- Arrêt of November 8, 2011

08/11/2011 - 2008/MR/3

Case law

Summary

Samenvatting 1

Arrêt - Integral text

HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

18e kamer,

A.R. Nr.: 2008/MR/3

Rep. nr.: 2011/7285 na beraadslaging, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

1. VZW Vlaamse federatie van verenigingen van Brood-en Banketbakkers, Ijsbereiders en Chocoladebewerkers, afgekort als ‘Vebic', met maatschappelijke zetel te 2600 BERCHEM (ANTWERPEN), Elisabethlaan 1A,

appellant,

vertegenwoordigd door Mr. ENGELS Peter, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Brusselstraat 59 Bus 1

IN AANWEZIGHEID VAN :

Auditoraat bij de Raad voor de Mededinging, vertegenwoordigd door de heer Bert Stulens, Auditeur-generaal en de heer Karel Marchand, Auditeur, gevestigd te 1000 BRUSSEL, Albert II-laan 16, dat verklaart op te treden in naam van de Raad voor de Mededinging;

De voorafgaande rechtspleging.

1. Op 22 februari 2008 heeft appellante beroep ingesteld tegen de beslissing nr. 2008/I0-04 van 25 januari 2008 van de Raad voor de Mededinging in de zaak MEDE-I/O-04/0045.

2. De bestreden beslissing legt appellante een geldboete op van 29.121 euro wegens een inbreuk op artikel 2 van de Wet tot bescherming van de economische mededinging (WBEM).

3. Bij een arrest van 30 september 2008 heeft het hof van beroep beslist om de rechtspleging te schorsen en het Hof van Justitie van de Europese Unie te bevragen omtrent de draagwijdte van de artikelen 2, 15 §3 en 35.1 van Verordening (EG)1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de Mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, thans de artikelen 101 en 102 van het VWEU.

4. De vier vragen die door het hof werden gesteld, komen in essentie hierop neer:

1. putten de nationale mededingingsautoriteiten uit de aangegeven communautaire voorschriften de mogelijkheid om schriftelijke opmerkingen te formuleren over de middelen die worden aangevoerd in een beroepsprocedure tegen hun beslissingen en kunnen ze hierbij zelf middelen in feite en in rechte voordragen ?

2. vergt de doeltreffende toepassing van de mededingingsregels dat de mededingingsautoriteiten ook de plicht hebben om aan een beroepsprocedure tegen hun beslissingen deel te nemen ?

3. zo het antwoord op de vragen 1. en 2. bevestigend luidt moet dan worden aangenomen dat bij ontstentenis van nationale regelgeving omtrent de deelname aan de beroepsprocedure en gegeven dat verschillende instanties als mededingingsautoriteit zijn aangewezen, de bevoegde autoriteit deze is die de besluiten neemt bedoeld in artikel 5 van Verordening (EG) 1/2003 ?

4. luidt het antwoord op de vragen 1. 2. en 3. anders wanneer de mededingingsautoriteit een rechtscollege is ?

5. Het Hof van Justitie EU heeft op 7 december 2010 een arrest uitgesproken (hierna vermeld als ‘het prejudicieel arrest') waarbij de vier vragen samen als volgt worden beantwoord:

" Artikel 35 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die een mededingingsautoriteit niet de bevoegdheid verleent om als verwerende partij deel te nemen aan een procedure in rechte tegen één van haar beslissingen. Het staat aan de nationale mededingingsautoriteiten om de noodzaak en het nut van interventie voor een doeltreffende toepassing van het mededingingsrecht van de Unie af te wegen. Het nuttig effect van de artikelen 101 VWEU en 102 VWEU wordt echter in gevaar gebracht wanneer de nationale mededingingsautoriteit stelselmatig niet verschijnt in dergelijke procedures in rechte.

Bij gebreke van een regeling van de Unie blijven de lidstaten overeenkomstig het beginsel van de procedurele autonomie bevoegd om het orgaan of de organen van de nationale mededingingsautoriteit aan te wijzen dat/die als verwerende partij kan/kunnen deelnemen aan een voor een nationale rechter gevoerde procedure tegen een beslissing van die autoriteit, met dien verstande dat de eerbiediging van de grondrechten en de doeltreffendheid van het mededingingsrecht van de Unie ten volle dienen te worden gewaarborgd."

6.Bij een brief van 7 december 2010 heeft appellante verzocht om de rechtspleging voor het hof te hervatten.

7. Bij een beschikking van 23 maart 2011, genomen met toepassing van artikel 76 §2 WBEM heeft het hof termijnen bepaald voor nadere in staatstelling van de rechtspleging en heeft het hof de Mededingingsautoriteit zoals bepaald in artikel 1,4° van de WBEM evenals de Minister die de economie onder zijn bevoegdheid heeft, de gelegenheid geboden om deel te nemen aan de rechtspleging.

8. Het Auditoraat bij de Raad voor de Mededinging heeft bij een faxbericht van 13 april 2011 meegedeeld dat het in naam van de Raad voor de Mededinging zal optreden in de rechtspleging.

9. Appellante heeft een conclusie ingediend op 14 juni 2011 en een antwoordconclusie op 29 juni 2011.

Het Auditoraat heeft schriftelijke opmerkingen ingediend op 20 mei 2011 en 28 juni 2011.

10. Op de terechtzittingen van 15 juni 2011 en 29 juni 2011 werden de advocaten van appellante en de vertegenwoordigers van het Auditoraat bij de Raad voor de Mededinging gehoord.

11. Het debat werd vooralsnog beperkt tot twee punten: het door appellante gevoerde exceptieve verweer betreffende de deelname aan de rechtspleging door het Auditoraat bij de Raad voor de Mededinging en haar vordering tot terugbetaling van de boete die ze ter uitvoering van de bestreden beslissing heeft betaald.

De standpunten.

12. Appellante is van oordeel dat uit het prejudicieel arrest volgt dat met het oog op de doeltreffende toepassing van het mededingingsrecht de mededingingsautoriteit aan het geding moet kunnen deelnemen als verwerende partij om zijn beslissing te verdedigen.

Evenwel is volgens haar de hoedanigheid van verwerende partij niet bestaanbaar met het statuut van een rechtscollege. Tegen de tussenkomst van een rechtscollege in een proces geeft ze ook een aantal bezwaren aan, die verbonden zijn aan de regels volgens dewelke een rechtscollege functioneert en aan verschillende beginselen, zoals de onafhankelijkheid, onpartijdigheid en het verbod om rechter en partij te zijn in dezelfde zaak.

Ze wijst er in dit verband op dat het Hof van Justitie EG bepaalde dat de organisatie van de deelname van de mededingingsautoriteit dient te gebeuren mits eerbiediging van de grondrechten.

Die bezwaren wettigen volgens haar het besluit dat enerzijds de Raad voor de Mededinging niet het statuut van administratief rechtscollege kan behouden en dat anderzijds in afwachting van een wetswijziging in dit verband, de Raad voor de Mededinging niet aan de rechtspleging kan deelnemen.

13. Tegen het optreden van het Auditoraat ziet ze verder een dubbel bezwaar.

Vooreerst is de vermelde onmogelijkheid volgens haar inherent aan de rechtspersoon van de Raad voor de Mededinging en zodoende ook onafhankelijk van de vraag welk orgaan van die instantie in rechte zou optreden.

Vervolgens meent ze dat artikel 6 EVRM zich verzet tegen het optreden van het Auditoraat.

In dit verband wijst ze op de verregaande onderzoeksbevoegdheden van de auditeurs, hun optreden tijdens de rechtspleging voor de Raad voor de Mededinging en de mogelijkheid dat ze door het hof worden gevraagd om onderzoek en een verslag met toepassing van artikel 76 §2, achtste lid WBEM.

Ze assimileert de positie van het auditoraat met deze van een onderzoeksrechter in strafzaken en van een openbaar ministerie.

De onpartijdigheid en onafhankelijkheid die een onderzoeksrechter in acht dient te nemen krachtens artikel 6 EVRM verzet er zich dan tegen dat het Auditoraat optreedt als partij in het geding. Wordt het Auditoraat door het hof geroepen om bijkomend onderzoek te voeren, dan zou het tegelijk de hoedanigheid van onderzoeker en van partij in het geding combineren.

Verder zou dit probleem ook niet kunnen worden opgelost door naar omstandigheden af te zien van toepassing van artikel 76 §2 WBEM, aangezien hierdoor het recht op een eerlijk proces zou worden geschonden: het hof zou niet langer volle rechtsmacht kunnen uitoefenen, zoals vereist krachtens artikel 6 EVRM.

Ook meent ze dat de Raad voor de Mededinging in een sterkere processuele positie geplaatst wordt dan zijzelf wanneer hij zich laat vertegenwoordigen door het Auditoraat, hetgeen zou strijden met het beginsel van de wapengelijkheid en het recht op een eerlijk proces.

Ten slotte werpt ze tegen dat het Auditoraat niet doet blijken hoe haar mandaat om te vertegenwoordigen is tot stand gekomen en evenmin dat ze een mandaat kreeg.

14. Zodoende luidt haar algemeen besluit dat het Auditoraat geen ‘tegenpartij' kan zijn en dat het evenmin kan tussenkomen of aanwezig zijn in de procedure, behoudens met toepassing van artikel 76 §2, achtste lid WBEM wanneer het hof daarom verzoekt.

Nu artikel 35, lid 1 (EG) Verordening 2003/1 van de Raad geen rechtstreekse werking heeft, kan het hof van beroep volgens appellante ook niet zelf beslissen welk orgaan van de mededingingsautoriteit aan de procedure voor het hof kan deelnemen en kan alleen de wetgever hierover beslissen.

15. Ondergeschikt meent appellante dat er reden bestaat om zowel het Hof van Justitie EG als het Grondwettelijk Hof prejudicieel te bevragen.

Ten aanzien van het Hof van Justitie EG meent ze dat er reden bestaat om nadere uitleg te vragen in deze zin dat het hof zou dienen te preciseren hoe met een procedure die de grondrechten eerbiedigt verenigbaar wordt geacht dat een mededingingsautoriteit als tegenpartij zou optreden wanneer die autoriteit een rechtscollege is.

Het Grondwettelijk Hof zou volgens haar de vraag dienen te beantwoorden naar de bestaanbaarheid van de artikelen 75 en 76 van de WBEM met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang met artikel 6 EVRM, indien die artikelen worden geïnterpreteerd in die zin dat de Raad voor de Mededinging als partij moet kunnen optreden in een beroepsinstantie, terwijl de Raad voor de Mededinging een rechtscollege is en het tot de essentie van het Belgische rechtssysteem behoort dat een rechtscollege geen partij kan zijn in het geding dat tegen zijn beslissingen is ingesteld.

16. Haar tussenvordering tot terugbetaling van de boete die haar werd opgelegd, formuleert appellante als volgt: ‘ de Minister van economische zaken, FOD Economie, Dienst voor de Mededinging te veroordelen tot terugbetaling van de boete t.b.v. 29.121 euro te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de datum van betaling door appellante'.

Desbetreffend geeft appellante vooreerst aan dat haar vordering gebaseerd is op het feit dat de bestreden beslissing haar nooit werd aangezegd, zoals voorgeschreven bij artikel 67 WBEM, maar enkel aan haar advocaat, bij wie evenwel geen keuze van woonplaats was gedaan.

Verder beroept ze zich op het vermoeden van onschuld en de onmogelijkheid om binnen het huidige rechtskader de veroordelende beslissing op rechtmatige wijze te bestrijden.

Ook wijst ze er op dat het ingestelde beroep de beslissing niet schorst en dat de rente die ze zou ontvangen bovenop het betaalde bedrag in geval de bestreden beslissing wordt teniet gedaan, niet de schade dekt die ze lijdt wegens de onbeschikbaarheid van thesaurie.

17. Het Auditoraat merkt vooreerst op dat appellante maar moeilijk tegelijk kan klagen dat ze geen tegenpartij heeft tijdens de beroepsprocedure en moeilijk doen ten aanzien van de instantie die zich als tegenpartij aanbiedt.

Haar mogelijkheid om tussen te komen in geding leidt zij af uit de verplichting tot Unietrouw uit artikel 4, lid 3 van het VEU en artikel 35 Verordening (EG) 1/2003 van de Raad, dat ten grondslag ligt aan haar aanwijzing als mededingingsautoriteit, in afwachting van een wetgevend initiatief na het prejudicieel arrest.

Verder is ze van oordeel dat van de door de wetgever ingestelde drie organen van de mededingingsautoriteit, zij het best in aanmerking komt om in de rechtspleging op te treden.

Wegens zijn hoedanigheid van rechtscollege zou de Raad in strikte zin, die als onpartijdige rechter heeft geoordeeld, niet kunnen optreden als verwerende partij. Dit zou strijden met de grondrechten van appellante.

Ook de Algemene Directie Mededinging komt niet in aanmerking om op te treden, omdat ze tijdens de rechtspleging voor de Raad voor de Mededinging opereert onder leiding en toezicht van het Auditoraat.

Ze wijst er overigens op dat de tussenkomst gericht is op de handhaving van het algemeen economische belang en dat daarom maar van ondergeschikt belang is, welk orgaan vertegenwoordigend optreedt.

18. Wat haar eigen statuut betreft kan er volgens haar geen probleem rijzen omdat de grieven geput uit de gelijkenis met een strafprocedure niet opgaan. Het Hof van Cassatie heeft bij een arrest van 3 juni 2011 geoordeeld dat de mededingingsprocedure niet kan geassimileerd worden met een strafprocedure. Een Auditeur vervult niet de rol van een onderzoeksrechter, maar eerder deze van een openbaar ministerie, zo luidt de thesis onder verwijzing naar verschillende voorschriften uit de WBEM.

Wat haar aanwijzing betreft als een onderdeel van de Raad voor de Mededinging, meent ze dat zulks dient begrepen te worden naar analogie met artikel 137 Gerechtelijk Wetboek inzake het openbaar ministerie, dat zijn ambtsplicht vervult bij een rechtscollege.

19. Betreffende de terugvordering van de betaalde boete merkt ze op dat de geldboete geconsigneerd werd bij de Deposito- en Consignatiekas, die marktconforme intrest betaalt en dat het erg onwaarschijnlijk is dat de betaling het voortbestaan van appellante zou bedreigen.

Ze wijst er verder op dat appellante vrijwillig heeft betaald en dat het haar vrij stond om op grond van artikel 76 §4 WBEM voor ieder ander verweer te verzoeken dat terugstorting zou worden beslist.

Aangezien zulks niet is gebeurd, neemt het Auditoraat aan dat de betaling van de boete geen probleem stelde.

Beoordeling.

Over de deelname van de mededingingsautoriteit aan de rechtspleging.

20. Uit de mededelingen van het Auditoraat aan het hof blijkt dat zij als orgaan van de mededingingsautoriteit wenst deel te nemen aan de rechtspleging om de bestreden beslissing van de Raad voor de Mededinging te verdedigen.

Haar standpunt is ingegeven door de draagwijdte van het prejudicieel arrest.

21. Over de verschillende grieven die appellante formuleert tegen de aanwezigheid van het Auditoraat in de huidige rechtspleging, dient het volgende te worden overwogen.

Het prejudicieel arrest legt artikel 35 van verordening (EG) nr. 1/2003 aldus uit dat de doeltreffende toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU vereist dat de mededingingsautoriteit als verwerende partij kan deelnemen aan een voor de nationale rechter gevoerde procedure tegen een van haar beslissingen, maar laat de afweging van het nuttig effect van het verschijnen in rechte in dergelijke procedures aan die autoriteit, die nochtans niet stelselmatig kan beslissen dat haar interventie geen nut heeft.

Hieruit volgt dat er geen principieel bezwaar bestaat tegen afdoening van het beroep terwijl er geen ‘partij' verschijnt om de beslissing van de Raad voor de Mededinging te verdedigen tegen de middelen die door appellante worden aangevoerd.

22. Het prejudicieel arrest geeft ook aan dat de lidstaten bevoegd blijven, overeenkomstig het beginsel van procedurele autonomie, om het orgaan of de organen aan te wijzen dat/die als verwerende partij kan/kunnen deelnemen aan een voor een nationale rechter gevoerde procedure tegen een beslissing van die autoriteit. Hierbij dienen de grondrechten en de doeltreffendheid van het mededingingsrecht van de Unie ten volle te worden gewaarborgd.

23. In zoverre appellante stelt dat de Raad voor de Mededinging waarvan het auditoraat een onderdeel vormt, geen ‘tegenpartij' kan zijn in het geding wegens zijn hoedanigheid van rechtscollege, dient te worden overwogen dat de deelname van de Raad voor de Mededinging als ‘partij' de rechtstoestand van appellante in niets verandert ten aanzien van de procedure zoals deze verloopt voor de Raad van de Mededinging zelf.

Immers in de rechtspleging inzake mededingingsbeperkende praktijken treedt de Raad voor de Mededinging op als autoriteit die, in het bijzonder belast met de zorg voor het algemene economische belang van, uit het oogpunt der mededinging, de bewijslast draagt inzake een ten laste gelegde restrictieve praktijk, de gegevens hiertoe put uit een verslag van een auditeur en dossierstukken en in zoverre dan ook de rol vervult van ‘tegenpartij' van de geïncrimineerde onderneming.

Zodoende heeft de Raad voor de Mededinging, zowel beschouwd in zijn geheel van drie samenstellende organen als in de strikte zin van zijn raadsleden die de kamers ervan samenstellen, niettegenstaande zijn kwalificatie als administratief rechtscollege, krachtens de hem toebedeelde opdracht een apart statuut als rechtscollege.

24. Door als dusdanige tegenpartij op te treden in de rechtspleging voor het hof, waarbij de Raad voor de Mededinging zijn beslissing toelicht en verdedigt en desgevallend standpunten zou innemen die het hof op grond van zijn volle rechtsmacht aan discussie zou wensen te onderwerpen, worden geen van de door appellante aangevoerde beginselen geschonden.

Het Hof van Cassatie heeft overigens beslist (arrest van 3 juni 2010 inzake Honda - zaak C.09.0227.N) dat de vervolgingen op grond van het mededingingsrecht van civielrechtelijke aard zijn, zodat alle argumenten die door appellante aangevoerd worden op basis van analogie met de bevoegdheidsuitoefening door een procureur en de onderzoeksrechter niet dienend zijn.

25. Verder leiden de partijen onterecht uit het prejudicieel arrest af dat het zelf zou aangeven dat een rechtscollege niet kan optreden als tegenpartij.

De eerbiediging van de grondrechten houdt als zodanig geen verband met de mogelijkheid om een mededingingsautoriteit aan een rechtspleging te laten participeren of haar hiervan uit te sluiten in functie van haar publiekrechtelijke organieke kwalificatie.

In dit verband kan trouwens worden opgemerkt dat de Raad voor de Mededinging als zodanig vertegenwoordigd was door een advocaat in de prejudiciële rechtspleging voor het Hof van Justitie EU en er met het innemen van standpunten ook actief heeft aan deelgenomen.

Een ander ijkpunt hiervoor kan worden aangetroffen in de praktijk van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zelf, waar onder het regime van de voorheen toepasselijke verdragsartikelen uit het EVRM (tekst voor de inwerkingtreding op 1 november 1998 van het Protocol nr. 11 van 11 mei 1994), inzonderheid de artikelen uit Titel III ervan, de Commissie voor de Rechten van de Mens, die jurisdictionele bevoegdheden uitoefende en vervolgens een zaak aanhangig kon maken bij het Hof, effectief deelnam aan de rechtspleging voor het Hof.

26. Wat de deelname door het Auditoraat aan de huidige rechtspleging betreft, overweegt het hof het volgende.

Het auditoraat, in de persoon van haar Auditeur-generaal of één van haar auditeurs, is opgetreden in twee prejudiciële rechtsplegingen die voor het Hof van Cassatie werden gevoerd en die hebben geleid tot de arresten van 22 januari 2008 (inzake Tecteo, zaak H.01.0001.F) en van 21 oktober 2011 (inzake Belgacom, zaak H.11.0001.F).

Uit de desbetreffende arresten blijkt dat het voormelde orgaan of hun advocaat geschriften hebben ingediend en zijn gehoord, maar betreffende die horing wordt in beide gevallen toegevoegd dat de andere partijen zich hiertegen niet hebben verzet.

In het arrest van 21 oktober 2011 wordt door het Hof van Cassatie over artikel 75 van de WBEM beslist dat wat de appelabele beslissingen betreft van de Raad voor de Mededinging, deze laatste dient te worden begrepen in de strikte betekenis van het orgaan dat de beslissingsbevoegdheid uitoefent in de zin van artikel 11 §1 WBEM (randnummer 15). Het Auditoraat behoort niet tot de Raad voor de Mededinging in die strikte betekenis.

27. In de huidige stand van de rechtspleging kan alleen maar worden vastgesteld dat appellante er zich tegen verzet dat het Auditoraat deelneemt aan de rechtspleging en dat geen enkel voorschrift van nationaal recht een orgaan van de mededingingsautoriteit bevoegdheid verleent om in rechte op te treden zoals vereist krachtens artikel 35 van de verordening (EG) 1/2003.

Verder oordeelde het Hof van Justitie EU dat de nationale mededingingsautoriteit moet kunnen deelnemen aan een procedure in rechte tegen één van haar beslissingen.

In de voorliggende rechtspleging komt het Auditoraat evenwel niet op voor een beslissing van zichzelf die ter beoordeling staat en ingevolge het arrest van het Hof van Cassatie van 21 oktober 2011 zijn beslissingen van het Auditoraat zelf ook niet eens appellabel met toepassing van artikel 75 WBEM.

28. Zodoende kan in de huidige stand van de federale wetgeving het Auditoraat niet gehoord worden als procespartij ter verdediging van een beslissing die het zelf niet heeft genomen.

Voor het geval zou moeten worden aangenomen dat de Raad voor de Mededinging in de strikte betekenis die verdediging kan opdragen aan het Auditoraat, als orgaan dat is ingesteld bij de Raad, dan zou dienen te worden vastgesteld dat thans zulke opdracht uit geen enkel overgelegd geschrift blijkt en dat het Auditoraat zich daar trouwens ook niet op beroept.

Verder kan die horing als partij die de appellante tegenspreekt evenmin op grond van de overwegingen in het prejudicieel arrest.

29. De prejudiciële bevraging waarom appellante vraagt is niet vereist.

Immers, uit de praktijk van het Hof van Justitie EU zelf blijkt dat de grondrechten zich niet verzetten tegen de deelname van een rechtscollege aan een rechtspleging waarin het betrokken is. Het Hof heeft de gestelde prejudiciële vragen trouwens als één geheel beantwoord, waarin besloten ligt dat het verstrekte antwoord ook de hypothese dekt waarin de mededingingsautoriteit organiek als een rechtscollege is ingesteld.

Er bestaat dus geen reden om het Hof hierover nader te bevragen.

30. Ook in het licht van de voorgehouden schending van het gelijkheidsbeginsel, doordat een rechtscollege, of een orgaan hiervan zou kunnen deelnemen aan een rechtspleging betreffende een beslissing die het heeft getroffen, terwijl zulks voor alle andere rechtscolleges niet mogelijk is, bestaat er geen reden om het Grondwettelijk Hof hierover te bevragen.

Boven werd al aangegeven dat de Raad voor de Mededinging in menig opzicht een bijzonder administratief rechtscollege is, dat verregaande inquisitoriale bevoegdheden uitoefent en ageert in het algemeen economische belang. Uit de WBEM blijkt overigens ook dat de uitoefening van rechtsmacht door het hof ten aanzien van de beslissingen van de Raad voor de Mededinging, terdege verschilt van de wijze waarop ze gewoonlijk rechtsmacht uitoefent.

Er blijkt aldus een verregaand verschil voorhanden ten aanzien van de andere rechtscolleges, dat kan wettigen dat de Raad participeert aan een rechtspleging betreffende zijn beslissingen in tegenstelling tot de gewone of de andere administratieve rechtscolleges.

Over de tussenvordering inzake de betaalde boete.

31. Appellante vordert dat de ‘Minister van economische zaken, Fod Economie, Dienst Mededinging, zou worden veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van de boete van 29.121 euro die haar door de bestreden beslissing werd opgelegd.

Ze voert aan dat de bestreden beslissing haar nooit behoorlijk werd aangezegd, dat ze betaalde onder voorbehoud van het ingestelde beroep en dat de overheid in gebreke blijft om de wettelijke omstandigheden te creëren waarop ze gerechtigd is om haar beroep tegen haar veroordeling te benaarstigen.

32. Artikel 76§4, vierde lid WBEM bepaalt dat het hof in voorkomend geval kan bevelen dat het betaalde bedrag van de geldboeten en dwangsommen aan de betrokkene wordt terugbetaald. Het bepaalt eveneens dat het hof zich ook niet onmiddellijk hoeft uit te spreken over de teruggave van de betaalde geldboeten of dwangsommen.

Het vermelde voorschrift vormt een onderdeel van de wetsbepalingen die het beginsel invoeren van de niet opschortende werking van het beroep tegen beslissingen van de Raad voor de Mededinging of die van zijn voorzitter en die de modaliteiten bepalen waaronder de schorsing van de tenuitvoerlegging niettemin kan worden beslist indien hierom wordt gevraagd.

33. Uit het geheel van de voorschriften in artikel 76§4 WBEM volgt dat het hof op een vordering tot terugbetaling van geldboeten of dwangsommen kan ingaan binnen het bestek van de procedure waarbij de schorsing, geheel of gedeeltelijk, van de bestreden beslissing wordt nagestreefd.

Appellante heeft evenwel niet om schorsing van de bestreden beslissing verzocht, maar vraagt de terugbetaling als een incidentele vordering tijdens de behandeling van de grond van het beroep.

34. Zodoende dient de incidentele vordering tot terugbetaling in de huidige stand van het geding te worden verworpen.

OM DEZE REDENEN

HET HOF,

In acht genomen de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, inzonderheid artikel 24 ervan,

Zegt dat het Auditoraat bij de Raad voor de Mededinging in de huidige stand van de regelgeving niet kan worden gehoord als tegenpartij in de zin van het prejudicieel arrest.

Verwerpt de incidentele vordering van appellante om de Minister die de Economie onder zijn bevoegdheid heeft te veroordelen tot terugbetaling van de boete van 29.121 euro.

De zaak wordt voor behandeling ten gronde vastgesteld op de terechtzitting van 25 januari 2012 om 9.00 uur voor de achttiende kamer van dit hof voor een duur van maximaal 120 minuten.

*********

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke te¬rechtzitting van de kamer 18 van het hof van beroep te Brussel op 8 november 2011,

Waar aanwezig waren :

Free keywords

  • geldboete

  • artikel 2 WBEM

  • mededingingsautoriteit (orgaan of organen) als verwerende partij in procedure in rechte aangaande een beslissing genomen door de autoriteit

  • gebrek unieregeling

  • hoedanigheid auditoraat