en DEWIL hinder ondervinden. Hun gedinginleidend verzoekschrift vermeldt "ernstige hinder voor de omwonenden", en "de overlast voor verzoekers bestaat onder meer uit zware lawaaihinder door steeds op en af rijdende vrachtwagens (...)"; dit is dus de hinder die zij persoonlijk lijden. De som van de eigen belangen van appellanten is niet gelijk aan het belang van de gemeente. Artikel 194 van het gemeentedecreet staat open voor de inwoners die optreden voor het collectief belang, ut universi, maar dit artikel vindt geen toepassing wanneer inwoners van de gemeente, ut singuli, in eigen naam optreden voor een belang en voor de bescherming van een persoonlijk recht .

Dat appellanten een oneigenlijk gebruik maken van artikel 194, vindt bevestiging in hun stelling over de te verbeuren dwangsommen, die volgens hen toekomen aan henzelf, en niet aan de gemeente, voor wie zij nochtans zeggen op te treden.

Terecht heeft de eerste rechter daaruit afgeleid dat de vordering niet ontvankelijk is: als artikel 194 niet kan toegepast worden om een vordering voor de rechter te brengen omdat de eisers niet optreden voor de gemeente, kan die vordering niet ontvangen worden door de rechter.

Gelet op het bovenstaande is er geen aanleiding om de door T.gesuggereerde prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof omdat het beantwoorden ervan niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen (artikel 26 §2 Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof van 6 januari 1989).

Gelet op het bovenstaande is ook de vraag naar een verzoeningspoging voor het debat ten gronde niet aan de orde.

5. DE KOSTEN

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet waardeerbaarheid van de vordering (geïndexeerd) 1.320,00 EUR.

6. HET BESCHIKKEND GEDEELTE

Op grond van de bovenstaande overwegingen neemt het hof volgende beslissing.

Het hof verklaart de vrijwillige tussenkomst van de heren HOEBEKE en AUGUSTO QUIMPER en mevrouw SCHUERMANS niet ontvankelijk

Het hof verklaart de hogere beroepen ontvankelijk maar ongegrond.

Het veroordeelt appellanten tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot

- in hoofde van appellante op 186,00 EUR rolrechten + 1.320,00 EUR rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van KEMBO N.V. en DEWIL R. B.V.B.A. op 1.320,00 EUR rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van de GEMEENTE T.op 1.320,00 EUR rechtsplegingsvergoeding,

- in hoofde van alle vrijwillig tussengekomen partijen op 1.320,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke te¬rechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 24 mei 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Dhr. M. Debaere, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans M. Debaere

E. Janssens de Bisthoven A. De Preester

Free keywords

  • I. Artikel 812, lid 2 Ger. W. Tussenkomst. Hoger beroep. II. Gemeenterecht. Rechtsgedingen. Art. 193 en 194 Gemeentewet.