- Arrêt of April 14, 2011

14/04/2011 - 2008-AR-2766

Case law

Summary

Samenvatting 1

Aangepaste suggestie:

Het ziekenfonds kan ten aanzien van de burgerlijk aansprakelijkheid verzekeraar in geval van onvoldoende dekking, niet bij voorrang ten nadele van haar verzekerde aanspraak maken op de toekenning van haar subrogatoire vordering.


Arrêt - Integral text

HOF VAN BEROEP

TE GENT

***

1e kamer

***

terechtzitting

van

14 april 2011

2008/AR/2766

in de zaak van:

LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, wettelijke ziekteverzekeraar,

met maatschappelijke zetel te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579,

ingeschreven met KBO-nummer 0411.702.453,

appellante,

hebbende als raadsman mr. DELAGRANGE Geert, advocaat te 8500 KORTRIJK, Kasteelkaai 1 A

tegen:

1. M.............. M............, invalide,

wonende te ...................................,

eerste geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. BUSSCHAERT Frédéric, advocaat te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 26 A

2. AVIABEL N.V., verzekeringsonderneming,

met maatschappelijke zetel te 1050 BRUSSEL, Louisalaan 54,

ingeschreven met KBO-nummer 0403.248.004,

tweede geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. BERNAUW Kristiaan, advocaat te 9000 GENT, F. Rooseveltlaan 190

3. VLAAMS AGENTSCHAP VOOR PERSONEN MET EEN HANDICAP,

met maatschappelijke zetel te 1030 BRUSSEL, Sterrenkundelaan 30,

derde geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. RUPPEL Dirk, advocaat te 9000 GENT, Ganzendries 19

wijst het hof het volgend arrest:

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 13 november 2008 heeft de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis van 30 juni 2008 op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, zevende kamer.

De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien.

voorgaanden

Op 7 december 2003 was M.............. M...................... het slachtoffer van een vliegtuigongeval. Hij overleefde het ongeval maar is verlamd en meer dan 66 % arbeidsongeschikt.

M............... M................ heeft tussenkomsten en vergoedingen bekomen vanwege zijn ziekenfonds, de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten. Tevens heeft hij vergoedingen ontvangen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.

Beiden zijn wettelijk gesubrogeerd in de rechten van M......... M...............

De nv Aviabel is de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid van de piloot van het vliegtuig waarmee het ongeval zich heeft voorgedaan.

De waarborg is beperkt tot euro 123.946,76 per passagier. Nu reeds staat vast dat mocht de aansprakelijkheid van de piloot betrokken zijn, het gewaarborgd kapitaal onvoldoende is om alle schade te vergoeden.

De eerste rechter heeft bij tussenvonnis van 30 juni 2008 geoordeeld dat wanneer de aansprakelijke niet voldoende draagkrachtig is of indien er onvoldoende financiële dekking is bij de verzekeraar van de aansprakelijke het preferentierecht van het ziekenfonds niet geldt en dat in dit geval het slachtoffer, op grond van art. 1252 BW, voorrang heeft op het ziekenfonds.

Verder overweegt de eerste rechter dat de voorrang van het slachtoffer enkel geldt voor de schadeposten die verrekend zijn door de mutualiteit, namelijk de medische kosten en de arbeidsongeschiktheid. Voor andere schadeposten is er samenloop tussen het slachtoffer en de mutualiteit en gebeurt de verdeling pondspondsgewijs.

Hetzelfde geldt ten aanzien van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap.

Het debat werd heropend teneinde de partijen toe te laten de zaak ten gronde in staat te stellen.

De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten kan zich met het bestreden vonnis niet verzoenen omdat het verhaal van het ziekenfonds, geregeld in art. 136 ZIV-wet, een eigen karakter heeft en feitelijk een eigen recht is waarop art. 1252 BW geen toepassing vindt.

Zij vraagt dat gezegd wordt voor recht dat zij bij voorrang gerechtigd is op integrale vergoeding ten laste van de nv Aviabel en dat deze laatste zou worden veroordeeld tot het betalen van de provisionele som van euro 176.199,80, minstens ten belope van de waarborgsom van euro 123.946,76, meer vergoedende rente vanaf de data van de betalingen, gemiddeld vastgesteld op 1 augustus 2004, de gerechtelijke rente en de kosten.

M........... M................ vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. Voor zover geoordeeld zou worden dat hij geen rechtstreekse vordering heeft op grond van art. 86 van de Wet op de landverzekeringsovereenkomsten vraagt hij de toekenning van de vordering op grond van art. 20, 9° hypotheekwet.

Ondergeschikt stelt hij dat mocht geoordeeld worden dat in geval van samenloop het ziekenfonds wél over een voorrangsrecht beschikt ten aanzien van hem, dit voorrangsrecht enkel kan worden uitgeoefend op die bedragen die door de nv Aviabel worden uitgekeerd en die betrekking hebben op dezelfde schadeposten die door het ziekenfonds werden voorgeschoten. Er wordt, in dit geval, een voorbehoud gevraagd om de schadeposten te ventileren.

De nv Aviabel argumenteert dat:

- M.............M............... en de in zijn rechten gesubrogeerde verzekeraars ten onrechte voorhouden dat zij op grond van art. 86 Wet op de landverzekeringsovereenkomsten een rechtstreekse vordering op haar hebben;

- de aansprakelijkheid van haar verzekerde niet vaststaat en de bedoeling van het geding enkel was te beslechten ten aanzien van welke procespartijen en in welke mate de nv Aviabel in voorkomend geval uitkeringen zou moeten doen;

- het bedrag van euro 123.946,76 de maximale waarborg betreft met inbegrip van alle kosten, uitgaven, erelonen en intresten;

- art. 136 ZIV-wet niet afwijkt van art. 1252 BW, zodat M........... M...................... voorrang geniet ten opzichte van zijn ziekenfonds, minstens dat de prioriteit enkel kan gelden voor de schadeposten medische kosten en dagvergoedingen.

In haar laatste conclusie stelt de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten dat voor zover zij over geen rechtstreeks vorderingsrecht zou beschikken, zij een zijdelingse vordering heeft in de zin van art. 1166 BW.

beoordeling

a. voorrang van het ziekenfonds en het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap

Wanneer het ziekenfonds betalingen verricht aan één van haar leden, dan voldoet zij daarmee een eigen wettelijke schuld. Omdat het niet de bedoeling is dat de gemeenschap instaat voor kosten die door een aansprakelijke derde werden veroorzaakt, heeft de wetgever bepaald dat het ziekenfonds in dergelijke gevallen gesubrogeerd wordt in de rechten van haar verzekerde. Vermits het ziekenfonds betaalt op basis van een eigen schuld spreekt men in deze gevallen van "quasi subrogatie" (zie en vgl. R. Kruithof, H. Bocken, F. De Ly en B. De Temmerman, Overzicht van rechtspraak (1981-1992) Verbintenissen, TPR, 1994, 699).

De vraag stelt zich of art. 1252 BW dat de verwoording is van het adagium Nemo contra se subrogasse censetur van toepassing is op de quasi subrogatoire vordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten.

Art. 1252 BW luidt als volgt:

"De indeplaatsstelling, bij de vorige artikelen bepaald, heeft plaats zowel tegen de borgen als tegen de schuldenaars: zij vermag niet de schuldeiser te benadelen, wanneer deze slechts gedeeltelijk betaald is; in dit geval kan hij zijn rechten, voor wat hem nog verschuldigd blijft, uitoefenen bij voorkeur boven degene van wie hij slechts een gedeeltelijke betaling bekomen heeft.".

De voorgaande artikelen waarvan sprake betreffen de artikelen 1249 tot en met 1251 BW. In 1249 BW is bepaald dat de indeplaatsstelling geschiedt bij overeenkomst of krachtens de wet. Art. 1250 BW heeft betrekking op de indeplaatsstelling bij overeenkomst, terwijl in art. 1251 BW een opsomming wordt gegeven van de verschillende gevallen waarin de indeplaatsstelling van rechtswege geschiedt.

Het is niet omdat de indeplaatsstelling van het ziekenfonds verwoord in art. 136 ZIV-wet, niet is opgenomen in de opsomming van de gevallen waarin de indeplaatsstelling van rechtswege gebeurt (art. 1251 BW), dat deze indeplaatsstelling, met een weliswaar specifiek karakter, niet zou te beschouwen zijn als een indeplaatsstelling krachtens de wet (art. 1249 BW).

In de ZIV-wet worden de toepassing van art. 1252 BW, noch de daarin verwoorde principes uitgesloten. Het aan het ziekenfonds toegekend preferentierecht in gevallen van gedeelde aansprakelijkheid omwille van een samenlopende fout van een verzekerde, staat hier los van en betreft een andere problematiek.

Daarbij moet worden opgemerkt dat zelfs indien art. 1252 BW niet van toepassing zou zijn op de subrogatoire vordering van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, de ratio legis van de ZIV-wet er zich tegen verzet dat zij bij voorrang ten aanzien van haar verzekerde zou worden vergoed ingeval van insolvabiliteit van de derde aansprakelijke.

Het slachtoffer van een fout van een derde heeft principieel recht op de volledige vergoeding van zijn schade, waaronder alle medische kosten. Teneinde te beletten dat een slachtoffer in de kou zou blijven staan (in geval van bijvoorbeeld insolvabiliteit van de aansprakelijke) of heel lang op de vergoeding van die kosten zou moeten wachten (in geval van bijvoorbeeld betwisting van de aansprakelijkheid) is in art. 136 §2 ZIV-wet bepaald dat de prestaties slechts geweigerd worden indien voor de schade voortvloeiende uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in het gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend. Belopen de bedragen welke krachtens die wetgeving of het gemeen recht worden verleend minder dan de prestaties van de verzekering, dan heeft de rechthebbende recht op het verschil ten laste van de verzekering.

De ZIV-wet beoogt met andere woorden een minimumvergoeding te garanderen aan het slachtoffer van een ongeval waarvoor een derde aansprakelijk is. Vermits geen werkelijke, in deze volledige, schadevergoeding kan bekomen worden van de nv Aviabel (gelet op de zeer beperkte dekking), kan de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten niet bij voorrang ten nadele van haar verzekerde, wiens bescherming precies beoogd wordt, aanspraak maken op de toekenning van haar subrogatoire vordering. Deze voorrang komt toe aan het onvolledig vergoed slachtoffer, zijnde M.......M........... (zie en vgl. C. Persyn, Problemen bij de samenloop van vergoedingsregelingen: het gemene recht, arbeidsongevallen en ziekteverzekering, RW, 1990-1991, 290; Rb. Antwerpen, 23 maart 1979, RW, 1980-1981, 134, vergelijkbare problematiek aangaande het Sluitingsfonds, Cass., 6 december 1982, RW, 1982-1983, 1802 met concl. adv.- gen. Lenaerts).

Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten niet bij voorrang ten aanzien van haar verzekerde, M........... M................., aanspraak kan maken op de vergoedingen die de nv Aviabel eventueel verschuldigd zal zijn.

Het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap heeft ter zitting verklaard zich naar de wijsheid van het hof te gedragen.

Zij heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld zodat zij moet geacht worden het vonnis van de eerste rechter te hebben aanvaard daar waar hij stelt dat op basis van het decreet van 8 mei 2002 ten aanzien van haar dezelfde principes gelden als ten aanzien van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten.

b. toepassing van deze principes

M............ M.................... heeft als slachtoffer van een ongeval recht op de volledige vergoeding van de door hem geleden schade voor zover de verzekerde van de nv Aviabel daarvoor aansprakelijk zou zijn.

De eerste rechter heeft gesteld dat een pondspondsgewijze verdeling van de eventueel verschuldigde vergoeding in functie van de verschillende schadeposten moet gebeuren en dat dan binnen de schadeposten waarvoor M............. M................. vergoeding heeft genoten ten laste van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, dan wel het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, hij bij voorrang dient te worden vergoed.

M................ M.................... neemt ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis een tegenstrijdige houding aan. Enerzijds vraagt hij dat het bestreden vonnis zou worden bevestigd, anderzijds vraagt hij dat de nv Aviabel veroordeeld zou worden het volledig verzekerd bedrag aan hem uit te keren. Deze laatste vraag is in strijd met de wijze waarop de eerste rechter heeft beslist dat het verzekerd bedrag zal moeten worden uitgekeerd voor zover de verzekerde van de nv Aviabel aansprakelijk zou worden gesteld.

De eerste rechter kan op dit punt niet gevolgd worden.

Het is niet zo dat elke schadepost als een afzonderlijke vordering moet worden beschouwd. Het zijn deelvorderingen gesteund op dezelfde rechtsgrond van een gehele vordering die de vergoeding beoogt van de volledige schade geleden door het slachtoffer.

Dit betekent dat de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten en het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap maar aanspraak kunnen maken op vergoeding vanwege de verzekeraar wanneer de volledige schade (behoudens het deel waarvoor hij een tussenkomst van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten en het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap genoten heeft) geleden door M............ M......................... is vergoed en er nog een verzekerd saldo overblijft. Op dit saldo kunnen zij dan pondspondsgewijs aanspraak maken.

Gelet op de beperkte verzekeringswaarborg en de zeer zware gevolgen die het ongeval voor M............ M................... hebben gehad, is deze laatste mogelijkheid ten aanzien van de verzekeraar als hypothetisch te beschouwen.

c. omvang van de waarborg

De verzekeringspolis op grond waarvan de nv Aviabel gehouden kan zijn de schadelijders van het ongeval van 7 december 2003 te vergoeden, betreft een polis die de burgerlijke aansprakelijkheid verzekert in verband met gebruik van een in de bijzondere voorwaarden omschreven motorvliegtuig.

De luchtvaartverzekering valt niet onder de toepassing van de Wet op de landverzekeringsovereenkomsten (de naam van de wet zegt het zelf, zie en vgl. Wetsontwerp op de Landverzekeringsovereenkomst Memorie van Toelichting en Cass. 23 maart 2006, www.cass.be), zodat art. 82 van deze wet met betrekking tot de betaling door de verzekeraar van de hoofdsom, de intresten en de kosten niet van toepassing is.

Overeenkomstig de bijzondere voorwaarden bedraagt de maximale waarborg euro 123.946,76 per passagier. In deze som zijn overeenkomstig art. 16 van de algemene polisvoorwaarden alle kosten van behandeling, intresten, uitgaven en erelonen van alle aard, gerechtelijke, buitengerechtelijke en andere inbegrepen.

Voor zover zou blijken dat de nv Aviabel tot tussenkomst gehouden is, zal met deze bepaling rekening moeten worden gehouden op het ogenblik van de uitkering van de waarborg.

d. vordering tot veroordeling

Uit het proces-verbaal van vrijwillige verschijning blijkt dat het de aanvankelijke bedoeling van de partijen was dat enkel voor recht zou worden gezegd aan wie de nv Aviabel op bevrijdende wijze tot betaling van de verzekerde som zou kunnen overgaan, dit voor zover de aansprakelijkheid van haar verzekerde zou komen vast te staan.

In de loop van de procedure voor de eerste rechter hebben M............. M...................., de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten en het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap hun vordering uitgebreid in die zin dat zij elk de veroordeling vorderen van de nv Aviabel om tot uitbetaling van de verzekeringswaarborg over te gaan.

De eerste rechter heeft het debat heropend teneinde de partijen toe te laten de zaak ten gronde in staat te stellen. Er dient echter eerst onderzocht te worden of de nv Aviabel, voor zover zou geoordeeld worden dat haar verzekerde aansprakelijk is voor het ongeval, wel ten aanzien van M............ M..................... en/of de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten en/of het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap veroordeeld kan worden om tot betaling van de verzekeringswaarborg over te gaan.

Het hof treedt het standpunt van de nv Aviabel bij dat van een dergelijke veroordeling geen sprake kan zijn.

M.......... M........... verwijst naar art. 86 van de Wet op de landverzekeringsovereenkomsten. Zoals reeds hoger gezegd is deze wet niet van toepassing en kan hij daaruit geen rechtstreeks vorderingsrecht putten.

M........... M.................... heeft evenmin op grond van art. 20, 9 ° Hypotheekwet een rechtstreekse vordering ten aanzien van de nv Aviabel. Het biedt hem een voorrecht doch voor de uitoefening ervan moet hij eerst ten aanzien van de aansprakelijke of ten aanzien van de aansprakelijke en de nv Aviabel samen, een uitvoerbare titel bekomen.

De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten en het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap kunnen niet meer rechten laten gelden dan degene in wiens rechten zij zijn gesubrogeerd. Dit betekent dat bij gebrek aan rechtstreekse vordering van hun verzekerde ten aanzien van de verzekeraar van de aansprakelijke zij evenmin een rechtstreekse vordering hebben tegen deze verzekeraar.

Tot slot laat de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten gelden dat zij op grond van art. 1166 BW een zijdelings vorderingsrecht zou hebben.

Ter zitting hebben de partijen gemeld dat de zaak ten gronde eveneens voor het hof van beroep te Gent hangende is. De verzekerde van de nv Aviabel heeft aangifte gedaan van het schadegeval en de nv Aviabel is in de procedure betrokken, zodat aan de toepassingsvoorwaarde ervan dat de schuldenaar van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten, zijnde de verzekerde van de nv Aviabel, zou nalaten zijn vordering te benaarstigen, niet is voldaan.

Nu geen van de partijen die aanspraak maken op de verzekeringswaarborg van de nv Aviabel rechtstreeks dan wel zijdelings haar veroordeling kunnen vorderen, heeft het geen zin de zaak voor verdere afhandeling naar de eerste rechter te verwijzen.

e. kosten

De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten en het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap zijn de in hoofdzaak in het ongelijk gestelde partijen. Zij dienen dan ook elk voor de helft in te staan voor de kosten van de procedure in eerste aanleg.

De Landsbond der Christelijke Mutualiteiten dient de kosten van het hoger beroep te dragen aan de zijde van M............ M............... en de nv Aviabel. Het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap dient in te staan voor haar eigen kosten in graad van beroep.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak,

gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, doch ongegrond.

Verklaart het impliciet incidenteel hoger beroep toelaatbaar en gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet.

Zegt voor recht dat M........... M............. bij voorrang ten aanzien van de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten en het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap dient te worden vergoed door de nv Aviabel, dit voor zover de aansprakelijkheid van haar verzekerde zou komen vast te staan en binnen de grenzen van de verzekeringswaarborg, zijnde euro 123.946,76 met inbegrip van alle kosten van behandeling, intresten, uitgaven en erelonen van alle aard, gerechtelijke, buitengerechtelijke en andere.

Verklaart de overige vorderingen ongegrond.

Verwijst de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten en het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap elk voor de helft in de kosten van de procedure in eerste aanleg, die aan hun zijde niet dienen te worden begroot daar zij ten hunne laste blijven, en die aan de zijde van M.......... M............ worden begroot in totaal op euro 5.500,00 rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van de nv Aviabel in totaal op euro 5.500,00.

Verwijst de Landsbond der Christelijke Mutualiteiten in de kosten van de beroepsprocedure, die aan haar zijde niet dienen te worden begroot daar zij ten hare laste blijven, en die aan de zijde van M......... M................. worden begroot op euro 5.500,00 rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van de nv Aviabel op euro 5.500,00.

Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit:

D. FLOREN, kamervoorzitter,

B. WYLLEMAN, raadsheer,

L. TAVERNIER, raadsheer,

en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op VEERTIEN APRIL TWEEDUIZEND EN ELF,

bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier.

Free keywords

  • Art 1252 BW

  • samenloop vorderingen van het ziekenfonds en haar lid.