- Arrêt of June 7, 2011

07/06/2011 - 2008AR2584

Case law

Summary

Samenvatting 1

Het woord "cassatiearresten" in artikel 1115 Ger.W. (= vereiste van voorafgaande betekening van cassatiearresten aan de partijen op straffe van nietigheid van de tenuitvoerlegging) dient zo begrepen te worden dat het uitsluitend doelt op arresten waarbij de bestreden beslissing werd vernietigd. Cassatiearresten die het cassatieberoep verwerpen, hoeven derhalve niet betekend te worden aan de partijen om rechtsgevolgen te doen ontstaan.


Arrêt - Integral text

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/2584

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

D. E., ondernemer, appellant,

vertegenwoordigd door Mr. FLAMEY Peter en Mr. VAN NOTEN Sofie, advocaten te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 ;

TEGEN:

De GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR, met burelen gevestigd te 1210 BRUSSEL, Koning-Albert II-laan 19 bus 22,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. HAVET loco Mr. DECLERCQ Philippe, advocaat te 3000 LEUVEN, J.P. Minckelersstraat 33 ;

$$$$$$$$$$$$$

SAMENVATTING

I. Voorziening in cassatie. Artikel 1115 Ger. W. Onderscheid tussen arresten van verwerping en arresten van vernietiging. Onderscheid bij de tenuitvoerlegging van beide soorten arresten.

Het woord "cassatiearresten" in artikel 1115 Ger.W. (= vereiste van voorafgaande betekening van cassatiearresten aan de partijen op straffe van nietigheid van de tenuitvoerlegging) dient zo begrepen te worden dat het uitsluitend doelt op arresten waarbij de bestreden beslissing werd vernietigd. Cassatiearresten die het cassatieberoep verwerpen, hoeven derhalve niet betekend te worden aan de partijen om rechtsgevolgen te doen ontstaan.

(Vergelijk: FETTWEIS, Manuel de procédure civile, Luik, 1985, 563, nr. 880; M. Castermans, Gerechtelijk privaatrecht, Gent, 2004, 481, nr. 906)

II. Artikel 160 DRO, thans artikel 6.2.1. van de Vlaamse Codex voor Ruimtelijke Ordening. Herstelwerken. Waarborg voor de uitvoering ervan in de vorm van de wettelijke hypotheek. Mogelijke onroerende goederen, voorwerp van de wettelijke hypotheek als waarborg voor gedwongen uitvoering van de herstelwerken.

Indien de waarde van het onroerend goed waarop de wederrechtelijke werken of handelingen zijn gepleegd zo laag is dat een wettelijke hypotheek op dat goed niet als reële waarborg voor de kosten van gedwongen uitvoering van werken tot herstel in de vorige toestand kan gelden, zou, in de stelling van appellant, geen toepassing kunnen gemaakt worden van artikel 160 DRO, thans artikel 6.2.1. VCRO, wat niet de bedoeling kan geweest zijn van de decreetgever en indruist tegen het wezen van een hypotheekname. De tekst van de wet kan bijgevolg enkel gelezen worden in die zin dat het onderpand van de wettelijke hypotheek zich uitstrekt tot alle aan de strafrechtelijke veroordeelde toebehorende zakelijke rechten op onroerende goederen, waaronder de mede - eigendom valt.

$$$$$$$$$$$$$$$$$$

Gelet op de procedurestukken:

 het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 18 juni 2008, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

 de akte van hoger beroep betekend bij exploot van 23 september 2008;

 de tweede syntheseconclusie van appellant neergelegd ter griffie op 1 februari 2011;

 de conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 28 februari 2011.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 11 april 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellant strekte ertoe te zeggen recht dat (1) de hypotheek genomen door geïntimeerde op de onroerende goederen gelegen te X., Res. Nolle, afdeling 3 sectie A, 222h, Dorpstraat 166, afdeling 3, sectie A, 214p, Dorpsstraat 196, afdeling 3, sectie A, 224t, Hulsbergstraat 115, afdeling 3, sectie C, 216n en Hulsbergstraat 86, afdeling 3, sectie C, 112c integraal moet doorgehaald worden, (2) minstens dat voormelde wettelijke hypotheek moet doorgehaald worden voor zover deze betrekking heeft op de onroerende goederen die niet het voorwerp uitmaken van een herstelvordering en bijgevolg slechts behouden kan blijven op het goed gelegen in de Hulbergstraat 115, (3) ondergeschikt appellant het recht heeft om de hypotheek op het goed gelegen in de Dorpsstraat 166 te vervangen door een hypotheek op enkel het duplex appartement, Dorpstraat 166.

Appellant vroeg tevens geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 2.500 euro wegens het tergend en roekeloos vestigen van voornoemde hypotheken.

1.2. De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.3. In hoger beroep herneemt appellant zijn oorspronkelijke vordering.

1.4. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

II. Feitelijke achtergrond.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat appellant bij arrest van het hof van beroep te Brussel dd. 25 februari 1998 veroordeeld werd tot herstel van de plaats in de vorige toestand wegens het bouwen zonder bouwvergunning (= tenlastelegging A) en niet volgens de vergunde plannen (= tenlastelegging B) .

Dit arrest is inmiddels definitief geworden.

Wat het arrest van het hof van beroep aangaat, werd een vordering ingesteld tot interpretatie ervan doch deze procedure is nog steeds hangende voor het hof van beroep.

2.3. Op 17 juli 2001 werd door geïntimeerde een hypotheek ingeschreven op grond van artikel 160 DRO op een reeks onroerende goederen, geheel of voor een onverdeeld deel eigendom van appellant.

De hypotheek werd genomen voor een bedrag van 4.000.000 BEF, tot waarborg van alle in het kader van de ambtshalve uitvoering van werken tot herstel van de plaats in de vorige toestand.

Appellant werd hiervan op de hoogte gesteld bij aangetekend schrijven van 7 september 2001 met het verzoek tot vrijwillige uitvoering over te gaan van het herstel van de plaats in de vorige toestand en met de vermelding dat de hypotheek op voormelde goederen zou doorgehaald worden na het uitvoeren van het bevolen herstel of de betaling van de ambtshalve uitgevoerde werken.

2.4. Op 8 november 2001 werd een P.V. van niet - uitvoering van het arrest opgesteld omdat het herstel slechts gedeeltelijk werd uitgevoerd.

Twee hangars, een zwembad en een bureel stonden er nog steeds.

Op 3 februari 2010 verkreeg appellant een regularisatievergunning voor de loodsen en het bureel zodat er thans nog enkel betwisting bestaat over het al dan niet verwijderen van het zwembad.

2.5. Op 20 augustus 2007 vroeg notaris Mariens aan geïntimeerde of hij akkoord ging om de wettelijke hypotheek op 5 van de 6 nieuwbouwappartementen gelegen aan de Dorpsstraat 166 door te halen gezien deze hypotheek de verkoop van de appartementen hinderde.

In dat schrijven werd medegedeeld dat de waarde van het appartement dat appellant voor zich houdt alleen reeds een waarde heeft die minstens dubbel zo groot is als het totaalbedrag waarvoor de wettelijke hypotheek genomen werd.

Geïntimeerde weigerde hiertoe over te gaan.

III. Bespreking.

3.1. De wettelijke hypotheek inzake stedenbouw is gebaseerd op artikel 160,6e en 7e lid van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de Ruimtelijke Ordening, afgekort DRO genoemd, zoals thans hernomen in artikel 6.2.1., 6e en 7e lid van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, afgekort VCRO genoemd, dat luidt als volgt:

"Wanneer openbare besturen of derden wegens het in gebreke blijven van de veroordeelde gedwongen zijn om het vonnis uit te voeren, wordt de daaruit te hunnen bate voortvloeiende schuldvordering gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, die ingeschreven, vernieuwd, verminderd of geheel of gedeeltelijk doorgehaald wordt overeenkomstig de bepalingen in de hoofdstukken IV en V van de hypotheekwet.

Die waarborg dekt ook de schuldvordering ten gevolge van de kosten van de hypothecaire formaliteiten, die door hen zijn voorgeschoten en die ten laste komen van de veroordeelde."

3.2. Bij arrest van 25 februari 1998 werd appellant veroordeeld tot het herstel van de plaats in de vorige staat voor wat een hele reeks van bouwwerken betreft binnen de 6 maanden vanaf de datum van het arrest en werd hij bij gebreke hieraan te voldoen binnen de gestelde termijn veroordeeld tot betaling van dwangsommen per dag vertraging.

In het P.V. van 8 november 2001 werd onder een rubriek A de bouwwerken opgesomd die inmiddels verwijderd werden door appellant in uitvoering van voornoemd arrest en onder een rubriek B de bouwsels die alsdan nog niet verwijderd waren, zijnde:

1. Een hangaar op het goed, sectie C, nr. 216I;

2. Een hangaar op het goed, sectie C, nr. 216p;

3. Een zwembad op het goed, sectie C, nr. 216n;

4. Een bureel op het goed, sectie C, nr. 216n.

Op dit ogenblik is enkel het zwembad niet geregulariseerd en beperkt de vordering tot verdere afbraak zich tot dit bouwwerk.

3.3. De wettelijke hypotheek vindt haar grondslag in de wet en veronderstelt het bestaan van een rechterlijke titel.

De inschrijving is slechts een daad van bewaring .

Een schuldeiser heeft er steeds belang bij de hypothecaire inschrijving zo snel mogelijk te nemen.

Overeenkomstig artikel 81 van de Hypotheekwet wordt de rangorde tussen de hypotheken onderling, en tussen de hypotheken en voorrechten met publiciteit immers bepaald door de datum van inschrijving.

Bovendien mag de hypotheek niet meer worden ingeschreven of niet meer tegen geworpen worden aan bepaalde schuldeisers in een aantal specifieke gevallen (= o.a. vervreemding van goederen, overlijden, faillissement, gerechtelijk akkoord).

De bevoegde overheid heeft derhalve een rechtmatig belang om de hypotheek zo snel mogelijk te vestigen ter zekerheid van haar schuldvordering.

De inschrijving kan bijgevolg rechtsgeldig genomen worden vanaf het ogenblik dat de rechterlijke titel die het herstel in de oorspronkelijke staat beveelt in kracht van gewijsde is getreden.

Er dient bijgevolg niet afgewacht te worden of de veroordeelde al dan niet vrijwillig uitvoering geeft aan het vonnis of arrest binnen de hem opgelegde termijn. Nog minder moet er gewacht worden totdat de bevoegde overheid ambtshalve effectief overgaat tot het herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat op kosten van de veroordeelde.

De veroordeelde kon immers één en ander vermijden door hangende de procedure aangaande het herstel zelf tot afbraak over te gaan.

Door anders te oordelen zou overigens aan de veroordeelde de kans gegeven worden om na een in kracht van gewijsde getreden beslissing maatregelen te treffen om een hypothecaire inschrijving te verhinderen.

3.4. De bevoegde overheid nam in deze een hypothecaire inschrijving op 17 juli 2001.

Bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 25 februari 1998 werd appellant veroordeeld tot herstel van de plaats in de vorige staat. Het cassatieberoep dat ingesteld werd tegen dat arrest werd verworpen op 15 februari 2000.

Een cassatieberoep heeft in strafzaken een schorsende werking.

Een gerechtelijke beslissing verwerft kracht van gewijsde wanneer ze, niet meer vatbaar zijnde voor verzet of hoger beroep, ook niet meer kan aangevochten worden door een buitengewoon rechtsmiddel dat, op het vlak van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, van rechtswege een schorsende werking heeft.

Een arrest van het hof van beroep gaat in kracht van gewijsde op de datum waarop de cassatievoorziening verworpen wordt .

Terloops wordt hierbij opgemerkt dat het woord "cassatiearresten" in artikel 1115 Ger.W. (= vereiste van voorafgaande betekening van cassatiearresten op straffe van nietigheid van de tenuitvoerlegging) zo dient begrepen te worden dat het uitsluitend doelt op arresten waarbij de bestreden beslissing werd vernietigd. Cassatiearresten die het cassatieberoep verwerpen, hoeven derhalve niet betekend te worden om rechtsgevolgen te doen ontstaan.

Het arrest van het hof van beroep te Brussel van 25 februari 1998 verwierf derhalve kracht van gewijsde op 15 februari 2000.

De hypothecaire inschrijving van 17 juli 2001 werd derhalve genomen op een ogenblik dat de rechterlijke beslissing die als titel geldt sedert geruime tijd in kracht van gewijsde was getreden .

3.5. Het feit dat appellant inmiddels blijkbaar - hierover worden geen duidelijke stukken neergelegd - een vordering heeft ingesteld tot interpretatie van hoger genoemd arrest van 25 februari 1998 - procedure die thans nog steeds hangende zou zijn na 13 jaar - doet geen afbreuk aan wat voorafgaat.

Anders oordelen zou aan een schuldenaar andermaal de mogelijkheid geven om via het voeren van latere procedures een schuldeiser te verhinderen een hypotheek te laten vestigen ter zekerheid van zijn schuldvordering wat in strijd zou zijn met de ratio legis van de hypotheekwetgeving.

Het hele debat dat appellant voert over wat dient verstaan te worden onder het "herstellen van de plaats in de oorspronkelijke toestand" is evenmin relevant in het kader van huidige procedure.

Eén en ander toont alleen des te meer aan dat de bevoegde overheid er alle belang bij heeft om zo snel mogelijk een hypothecaire inschrijving te nemen tot zekerheid van haar schuldvordering.

3.6. De hele argumentatie die appellant voert aangaande de tussenkomst van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid is in deze ook niet terzake dienend in het licht van wat hier voren uiteengezet werd.

Deze argumentatie heeft betrekking op de ambtshalve uitvoering van een vonnis of arrest en geeft geen antwoord op de vraag vanaf wanneer de bevoegde overheid op een rechtmatige wijze een hypothecaire inschrijving kan nemen overeenkomstig artikel 160 DRO en artikel 6.2.1. VCRO.

3.7. Appellant voert verder aan dat geïntimeerde een wettelijke hypotheek heeft genomen op onroerende goederen, weliswaar (onverdeelde) eigendom van appellant, die echter niet geviseerd werden door de herstelvordering.

In zijn stelling kan de wettelijke hypotheek enkel genomen worden op de onroerende goederen die het voorwerp uitmaken van de herstelvordering.

Ook deze stelling kan niet aangenomen worden.

De hypotheek is een zakelijk recht op onroerende goederen, die verbonden zijn ter voldoening van een verbintenis. Alle onroerende goederen die toebehoren aan een schuldenaar komen hiervoor in aanmerking. Een hypotheek is derhalve algemeen.

Opdat een hypotheek geldig zou zijn, moet de inschrijving vermelden (1) welk onroerend goed met hypotheek bezwaard is, (2) welke schuldvordering gewaarborgd wordt en (3) voor welk bedrag. Verdere voorwaarden worden door de Hypotheekwet niet gesteld.

Noch in het DRO noch in het VCRO worden beperkingen opgelegd voor wat de onroerende goederen betreft die het voorwerp kunnen uitmaken van de te nemen wettelijke hypotheek.

De stelling van appellant druist bovendien in tegen de essentie van een hypothecaire inschrijving, met name het zeker stellen van een schuldvordering.

Indien de waarde van het onroerend goed waarop de wederrechtelijke werken of handelingen zijn gepleegd zo laag is dat een wettelijke hypotheek op dat goed niet als reële waarborg voor de kosten van gedwongen uitvoering kan gelden, zou, in de stelling van appellant, geen toepassing kunnen gemaakt worden van artikel 160 DRO, thans artikel 6.2.1. VCRO, wat niet de bedoeling kan geweest zijn van de decreetgever en indruist tegen het wezen van een hypotheekname .

Bovendien kunnen herstelmaatregelen ook bevolen worden t.a.v. personen die geen eigenaar zijn van het goed dat het voorwerp uitmaakt van het bouwmisdrijf. In de stelling van appellant zou andermaal geen toepassing kunnen gemaakt worden van voornoemde bepalingen.

De tekst van de wet kan bijgevolg enkel gelezen worden in die zin dat het onderpand van de wettelijke hypotheek zich uitstrekt tot alle aan de strafrechtelijke veroordeelde toebehorende zakelijke rechten op onroerende goederen, waaronder de mede - eigendom valt.

3.8. Appellant beroept zich tenslotte op rechtsmisbruik.

Hij argumenteert dat geïntimeerde een wettelijke hypotheek genomen heeft voor een bedrag van 100.000 euro wat hij een overdreven bedrag noemt en vindt het onredelijk dat zijn onroerend patrimonium volledig geblokkeerd wordt nu er enkel eventueel nog het zwembad zal moeten afgebroken worden.

Hij kan er zich tenslotte niet in vinden dat geïntimeerde geweigerd heeft een hypotheek te nemen op één van zijn andere onroerende goederen waarvan de waarde het dubbele is van het totaalbedrag waarvoor een hypotheek genomen werd maar met minder verregaande financiële gevolgen voor hemzelf. Hij is van oordeel dat de houding van geïntimeerde in schril contrast staat met deze van andere organen van hetzelfde bestuur die actief meewerken door het afgeven van een planologisch attest, het verlenen van een regularisatievergunning, de opmaak van een ontwerp GRUP enz.

3.9. Artikel 160, 6e en 7e lid van het DRO, zoals gewijzigd door artikel 6.2.1., 6e en 7e lid VCRO, heeft het niet enkel over de inschrijving van een wettelijke hypotheek, maar maakt tevens gewag van vernieuwing, vermindering of gehele of gedeeltelijke doorhaling van een dergelijke hypotheek.

Ook aan deze begrippen dient enige invulling te worden gegeven om aan bovenstaande bepalingen een betekenis te geven.

Op dit ogenblik is nog enkel de toestand van het zwembad in betwisting en toegegeven moet worden dat een hypothecaire inschrijving van 100.000 euro voor het uitvoeren van afbraakwerken van een dergelijke inrichting ruimschoots zal volstaan.

Komt hierbij dat het blokkeren van de verkoop van appartementen wanneer er een valabel alternatief bestaat, niet in verhouding staat met het bouwmisdrijf dat thans nog aan appellant kan verweten worden, met name een zwembad te hebben aangelegd dat niet overeenstemt met de vergunning, afgeleverd op 3 april 1978.

Gezien appellant inmiddels voor een aantal bouwwerken waarvan het herstel in de vorige staat werd bevolen een regularisatievergunning heeft bekomen, kan hem ook niet verweten worden nodeloos gedraald te hebben met het uitvoeren van de bevolen herstelmaatregelen.

Het in dergelijke omstandigheden zonder meer weigeren om een deel van de gevestigde hypotheek te vervangen door een hypotheek op een onroerend goed van appellant met minder verregaande financiële gevolgen voor hem maakt geen behoorlijk bestuur uit en wordt aangezien als een vorm van rechtsmisbruik.

3.10. Door appellant toe te laten de gevestigde hypotheek op de Dorpsstraat 166, afdeling 3, sie A 214p te vervangen op zijn kosten door een hypotheek op het duplex appartement gevestigd op dezelfde plaats wordt hij op afdoende wijze vergoed zodat zijn vordering tot het bekomen van een bijkomende schadevergoeding afgewezen wordt.

De door geïntimeerde gevestigde hypotheek werd overigens niet op een tergende en roekeloze wijze gevestigd en aan geïntimeerde wordt enkel onbehoorlijk bestuur verweten m.b.t. zijn houding aangaande het vervangen van de hypotheek op een welbepaald onroerend goed.

3.11. Beide partijen vragen een bedrag van 1.200 euro aan rechtsplegingsvergoeding, wat het basisbedrag is voor vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn.

Na indexatie van toepassing sedert 1 maart 2011 wordt dit 1.320 euro .

Dit bedrag komt toe ten beloop van 2/3 aan geïntimeerde als de overwegend in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

(...)

Bevestigt het bestreden vonnis mits de enkele wijzigingen dat (1) gezegd wordt voor recht dat appellant het recht toekomt om op zijn kosten de gevestigde hypotheek op de Dorpsstraat 166, afdeling 3, sie A 214p te vervangen door een hypotheek op enkel het duplex appartement dat zijn eigendom is en gevestigd is op hetzelfde kadastraal perceel en (2) appellant veroordeeld wordt tot 2/3 van de kosten in eerste aanleg zoals ze begroot werden.

Veroordeelt appellant tot 2/3 van de kosten in hoger beroep, begroot

- in hoofde van appellant op 186 euro rolrechten + 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van geïntimeerde op 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke te¬rechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 7 juni 2011.

Waar aanwezig waren:

Mevr. A. De Preester, Kamervoorzitter,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

Free keywords

  • Artikel 1115 Ger. W. Cassatiearresten. Tenuitvoerlegging. Arrest van vernietiging. Betekening op straffe van nietigheid van de tenuitvoerlegging. Draagwijdte en betekenis van de term 'cassatiearresten' in artikel 1115 Ger. W.