- Arrêt of November 8, 2011

08/11/2011 - 2011kr108

Case law

Summary

Samenvatting 1

De toepassing van artikel 584 Gr. W. inzake het kortgeding vereist speisendheid. Een vordering is spoedeisend wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om een schade van bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen. Het is de gevraagde maatregel die urgent moet zijn. De spoedeisendheid wordt in hoger beroep beoordeeld op het ogenblik van de uitspraak.

Het kort geding is in beginsel een buitengewone procedure en wordt door

de eiser die zich op klaarblijkelijk bedreigde rechten beroept slechts op legitieme wijze gebruikt wanneer hij aantoont dat zonder de vandaag door hem gevorderde doeltreffende maatregel, zijn rechten onherstelbaar geschaad, of minstens ernstig bedreigd zouden worden.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2011/

A.R. nr. 2011/KR/108

INZAKE VAN :

De heer T., geboren te Saap Galding, CHINA (Tibet) op 15 oktober 1975, wonende te 3000 LEUVEN, Vlamingenstraat 23, 1e kamer 3,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 7 april 2011,

vertegenwoordigd door Meester Jacques VANDEUREN, advocaat te 1200 BRUSSEL, Ter Kamerenstraat 22c,

1ste kamer

TEGEN :

1) De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, Dienst Vreemdelingenzaken, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Antwerpsesteenweg 59b,

eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Edda MATTERNE, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 391 bus 11-12,

2) Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Vlaamse Minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 19, en waarvan de dienst bevoegd om deze betekening te ontvangen, met name het Kabinet van de Voorzitter van de Vlaamse Regering, gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Koolstraat 35,

tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Dirk DE GREEF, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30,

De toepassing van artikel 584 Gr. W. inzake het kortgeding vereist speisendheid. Een vordering is spoedeisend wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om een schade van bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen. Het is de gevraagde maatregel die urgent moet zijn. De spoedeisendheid wordt in hoger beroep beoordeeld op het ogenblik van de uitspraak.

Het kort geding is in beginsel een buitengewone procedure en wordt door

de eiser die zich op klaarblijkelijk bedreigde rechten beroept slechts op legitieme wijze gebruikt wanneer hij aantoont dat zonder de vandaag door hem gevorderde doeltreffende maatregel, zijn rechten onherstelbaar geschaad, of minstens ernstig bedreigd zouden worden.

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 7 april 2011.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2 De feiten

De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt:

"

Eiser verblijft sedert 2001 in België.

Eiser heeft sedert geruime tijd een relatie met mevrouw K. D. S.. Uit deze relatie is een kind geboren, S. S. (22 december 2007).

Op 22 oktober 2001 diende eiser een asielaanvraag in, welke bij beslissing van 23 november 2001 door de Dienst voor Vreemdelingenzaken werd geweigerd.

In aanleg van beroep bevestigde de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen op 25 februari 2002 de beslissing tot weigering van de asielaanvraag, waarna eiser op 18 juni 2002 van zijn vrijheid werd beroofd met het bevel het grondgebied te verlaten en met beslissing tot teruggeleiding.

Aangezien eiser in Tibet is geboren, wilden noch China, noch Nepal hem ontvangen, en werd hij in vrijheid gesteld.

Op 2 augustus 2002 vroeg eiser een machtiging tot verblijf, verzoek dat bij beslissing van 17 november 2005 door de dienst Vreemdelingzaken werd afgewezen.

Een tweede aanvraag tot regularisatie werd op 26 januari 2006 ingediend, verzoek dat eveneens door de dienst Vreemdelingzaken bij gebreke aan buitengewone omstandigheden werd afgewezen (beslissing 3 juli 2006).

Bij beslissing van 10 augustus 2006 werd de vraag tot verlenging van het bevel om het grondgebied te verlaten geweigerd.

Bij verzoekschrift van 16 maart 2007 stelde eiser een vordering in voor deze rechtbank, waarbij werd gevraagd het statuut van staatloze te bekomen, vordering waaromtrent op heden nog geen uitspraak werd gedaan.

Bij presidentiële beschikking van 28 juli 2008 gewezen door deze rechtbank werd de vordering van eiser tot het bekomen van een verblijfstitel en arbeidsvergunning door eerste verweerder als ongegrond afgewezen, beschikking die in aanleg van beroep bij arrest van 20 januari 2009 door het hof van beroep te Brussel werd bevestigd.

Op 11 maart 2009 dient eiser een nieuwe aanvraag in tot machtiging voor verblijf, aangevuld door een verzoekschrift van 30 november 2009; de aanvraag werd voor advies overgemaakt aan het parket van de Procureur des Konings te Leuven.

Bij vonnis van 29 maart 2010 gewezen door de arbeidsrechtbank te Leuven werden eiser een beperkte financiële steun toegekend vanwege het OCMW te Leuven.

"

De heer T. heeft op 18 januari 2011 de BELGISCHE STAAT, het VLAAMSE GEWEST en de VLAAMSE GEMEENSCHAP gedagvaard in kort geding.

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderde de heer T.:

- de veroordeling van de BELGISCHE STAAT tot het bevelen aan de gemeente of aan de dienst Vreemdelingenzaken hem een tijdelijke verblijfstitel uit te reiken

- de veroordeling van het VLAAMSE GEWEST tot het geven van instructies aan de cel Migratie van het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie om hem een tijdelijke arbeidsvergunning uit te reiken

- de afgifte van deze documenten te bevelen onder verbeurte van een dwangsom van 2 500,00 EUR per dag vertraging

- de veroordeling van verweerders, hoofdelijk, in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, tot de gerechtkosten.

De heerT. vorderde dus niets van de VLAAMSE GEMEENSCHAP, behalve de kosten.

De BELGISCHE STAAT vroeg de rechtbank zich zonder rechtsmacht te verklaren, ondergeschikt de vordering ongegrond te verklaren, nog meer ondergeschikt de geldigheidsduur van de bevolen maatregel te verbinden aan de aan de verplichting binnen de maand na de datum van de beschikking te dagvaarden voor de bevoegde rechter.

Het VLAAMSE GEWEST en de VLAAMSE GEMEENSCHAP concludeerden tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering voor zover gericht tegen de VLAAMSE GEMEENSCHAP. Voor het overige vroegen zij de rechtbank zich zonder rechtsmacht te verklaren, ondergeschikt de vordering ongegrond te verklaren.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vordering van de heerT. niet toelaatbaar voor zover gericht tegen de VLAAMSE GEMEENSCHAP, en voor het overige ontvankelijk maar ongegrond.

3.3

In hoger beroep herneemt de heerT. zijn oorspronkelijke vordering; hij heeft de VLAAMSE GEMEENSCHAP niet betrokken in het hoger beroep.

De BELGISCHE STAAT en het VLAAMSE GEWEST concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep hernemen zij hun oorspronkelijke verweer met betrekking tot de rechtsmacht van de rechter.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De grond van het hoger beroep

4.1.1 De rechtsmacht van de rechter in kort geding

Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat de rechter in kort geding rechtsmacht heeft om aan de overheid welbepaalde bevelen op te leggen wanneer de uitvoering daarvan nodig is tot voorkoming of tot stopzetting van een aantasting van subjectieve rechten. De heerT. voert inderdaad aan dat zijn subjectieve rechten, die hij put uit onder meer verscheidene bepalingen van het EVRM, geschonden worden en dat de door hem gevraagde tijdelijke vergunningen van aard zijn die schendingen te beëindigen. De kort geding rechter kan in beginsel die bevelen opleggen zonder daarbij zich in de plaats te stellen van de overheid.

Of er daadwerkelijk subjectieve rechten lijken te (zullen) worden geschonden, behoort tot de grond van de zaak.

4.1.2 De grond van de vordering

Even terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat de vordering niet de spoedeisendheid heeft die artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek vereist.

Een vordering is spoedeisend wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om een schade van bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen . Het is de gevraagde maatregel die urgent moet zijn . De spoedeisendheid wordt in hoger beroep beoordeeld op het ogenblik van de uitspraak.

Het kort geding is in beginsel een buitengewone procedure en wordt door de eiser die zich op klaarblijkelijk bedreigde rechten beroept slechts op legitieme wijze gebruikt wanneer hij aantoont dat zonder de vandaag door hem gevorderde doeltreffende maatregel, zijn rechten onherstelbaar geschaad, of minstens ernstig bedreigd zouden worden. In deze maakt de heerT. niet duidelijk, laat staan bewijst, dat de toekenning van het gevraagde wenselijk is om onherstelbare schade van een bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen.

Ten onrechte meent de heerT. dat de spoedeisendheid volgt uit het moeilijk te herstellen nadeel op basis van het illegale verblijf en de vrees voor arrestatie en uitzetting. Zijn asielaanvraag en zijn vraag tot regularisatie werden reeds in 2001 en 2006 definitief afgewezen. Zijn vordering in kort geding tot het bekomen van wat hij vandaag opnieuw vraagt, werd bij arrest van 20 januari 2009 door dit hof afgewezen, op grond van de overweging dat er geen spoedeisendheid was. Uit niets blijkt dat daaraan vandaag, tweeënhalf jaar later, iets is gewijzigd. De heerT. dreigt nog steeds niet verwijderd te worden van het grondgebied, en hij heeft sindsdien een beperkte steun verkregen van het OCMW.

Er is derhalve geen spoedeisendheid in de zin van artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek. Dat de snelle behandeling van de vordering en toekenning van het gevraagde praktisch is voor de heerT., volstaat daartoe niet.

5 De kosten

De heerT. vraagt voor de rechtsplegingsvergoeding de toepassing van het minimumbedrag gelet op zijn beperkte financiële draagkracht. De realiteit daarvan kan inderdaad afgeleid worden uit de vermelde OCMW-steun. De BELGISCHE STAAT stemt overigens in met het verzoek; het VLAAMSE GEWEST niet.

Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt het minimumbedrag gelet op de niet waardeerbaarheid van de vordering (geïndexeerd) 82,50 EUR.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt de heerT. tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot

- in hoofde van hemzelf op euro 221,50 (139 rolrecht + 82,50 rechtsplegingsvergoeding),

- in hoofde van de BELGISCHE STAAT op euro 82,50 rechtsplegings-vergoeding, en

- in hoofde van het VLAAMSE GEWEST op euro 82,50 rechts-plegingsvergoeding;

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 8/11/2011

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Free keywords

  • Kortgeding. Spoedeisend. Definitie. Vreemdelingenwetgeving