- Arrêt of July 29, 2011

29/07/2011 - 2007AR1657

Case law

Summary

Samenvatting 1

Artikel 36, 2de lid DORO bepaalt dat de vorderingen in planschadevergoeding vervallen één jaar na de dag waarop het recht op schadevergoeding ontstaat overeenkomstig artikel 35, vierde lid. Dat laatste bepaalt dat het recht op schadevergoeding ontstaat ofwel bij overdracht van het goed ofwel bij de weigering van een bouw- of verkavelingsvergunning of nog bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest. De inbreng in een vennootschap vormt een overdracht in de zin van artikel 36 DORO. Uit niets blijkt dat de decreetgever de inbreng heeft willen uitsluiten.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2011/

A.R. nr. 2007/AR/1657

INZAKE VAN :

De GEMEENTE ZAVENTEM, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, waarvan de zetel gevestigd is op het gemeentehuis van en te 1930 ZAVENTEM;

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 29 april 1993.

vertegenwoordigd door Meester Guy BAETEN, advocaat te 1933 Sterrebeek, Burchtstraat, 18,

1ste kamer

TEGEN :

De P.V.B.A. L. en kinderen, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te Ad. Debrandtstraat, 61 -63 te 1140 EVERE ingeschreven in het handelsregister te Brussel onder het nummer 341.860,

Mevrouw H. L.,

Mevrouw A. L.,;

Mevrouw J. L.,;

De heer J., H. D., zaakvoerder, echtgenoot van Mevrouw A. L., wonende te geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Patrik DE MAEYER, advocaat- te 1160 BRUSSEL, Tedescolaan, 7.

Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de VLAAMSE REGERING in de Persoon van de Voorzitter van deze regering namens wie optreedt de Heer VAN MECHELEN Dirk, Vlaams minister van Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, aangewezen door deze regering om ondermeer de bevoegdheden in zake de ruimtelijke ordening uit te oefenen en wier Kabinet gevestigd is te 1210 Brussel ter Phoenixgebouw aan de Koning Albert II - laan, 19, 11de verdieping;

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Jan J. BOSSUYT, advocaat te 8.310 Assebroek-Brugge 3, Bossuytlaan nr. 35

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Federale Overheidsdienst Mobiliteit, met kantoren te 1030 BRUSSEL, CCN - Vooruitgangstraat 80 - bus 5

geïntimeerde, hebbende als raadsman Meester Pierre-Marie SPROCKEELS, advocaat te 000 BRUSSEL, Kasteleinstraat 19/ 14;

_________________________________________________

Ruimtelijke ordening. Planschadevergoeding. Inbreng in een vennootschap.

Artikel 36, 2de lid DORO bepaalt dat de vorderingen in planschadevergoeding vervallen één jaar na de dag waarop het recht op schadevergoeding ontstaat overeenkomstig artikel 35, vierde lid. Dat laatste bepaalt dat het recht op schadevergoeding ontstaat ofwel bij overdracht van het goed ofwel bij de weigering van een bouw- of verkavelingsvergunning of nog bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest.

De inbreng in een vennootschap vormt een overdracht in de zin van artikel 36

DORO. Uit niets blijkt dat de decreetgever de inbreng heeft willen uitsluiten.

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 29 april 1993.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

De partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend.

2 De feiten

Uit de uiteenzettingen van de partijen blijken volgende relevante feiten.

Bij akte van 2 februari 1949 werd de PVBA L. & CIE opgericht . De naam werd in 1961 gewijzigd in PVBA L. EN KINDEREN.

Bij akte van 21 juni 1967 kocht deze PVBA L. EN KINDEREN van de consorten D., B. en anderen gronden gelegen te Sint Stevens Woluwe (Zaventem), nu kadastraal gekend als sectie C 166 m en 173 f.

Op 12 april 1967 werd de PVBA LOREBO opgericht .

Bij akten van 29 september 1981 werd de PVBA L. EN KINDEREN, in vereffening gesteld op 7 september 1981, opgeslorpt door de PVBA LOREBO, die zelf haar naam wijzigde in PVBA L. EN KINDEREN .

Mevrouw H. L., mevrouw A. L., mevrouw J. L. en de heer J. D. zijn de aandeelhouders van de PVBA L. EN KINDEREN.

De PVBA L. EN KINDEREN en de dames L. en de heer D. stellen dat de vermelde gronden de kenmerken vertonen van bouwgrond, te weten ligging aan een voldoende uitgeruste weg, nabijheid van bebouwde gronden en technische geschiktheid voor bebouwing.

In het ontwerp-gewestplan (ministerieel besluit van 29 maart 1974) was het perceel C 166 m hoofdzakelijk gelegen in woonuitbreidingsgebied en voor het overige in bufferzone, en was C 173 f volledig gelegen in bufferzone.

Het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (Koninklijk besluit van 7 maart 1977) heeft de beide percelen geheel ingedeeld in bufferzone.

Bij arrest van 20 februari 1986 heeft de Raad van State het gewestplan vernietigd in zover het aan een deel van perceel C 166 m de bestemming bufferzone geeft in plaats van woonuitbreidingsgebied zoals in het ontwerp-gewestplan.

Op 11 maart 1987 vroegen de partijen L. aan de gemeente ZAVENTEM een stedenbouwkundig attest nummer 1 .

Op 29 april 1987 dagvaardden de PVBA L. EN KINDEREN "en voor zover als nodig" de dames L. en de heer D. het VLAAMSE GEWEST en de BELGISCHE STAAT tot betaling van een vergoeding uit planschade van 21.225.829 BEF aan de PVBA L. EN KINDEREN, en ondergeschikt 12.041.762 BEF aan de dames L. en de heer D.. Zij hadden toen nog geen stedenbouwkundig attest ontvangen.

Op 25 september 1989 leverde ZAVENTEM een stedenbouwkundig attest af.

Op 16 maart 1990 dagvaardden de PVBA L. EN KINDEREN "en voor zover als nodig" de dames L. en de heer D. de gemeente ZAVENTEM tot tussenkomst en in gemeenverklaring.

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Na ontvangst van het stedenbouwkundig attest in 1989 "herbevestigden" de PVBA L. EN KINDEREN en de dames L. en de heer D. hun vordering die ze bij dagvaarding van 29 april 1987 hadden ingesteld, gericht tegen het VLAAMSE GEWEST en de BELGISCHE STAAT.

Het VLAAMSE GEWEST concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering.

De BELGISCHE STAAT vroeg buiten zake gesteld te worden.

ZAVENTEM vroeg akte te verlenen dat de laattijdige aflevering van het stedenbouwkundig attest uitsluitend te wijten was aan de vertraging in de aflevering van het advies van de gemachtigde ambtenaar, en gedroeg zich voor het overige naar de wijsheid van de rechtbank.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vordering van de PVBA L. EN KINDEREN tegen de BELGISCHE STAAT ontvankelijk maar ongegrond, en veroordeelde hen tot betaling van de kosten (die hij niet begrootte).

De vorderingen jegens het VLAAMSE GEWEST en ZAVENTEM verklaarde hij ontvankelijk, en vooraleer over de grond uitspraak te doen stelde hij architect Paul DOMS aan als deskundige voor een advies over de grootte van de planschadevergoeding. Hij hield de beslissing aan "wat betreft de eventueel te vorderen schadevergoeding vanwege de Gemeente ZAVENTEM".

De eerste rechter overwoog daarbij onder meer dat de PVBA L. EN KINDEREN eiseres was en dat zij hoedanigheid had om de vordering in te stellen, dat uit het betoog van de PVBA L. EN KINDEREN en de dames L. en de heer D. het gezamenlijk voorkomen van de kenmerken van bouwgrond bleek, en dat de laattijdige afgifte van het stedenbouwkundig attest een fout is in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, dat de schade die daaruit voorvloeit effectief en actueel is en eventueel aanleiding kan geven tot schadevergoeding.

3.3

ZAVENTEM richt haar hoger beroep naar luid van haar akte van beroep tegen de PVBA L. EN KINDEREN, het VLAAMSE GEWEST en de BELGISCHE STAAT.

In hoger beroep vraagt ZAVENTEM het vonnis nietig te verklaren voor zover het opzichtens haar uitspraak heeft gedaan ultra petita, ondergeschikt de beslissing op dat punt te hervormen. Ondergeschikt stelt zij een vordering tot vrijwaring in tegen het VLAAMSE GEWEST voor een veroordeling wegens de laattijdige afgifte. Voor het overige sluit ZAVENTEM zich aan bij het incidenteel hoger beroep van het VLAAMSE GEWEST.

De PVBA L. EN KINDEREN en de dames L. en de heer D. concluderen tot de ongegrondheid van de hogere beroepen van ZAVENTEM en het VLAAMSE GEWEST.

Bij wat zij een incidenteel beroep noemen vragen zij:

"de solidaire verantwoordelijkheid op grond van artikel 1382 B.W. van de gemeente ZAVENTEM en van het VLAAMSE GEWEST vast te stellen wegens de laattijdige afgifte van het gevraagde stedenbouwkundig attest;

- het vonnis a quo voor het overige te bevestigen en de zaak opnieuw te verwijzen naar de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel.

In ondergeschikte orde, en in de veronderstelling dat Uw Hof wel reeds een uitspraak zou kunnen doen over de wettigheid van het verslag neergelegd door de deskundige P. DOMS - quod non - te zeggen dat het onderzoek op tegensprekelijke wijze is gebeurd en het verslag geenszins nietig is".

Het VLAAMSE GEWEST concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep van ZAVENTEM en het incidenteel hoger beroep van de PVBA L. EN KINDEREN en de dames L. en de heer D..

Bij incidenteel hoger beroep herneemt het zijn oorspronkelijk verweer met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering.

Zijn ondergeschikt verweer formuleert het als volgt:

"Na akte te hebben verleend dat, spijts de sommatie gegeven door het Vlaamse Gewest, eerste geïntimeerde niet overgaat tot mededeling van alle dienstige vennootschapsstukken teneinde het Vlaamse Gewest in te lichten c) wie juist de bestuurders en thans de vereffenaars zijn van de onderscheiden vennootschappen, d) wat hun bevoegdheden zijn en dergelijke meer, e) nopens het al of niet van rechtswege tussengekomen verval van de P.V.B.A. L. & kinderen (voorheen genoemd P.V.B.A. LOREBO);

Dienvolgens akte te verlenen aan het Vlaamse Gewest van het door haar geformuleerde voorbehoud om in voorkomend geval de onontvankelijkheid van de initiële vordering op te werpen.

Akte te verlenen aan het Vlaamse Gewest dat zij zich alle rechten voorbehoudt om - na terugwijzing van de zaak naar de Eerste Rechter - meerdere middelen en gronden aan te wenden ter afwijzing van de oorspronkelijke vordering van eisers, huidige eerste geïntimeerden, minstens verweer te voeren tegen het als nietig te aanzien en te vernietigen deskundig onderzoek,

Minstens - voor zover zou geoordeeld worden dat het deskundig verslag niet dient vernietigd te worden - een nieuwe deskundige aan te stellen met een nieuwe opdracht houdende de eerbiediging van de principes zoals vastgelegd in het huidige art. 35 D.O.R.O.

Te zeggen voor recht dat de afgifte op 25.09.1989 van het stedenbouwkundig attest geen fout daarstelt in de zin van art. 1382 RW.

In de meest ondergeschikte orde, voor zover de Zetel per impossibile zou oordelen dat eerste geïntimeerden toch zouden gerechtigd zijn op enige planschadevergoeding,

Te zeggen voor recht dat de hoegrootheid van de planschadevergoeding voor het perceel C 173 f hoogstens 139.454,65 euro bedraagt, en dit onder de voorwaarde dat het gestelde bedrag niet dient verminderd of geweigerd te worden indien en voor zover vaststaat dat eerste geïntimeerde in de "streek"/provincie Vlaams Brabant andere goederen bezit die voordeel halen uit de inwerkingtreding van een plan van aanleg of uit werken uitgevoerd op kosten van de openbare besturen.

Akte te verlenen aan het Vlaamse Gewest dat zij eerste geïntimeerde uitdrukkelijk sommeert hiervan opgave te doen.

De zaak bij tussenarrest terug naar de bijzondere rol te verwijzen tot opgave zal zijn geschied.

Akte te verlenen aan het Vlaamse Gewest dat zij gerechtigd is om bij toepassing van art. 35, lid 7, D.O.R.O., door 'herstel in natura' te voldoen aan enige verplichting tot schadevergoeding.

Te zeggen voor recht dat het nemen in voorkomend geval van een beslissing over te gaan tot herstel in natura, uiteraard een beslissing is die zij slechts kan nemen op het ogenblik dat er een definitieve in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing zal zijn tussengekomen.

En voor zover de Zetel per impossibile zou oordelen dat eerste geïntimeerden eveneens aanspraak zouden kunnen maken op een schadevergoeding bij toepassing van art. 1382 B.W., deze vergoeding te bepalen op 6.072,35 euro ."

De BELGISCHE STAAT concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep van ZAVENTEM en vraagt de bevestiging van de beslissing tot buitenzakestelling.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

ZAVENTEM richt haar hoger beroep tegen de PVBA L. EN KINDEREN en niet tegen de dames L. en de heer D.. Die laatsten kunnen dus geen incidenteel hoger beroep instellen (artikel 1054 van het Gerechtelijk Wetboek). Hun hoger beroep kan wel beschouwd worden als een afzonderlijk hoofdberoep ingesteld bij conclusie (artikel 1056, 4° van het Gerechtelijk Wetboek).

Het hoger beroep van ZAVENTEM is ook gericht tegen de BELGISCHE STAAT, hoewel tussen hen noch in eerste aanleg noch in hoger beroep een vordering bestaat; de BELGISCHE STAAT werpt niet op dat ZAVENTEM geen belang heeft bij dit hoger beroep.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

4.2 De grond van het hoger beroep

4.2.1

Appellante ZAVENTEM noch een van de andere partijen vordert nog iets van de BELGISCHE STAAT. Het tegen de BELGISCHE STAAT gerichte hoger beroep is ongegrond.

4.2.2

Terecht laat ZAVENTEM gelden dat de eerste rechter uitspraak heeft gedaan over een niet gevorderde zaak, in strijd met art. 1138, 2° van het Gerechtelijk Wetboek. De PVBA L. EN KINDEREN en de dames L. en de heer D. hebben haar voor de eerste rechter gedagvaard tot tussenkomst en in gemeenverklaring, zonder daarbij tegen haar voor het overige een vordering tot veroordeling in te stellen.

In de dagvaarding vroegen zij ZAVENTEM uiteen te zetten waarom zij het stedenbouwkundig attest laattijdig had afgeleverd, en zij overwogen dat de laattijdige aflevering een repercussie kon hebben op het hangende geding en "dat in die mate het belang van de gemeenverklaring van het tussen te komen vonnis verantwoord is". In hun aanvullende conclusies stelden zij dat de afgifte laattijdig was, dat het VLAAMSE GEWEST daarvoor aansprakelijk moest gesteld worden op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek en dat het vonnis daarom ook aan ZAVENTEM gemeen moest verklaard worden ter vrijwaring van hun rechten. Op deze wijze hebben de PVBA L. EN KINDEREN en de dames L. en de heer D. geen vordering ingesteld tegen ZAVENTEM.

Weliswaar hebben de PVBA L. EN KINDEREN en de dames L. en de heer D. enkel in het petitum van hun conclusie van 24 april 1990, in meer ondergeschikte orde, gevraagd voorbehoud te verlenen voor de uit de laattijdige afgifte voortvloeiende schade en provisioneel een vergoeding van 1.000.000 BEF toe te kennen, ten laste van het VLAAMSE GEWEST en/of de gemeente ZAVENTEM, maar dat voorbehoud is niet omgezet in een vordering, en het voorbehoud is ook weggevallen in de conclusies van de PVBA L. EN KINDEREN en de dames L. en de heer D. van 24 september 1990 en van 7 januari 1991.

Er was dus geen vordering van de PVBA L. EN KINDEREN en de dames L. en de heer D. tegen ZAVENTEM waarover de eerste rechter kon beslissen in zijn overwegingen dat de fout en de schade vaststonden en waarvoor hij de beslissing over "de eventueel te vorderen schadevergoeding vanwege de Gemeente ZAVENTEM" kon aanhouden.

4.2.3

De eerste rechter heeft overwogen dat de PVBA L. EN KINDEREN eiseres was en dat zij hoedanigheid had om de vordering in te stellen. Impliciet maar zeker heeft hij geoordeeld dat de dames L. en de heer D. geen vordering hadden. De vordering tegen de BELGISCHE STAAT, die hij definitief afwees, noemde hij in het dispositief aldus een vordering van de PVBA.

Dit is terecht. Op het ogenblik van het instellen van de vordering en nadien was de PVBA L. EN KINDEREN eigenaar van de percelen met betrekking tot de welke een vordering werd ingesteld. De eventuele planschade of schade uit onrechtmatige daad (het beweerde verlies van (de kans op) planschadevergoeding door de laattijdige afgifte van het stedenbouwkundig attest) vormt een aantasting van haar patrimonium. De dames L. en de heer D. zijn weliswaar de aandeelhouders van de PVBA L. EN KINDEREN maar zij lijden geen eigen schade.

Het blijkt ook niet dat zij een afgeleide schade lijden. Afgeleide schade, of reflexschade of schade door weerkaatsing, wordt geleden door een andere persoon dan de rechtstreekse schadelijder. Een dergelijke schade komt in aanmerking voor vergoeding indien zij rechtstreeks ontstaat in hoofde van een andere persoon dan de rechtstreekse schadelijder en onderscheiden is van de schade van die laatste. De vergoeding van de schade van de rechtstreekse schadelijder vergoedt niet de eigen schade van de onrechtstreekse schadelijder.

De schade die de vennootschap (in casu de PVBA L. EN KINDEREN) lijdt, de aantasting van haar vermogen, is de schade van de vennootschap zelf; zij ontstaat of valt in de vennootschap, en ontstaat niet in hoofde van de aandeelhouders (in casu de dames L. en de heer D.), ook al participeren die door het vennootschapscontract. Er anders over denken, impliceert een ontkenning van de notie van de rechtspersoonlijkheid van de vennootschap. Voor de schade van de vennootschap kan alleen de vennootschap optreden, of, na faillissement, de curator, of na in vereffeningstelling, de vereffenaar en niet de aandeelhouders. Ook indien de schade bestaat uit de vermeerdering van het passief van de failliete vennootschap, kan alleen de curator optreden voor die schade, die niet een schade is van de schuldeisers, die daarvoor dus geen vordering kunnen instellen . Het toekennen van een eigen vorderingsrecht aan de schuldeisers van de schadelijder lijkt eerder een verplaatsing van de aanspraak op vergoeding van de schade, en kan leiden tot vermeerdering van de schade . Het vorderingsrecht van de schuldeiser van de schadelijder is op dit punt overigens niet echt verschillend van het vorderingsrecht van de aandeelhouder. De aandeelhouder kan inderdaad gelijk gesteld worden met een schuldeiser van de vennootschap, zij het dan een schuldeiser van een dividend. Er is geen reden om de rechten van de aandeelhouder op dit punt anders te beoordelen.

Voor alle duidelijkheid: de dames L. en de heer D. beweren niet, laat staan bewijzen dat zij vorderen voor de PVBA L. EN KINDEREN. Dat zou ook in strijd zijn met de vaststelling dat de PVBA L. EN KINDEREN de hoedanigheid heeft om de vordering in te stellen.

De dames L. en de heer D. bewijzen dus niet het bestaan van schade (onderscheiden van die van de PVBA L. EN KINDEREN); hun vordering is dus ongegrond.

4.2.4

De PVBA L. EN KINDEREN stelt haar vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek in hoger beroep tegen ZAVENTEM. Hierboven is geoordeeld dat die vordering niet was ingesteld voor de eerste rechter. ZAVENTEM werpt evenwel niet op dat de vordering tot veroordeling die voor het eerst in hoger beroep is ingesteld niet ontvankelijk is.

4.2.5

De vordering van de PVBA L. EN KINDEREN is in hoger beroep in hoofdorde gesteund op onrechtmatige daad, en op de stelling dat zij schade heeft geleden door de laattijdige afgifte van het stedenbouwkundig attest. Zij stelt dat zij bij gebrek aan stedenbouwkundig attest geen ontvankelijke vordering tot planschadevergoeding heeft kunnen instellen binnen de door artikel 36, 2de lid DROG bepaalde tienjarige termijn vanaf het in werking treden van het plan, in casu 30 april 1977 .

Het VLAAMSE GEWEST werpt terecht op dat de vordering tot planschadevergoeding evenwel reeds vervallen was door het verloop van de termijn van één jaar na de inbreng op 29 september 1981 van de percelen grond in de PVBA LOREBO, nadien PVBA L. EN KINDEREN.

Artikel 36, 2de lid DROG bepaalt dat de vorderingen in planschadevergoeding vervallen één jaar na de dag waarop het recht op schadevergoeding ontstaat overeenkomstig [artikel 35, vierde lid]. Dat laatste bepaalt dat het recht op schadevergoeding ontstaat ofwel bij overdracht van het goed ofwel bij de weigering van een bouw- of verkavelingsvergunning of nog bij het afleveren van een negatief stedenbouwkundig attest.

De inbreng in een vennootschap vormt een overdracht in de zin van artikel 36 DROG. Uit niets blijkt dat de decreetgever de inbreng heeft willen uitsluiten. Dit zou ook onlogisch zijn. Door de inbreng wordt de eigendom overgedragen, en wordt de minderwaarde gerealiseerd. De overdracht gebeurt immers in ruil voor aandelen, waarvan de waarde staat tegenover de waarde van het ingebrachte goed. Dit vindt bevestiging in het feit dat bij de inbreng de waarde van het ingebrachte wordt geschat. De akte van 29 september 1981 waarbij de inbreng gebeurt, vermeldt dat de hier bedoelde percelen pro fisco worden geschat op 7.820.000 BEF . De aankoop bij akte van 21 juni 1967 was gedaan voor de prijs van 8.700.000 BEF . Ook indien wordt aangenomen dat de schatting pro fisco in 1981 met behoedzaamheid gebeurde, blijkt uit de lagere prijs van 1981 tegen de achtergrond van enerzijds de grote inflatie in de periode 1967-1981 en anderzijds de evolutie van de vastgoedprijzen een belangrijke waardevermindering. In casu heeft de overdracht door inbreng dus de minderwaarde die volgde uit de bestemmingswijziging door het gewestplan tot uiting gebracht.

De door de PVBA L. EN KINDEREN en de dames L. en de heer D. aangehaalde rechtspraak over de verwerving uit nalatenschap bevat geen argumenten die relevant zijn voor huidige situatie. De bewering dat de PVBA L. EN KINDEREN opgericht in 1949 en de PVBA L. EN KINDEREN ex LOREBO opgericht in 1967 eigenlijk de zelfde vennootschap zijn met de zelfde aandeelhouders berust op een ontkenning van de rechtspersoonlijkheid van die vennootschappen.

De overdrager van 1981, de PVBA L. EN KINDEREN (of haar vereffenaar, de heer D.), kon derhalve slechts tot een jaar na de inbreng een vergoeding voor planschade vorderen.

De PVBA L. EN KINDEREN en de dames L. en de heer D. betogen dat de éénjarige termijn van artikel 36, 2de lid DROG niet van toepassing is, gelet op een letterlijke lezing van de tweede zin van artikel 36, 2de lid ("indien geen vergunning wordt aangevraagd, is de termijn tien jaren..."). Het bestaan van de tienjarige termijn hangt echter niet af van het vragen van een vergunning , en de éénjarige termijn is uitdrukkelijk en ondubbelzinnig bepaald in artikel 36, 2de lid, eerste zin.

De vennootschap waarin de inbreng gebeurde, de pvba LOREBO die vervolgens L. EN KINDEREN werd, kon uiteraard in 1987 evenmin nog een ontvankelijke vordering tot planschade instellen. Overigens heeft zij in 1981 de gronden verworven aan de waarde van 1981 (waarin de minderwaarde was verrekend), en leed zij dus geen planschade.

Uit het bovenstaande volgt dat de laattijdige afgifte van een stedenbouwkundig attest in 1987 niet als gevolg kon hebben het verlies van een vordering tot planschadevergoeding. De vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek is dus ongegrond.

4.2.6

De vordering van de PVBA L. EN KINDEREN is ondergeschikt gesteund op artikel 35 DROG (zij vraagt de bevestiging van het eerste vonnis ter zake).

Uit het bovenstaande volgt echter uiteraard dat de in 1987 ingestelde vordering tot planschadevergoeding niet ontvankelijk was.

4.2.7

De vordering tot vrijwaring van ZAVENTEM tegen het VLAAMSE GEWEST is zonder voorwerp.

5 De kosten

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet waardeerbaarheid van de vordering (geïndexeerd) 1.320,00 EUR.

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk,

Verklaart alleen de hogere beroepen van ZAVENTEM en van het VLAAMSE GEWEST gegrond als volgt:

Hervormt het vonnis behalve voor zover het oordeelt over de vorderingen tegen de BELGISCHE STAAT, en spreekt opnieuw recht als volgt:

Verklaart de vordering van de PVBA L. EN KINDEREN en de dames L. en de heer D. tot planschadevergoeding onontvankelijk, en verklaart de vordering voor het overige ontvankelijk maar ongegrond;

Verklaart de vordering tot vrijwaring van ZAVENTEM tegen het VLAAMSE GEWEST zonder voorwerp,

Veroordeelt de PVBA L. EN KINDEREN en de dames L. en de heer D. tot betaling van de kosten van beide aanleggen gemaakt door het VLAAMSE GEWEST, ZAVENTEM en de BELGISCHE STAAT,

begroot in hoofde van

- de gemeente ZAVENTEM op euro 1.878,60 (304,91 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 153,69 rolrecht + 1.320 rechtsplegingsvergoeding beroep),

- de BELGISCHE STAAT op euro 1.624,91 (304,91 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 1320 rechtsplegingsvergoeding beroep), en

- het VLAAMSE GEWEST op euro 1.624,91 (304,91 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 1320 rechtsplegingsvergoeding beroep).

Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

29 juli 2011

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Free keywords

  • Planschadevergoeding. Art. 36 DORO. Inbreng in een vennootschap.