- Arrêt of July 29, 2011

29/07/2011 - 2008AR2966

Case law

Summary

Samenvatting 1

Artikel 1057, 4° van het Gerechtelijk Wetboek vereist de vermelding in de akte van beroep van "de beslissing waartegen in hoger beroep wordt gekomen". De materiële fout in de vermelding "vonnis op tegenspraak" i.p.v. "vonnis bij verstek" heeft geen nietigheid van de akte van hoger beroep tot gevolg.


Arrêt - Integral text

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

1e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/2966

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2011/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

De CENTRALE DIENST VOOR SOCIALE EN CULTURELE ACTIE, gevestigd te, 1120 BRUSSEL, Kwartier Koningin Astrid, Bruynstraat 1,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. SOBRIE Anne-Marie, advocaat te 3012 WILSELE, Albert Woutersstraat 126 ;

TEGEN:

DE TEMMERMAN Willy, wonende te 9420 ERPE-MERE, Rooseveltlaan 88,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. NIEUWDORP N. loco Mr. DESMET Johan, advocaat te 9090 MELLE, Park ten Hovenlaan 90 ;

_________________________________________________________

Hoger beroep. Ontvankelijkheid. Inhoud van de akte van hoger beroep. Artikel 1057, 4° Ger. W. Vermelding van de beslissing waartegen in hoger beroep wordt gekomen. Vonnis op tegenspraak of vonnis op verzet. Materiële vergissing. Rechtsgevolgen

Artikel 1057, 4° van het Gerechtelijk Wetboek vereist de vermelding in de akte van beroep van "de beslissing waartegen in hoger beroep wordt gekomen". De materiële fout in de vermelding "vonnis op tegenspraak" i.p.v. "vonnis bij verstek" heeft geen nietigheid van de akte van hoger beroep tot gevolg.

_____________________________________________________________

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (2de kamer) bij verstek uitgesproken op 27 augustus 2008, bij exploot van 8 oktober 2008 aan appellante betekend;

- de akte van hoger beroep bij exploot van 7 november 2008, op 27 november 2008 ter griffie neergelegd;

- de conclusie van appellante;

- de conclusie en syntheseconclusie van geïntimeerde.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 30 mei 2011 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Antecedenten

1. Appellante stelt hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat het oorspronkelijke verzet van geïntimeerde zonder voorwerp verklaart nu het oorspronkelijk verstekvonnis van 13 januari 1978 niet binnen het jaar werd betekend en huidige appellante veroordeelt tot betaling van de gerechtskosten van de verzetsprocedure.

Appellante vordert voor het hof, met de hervorming van het vonnis, om het oorspronkelijke verzet van geïntimeerde onontvankelijk te verklaren wegens laattijdigheid, dienvolgens te zeggen voor recht dat de betekening van het bevel tot betaling gegrond is, minstens op een juridisch correcte wijze is gebeurd en geïntimeerde dienvolgens te veroordelen tot alle gerechtskosten, inclusief de kosten van betekening - bevel en de rechtsplegingsvergoeding, voor het hof begroot op 650 euro.

2. Geïntimeerde partij besluit tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het hoger beroep. Zij vordert haar gerechtskosten, inclusief de rechtsplegingsvergoeding, voor het hof begroot op 650 euro.

II. RELEVANTE FEITELIJKE GEGEVENS

3. Bij verstekvonnis van 13 januari 1978 heeft de eerste kamer B van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de vordering van huidige appellante, ingesteld bij dagvaarding van 7 december 1977, gegrond verklaard en huidige geïntimeerde veroordeeld tot betaling van 94.750 BEF (thans 2.787,59 euro) + 9.475 BEF (thans 278,76 euro), te vermeerderen met de interesten aan 8 % vanaf 11 mei 1977 en de gerechtskosten in hoofde van huidige appellante begroot op 8.924 BEF (thans 262,55 euro).

4. Gerechtsdeurwaarder Groffils te Deinze heeft bij exploot van 5 april 1978 het vonnis aan huidige geïntimeerde betekend op diens adres te Zomergem, Bekestraat 53.

5. Op 2 april 2008 heeft gerechtsdeurwaarder Roeland te Aalst een betekening - bevel aan huidige geïntimeerde betekend, op zijn toenmalig adres te Erpe-Mere, Rooseveltlaan 88, in betaling van hoofdsom + interest en kosten (intussen voor de totale som van 9.557,96 euro).

6. Huidige geïntimeerde heeft bij exploot van 30 april 2008 verzet aangetekend en dienvolgens gevorderd de oorspronkelijke vordering als ongegrond af te wijzen.

7. Bij het bestreden vonnis oordeelde de eerste rechter dat het verstekvonnis van 13 januari 1978 niet conform artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek binnen het jaar werd betekend zodat het als niet bestaande moet worden beschouwd. Dat het verstekvonnis van 13 januari 1978 niet binnen het jaar zou betekend geweest zijn was alleszins foutief nu, zoals hierboven uiteengezet, het vonnis wel op 5 april 1978 werd betekend. De eerste rechter oordeelde verder dat verweerster op verzet, thans appellante, het exploot van betekening met bevel van 2 april 2008 niet had moeten laten betekenen en dat zij dan ook gehouden is tot de kosten.

III. Bespreking

1°. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

8. De exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft betrekking op de inschrijving van appellante in de Kruispuntbank van Ondernemingen.

Geïntimeerde laat vooreerst gelden dat het deurwaardersexploot van 7 november 2008 houdende akte van hoger beroep niet het ondernemingsnummer vermeldt waaronder appellante bij de Kruispuntbank van Ondernemingen op die datum ingeschreven was. Zij stelt bovendien dat de oorspronkelijke vordering van appellante niet gebaseerd is op een activiteit waarvoor appellante op 7 november 2008 ingeschreven was.

De verplichte inschrijving van appellante bij de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van de inleiding van de vordering (zie artikel 14, tweede lid van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen) is echter te dezen niet van toepassing nu appellante haar vordering bij exploot van 7 december 1977 heeft ingesteld, dit is op een datum waar de wet van 16 januari 2003 uiteraard niet van kracht was.

Artikel 1057, 2° van het Gerechtelijk Wetboek vereist enkel de vermelding in de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid, van "de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van eiser in hoger beroep".

Het wordt ten slotte niet betwist dat appellante bij haar conclusie ter griffie neergelegd op 15 juli 2009 haar inschrijvingsnummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder nummer 0222.961.725 heeft vermeld.

Deze exceptie van ontoelaatbaarheid is ongegrond.

9. Geïntimeerde haalt bovendien de C.D.S.C.A.-wet aan en meer bepaald artikel 8 ervan waaruit moet afgeleid worden dat de administrateur-generaal van de C.D.S.C.A. deze instelling in gerechtelijke (en buitengerechtelijke) rechtshandelingen vertegenwoordigt.

Zij stelt vast dat de akte van hoger beroep niet vermeldt dat het exploot is uitgegaan op benaarstiging van, of zelfs maar bij delegatie van de bevoegdheid, door de administrateur-generaal van appellante.

Het hoger beroep werd ingesteld door appellante hebbende als raadman Meester Anne Sobrie te Leuven.

Geïntimeerde stelt ten onrechte dat appellante in gebreke was "de hoedanigheid van de persoon op wiens verzoek het exploot wordt betekend" te vermelden. Het hoger beroep werd op verzoek van de C.D.S.C.A. ingesteld en niet door een bepaalde persoon in een bepaalde hoedanigheid.

Rechtspersonen treden in rechte op door tussenkomst van hun bevoegde organen (artikel 703 van het Gerechtelijk Wetboek). Te dezen werd de C.D.S.C.A. bij het instellen van haar hoger beroep vertegenwoordigd door een advocaat die wettelijke geacht wordt van de bevoegde organen van de behoorlijk geïdentificeerde appellante een regelmatige lastgeving te hebben ontvangen.

10. Ten slotte heeft de omstandigheid dat de akte van hoger beroep melding maakt van "het vonnis op tegenspraak, tussen partijen uitgesproken op 27 augustus 2008 door de tweede kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, gekend onder het A.R. nummer (...) en betekend op 8 oktober 2008" dan wanneer de uitspraak een "eindvonnis op verstek" is, geen incidentie op de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Artikel 1057, 4° van het Gerechtelijk Wetboek vereist de vermelding in de akte van beroep van "de beslissing waartegen in hoger beroep wordt gekomen". Het exploot van 7 november 2008 is voldoende duidelijk op dit punt en de materiële fout in de vermelding "vonnis op tegenspraak" i.p.v. "vonnis bij verstek" heeft geen nietigheid van de akte van hoger beroep tot gevolg.

Het hoger beroep is bijgevolg ontvankelijk.

2°. Ontvankelijkheid van het oorspronkelijk verzet

11. Geïntimeerde heeft verzet aangetekend tegen het verstekvonnis van 13 januari 1978 uitgesproken door de eerste kamer B van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Het staat vast dat dit vonnis op 5 april 1978 aan geïntimeerde betekend werd. Deze betekening is geldig geschied.

Het verzet van geïntimeerde, ingesteld bij exploot van 30 april 2008 is met toepassing van artikel 1048 van het Gerechtelijk Wetboek laattijdig.

Het oorspronkelijk verzet van geïntimeerde is onontvankelijk. De middelen die geïntimeerde thans ontwikkelt om de gegrondheid van de vordering van appellante te weerleggen zijn niet ter zake dienend.

De vordering van appellante is evenmin verjaard nu zij bij exploot van 7 december 1977 werd ingesteld.

Het hoger beroep is deels gegrond De eerste rechter had het verzet onontvankelijk moeten verklaren.

12. In zover appellante vraagt voor recht te zeggen dat de betekening - bevel van 2 april 2008 gegrond was en de kosten van haar betekening - bevel vordert, is haar hoger beroep ongegrond. Deze vordering betreft immers een geschil in de uitvoering die tot de bevoegdheid van de beslagrechter behoort.

13. De gerechtskosten, inclusief de rechtsplegingsvergoeding aan het basistarief (650 euro, thans na indexatie 715 euro) worden ten laste gelegd van geïntimeerde in zijn hoedanigheid van (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis, behoudens in zover het de gerechtskosten in eerste aanleg begroot, en verklaart het verzet van geïntimeerde onontvankelijk. Legt de gerechtskosten van het verzet ten laste van geïntimeerde.

Legt de gerechtskosten van het hoger beroep ten laste van geïntimeerde, begroot

- in hoofde van appellante op 186 euro rolrechten + 715 euro rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van geïntimeerde op 715 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke te¬rechtzitting van de eerste kamer van het hof van beroep te Brussel op 29 juli 2011.

Waar aanwezig waren:

Dhr. E. Janssens de Bisthoven, Raadsheer,

Mevr. B. Heymans, Griffier.

B. Heymans E. Janssens de Bisthoven

Free keywords

  • Hoger beroep. Akte van hoger beroep. Artikel 1057, 4° Ger. W. Materiële vergissing. Vonnis op tegenspraak dan wel op verzet.