- Arrêt of June 14, 2011

14/06/2011 - 2010-AR-2998

Case law

Summary

Samenvatting 1

De vraag naar het toepasselijke tarief voor de rechtsplegingsvergoeding moet, wat de complexiteit betreft, beoordeeld worden in het licht van de inspanningen die voor de in het gelijk gestelde partij nodig waren om het geschil te behandelen.

De rechter in hoger beroep kan alle wettelijk voorziene aspecten die relevant zijn voor de vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding in aanmerking nemen en is niet beperkt tot het beoordelen van de criteria die de eerste rechter in overweging nam.

De rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep waarin enkel de betwisting over de omvang van de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg aan de orde is, moet afgestemd worden op de waarde van de vordering waarover in het hoger beroep moet geoordeeld worden, met name het verschil tussen de bedragen die de onderscheiden partijen als rechtsplegingsvergoeding van de eerste aanleg vragen toegekend te zien.


Arrêt - Integral text

Hof van beroep

te Gent

5e kamer

________

terechtzitting

van

14-06-2011

BELASTINGEN

Nr.2010/AR/2998

in de zaak van:

HET VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de persoon van de Vlaamse minister voor Financiën, Begroting, Werk, Sport en Ruimtelijke Ordening, Koning Albert II-laan 19 te 1210 BRUSSEL,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. CORNUT Michel, advocaat te 9050 GENTBRUGGE, Ankerslaan 72

tegen:

REYNIERS HAVENBEDRIJF N.V.,

met maatschappelijke zetel te 9000 GENT, Stapelplein 38; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0456.267.808,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. NORE Delphine loco mr. VAN VLIERDEN Bernard, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Karel Oomsstraat 47A b5

spreekt het Hof het volgend arrest uit:

1. De procedure

Bij verzoekschrift van 22 november 2010 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, op 6 oktober 2010 werd uitgesproken in een zaak waar ook de Belgische Staat vrijwillig was tussengekomen. In het bestreden vonnis werd de vrijwillige tussenkomst ontvankelijk verklaard, werd de hoofdvordering van de geïntimeerde ontvankelijk verklaard maar als ongegrond afgewezen, waarbij verder werd uitspraak gedaan over de gerechtskosten, in het bijzonder in de relatie tussen de appellante en de geïntimeerde (resp. "verweerster" en "eiseres") en wel als volgt:

Veroordeelt de eiseres met betrekking tot de hoofdvordering tot de kosten van het geding als volgt te begroten:

eiseres: 1.000,00 euro

verweerster: 1.000,00 euro

Het hoger beroep heeft enkel betrekking op de uitspraak van de eerste rechter over de gerechtskosten met betrekking tot de hoofdvordering en strekt ertoe van het Hof te bekomen dat het voor de eerste aanleg een rechtsplegingsvergoeding gelijk aan de basisvergoeding toekent, en dus de geïntimeerde zou veroordelen tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding van 2.000,00 euro.

Daarnaast vraagt de appellante ook dat de geïntimeerde tot het dragen van de kosten van het hoger beroep zou worden veroordeeld, kosten die zij vaststelt op een rechtsplegingsvergoeding van 2.000,00 euro.

De geïntimeerde vordert de afwijzing van het hoger beroep en dus de bevestiging van het bestreden vonnis. De geïntimeerde vraagt tevens dat het Hof de appellante zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, kosten die zij vaststelt op een rechtsplegingsvergoeding van 200,00 euro.

De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies,

2. De relevante feitelijke gegevens

De betwisting ten gronde die voor de eerste rechter werd gevoerd houdt verband met volgende aanslagen in de onroerende voorheffing die op naam van de geïntimeerde waren gevestigd met betrekking tot een havenkraan:

• aanslagjaar 2002: kohierartikel 2022806588/16: 11.648,96 euro;

• aanslagjaar 2003: kohierartikel 2032703013/16: 11.684,75 euro en

• aanslagjaar 2004: kohierartikel 2040283876/38: 11.028,58 euro.

Na de inleiding bij verzoekschrift door de geïntimeerde op 24 mei 2006 hebben de partijen zonder conclusiekalender conclusies neergelegd. De appellante heeft een eerste conclusie neergelegd ter griffie op 30 augustus 2006 waarin ze de vordering van de geïntimeerde op alle vlak betwistte; behoudens de grond, betwistte de appellante ook de ontvankelijkheid van de vordering van de geïntimeerde; ze stelde bovendien dat de vordering van de geïntimeerde ook inhield dat geen kadastraal inkomen had mogen zijn toegekend aan de havenkraan, wat volgens haar een vordering was die slechts tegen de Belgische Staat kon worden gesteld.

Op 24 juli 2007 volgde de eerste conclusie van de geïntimeerde waarin ze volhardde in haar bij de inleiding ingestelde vordering en antwoordde op de betwisting omtrent de onontvankelijkheid van de vordering en over de vraag of haar vordering wel op alle punten tegen de appellante kon gesteld worden.

De appellante antwoordde daarop in haar tweede conclusie van 6 december 2007, waarbij zij eveneens op haar zelfde standpunt bleef als in haar eerste conclusie ingenomen.

De geïntimeerde heeft daarop niet meer gerepliceerd.

Op 1 september 2010 heeft de geïntimeerde ter griffie een pleitnota neergelegd met het oog op de openbare terechtzitting van 8 september 2010 waarop de zaak voor de eerste rechter werd behandeld. Daarin argumenteerde de geïntimeerde dat er reden was om bij het vaststellen van de rechtsplegingsvergoeding, in plaats van het basisbedrag (2.000,00 euro) slechts het minimumbedrag (1.000,00 euro) toe te kennen. Zij stelde dat de zaak niet complex was, waartoe ze stelde dat ze slechts één conclusie had opgemaakt gelet op de uitspraak van het Hof van Cassatie in het arrest van 14 februari 2008. Dit standpunt werd kennelijk op de openbare terechtzitting van 8 september 2010 hernomen.

De appellante vroeg de vordering ongegrond te verklaren en aan haar een rechtsplegingsvergoeding van 2.000,00 euro toe te kennen, zijnde het basistarief.

De eerste rechter oordeelde in zijn vonnis van 6 oktober 2010 zoals hoger vermeld: de vordering van de geïntimeerde werd als ongegrond afgewezen; met betrekking tot de vordering tussen de huidige partijen werd de geïntimeerde veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten en in dat verband werd de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld op de minimumvergoeding van 1.000,00 euro. De eerste rechter motiveerde die beslissing als volgt:

De rechtbank is van oordeel dat de zaak een geringe complexiteit heeft en dientengevolge het minimumbedrag ten belope van 1.000,00 euro kan worden toegekend.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. De grieven en argumenten van de partijen

3.1. Het standpunt van de appellante

De appellante is van oordeel dat er geen reden was om af te wijken van de basisvergoeding voor de rechtsplegingsvergoeding.

Vermits de eerste rechter het toekennen van de minimumvergoeding steunde op het gebrek aan complexiteit van de zaak, zou alleen die reden tot afwijken van het basisbedrag aan de orde zijn. Of het toekennen van het basisbedrag kennelijk onredelijk zou zijn en of de economische situatie van de beide partijen verschillend is, zou daarom niet moeten worden nagegaan.

Bovendien betwist de appellante dat het ‘kennelijk onredelijk' zou zijn om het basistarief toe te passen.

De appellante benadrukt dat zij voor de eerste rechter tweemaal conclusies heeft genomen en dat het niet om pro forma conclusies ging of om bladvulling, maar dat het om een grondige betwisting over de zaak ging. Pas na die twee conclusies zou de zaak minder complex geworden zijn als gevolg van het feit dat de geïntimeerde zich naar de wijsheid gedroeg gelet op de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Daarmee zou geen rekening mogen gehouden worden om het tarief van de rechtsplegingsvergoeding dat aan de appellante toekomt, te beoordelen. De eerste rechter zou ten onrechte abstractie gemaakt hebben van het werk dat de advocaat van de appellante heeft moeten leveren.

Daarnaast vraagt de appellante ook voor de procedure in hoger beroep een rechtsplegingsvergoeding van 2.000,00 euro (ondertussen te indexeren naar 2.200,00 euro), namelijk gebaseerd op de waarde van de vordering overeenkomstig artikel 557 Ger.W. Daaruit zou moeten afgeleid worden dat de som die in de inleidende akte voor de eerste rechter werd geëist, het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bepaalt, ook in hoger beroep.

De appellante stelt dat het Gerechtelijk Wetboek niet verbiedt om hoger beroep in te stellen met betrekking alleen tot de gerechtskosten. Dat de Hoge Raad voor de Justitie bij de wetswijziging van 2007 had voorgesteld om een dergelijk hoger beroep onmogelijk te maken, zou daaraan niets veranderen vermits de wetgever uiteindelijk dat advies niet gevolgd heeft. Het zou dan ook niet kennelijk onredelijk zijn om de basisvergoeding toe te kennen.

3.2. Het standpunt van de geïntimeerde

De eerste rechter heeft volgens de geïntimeerde de zaak terecht als niet-complex gekwalificeerd, vermits het ingevolge het tussenkomen van het arrest van het Hof van Cassatie van 14 februari 2008 tot één conclusie voor de beide partijen kon blijven.

Bovendien zou het kennelijk onredelijk zijn om een basisvergoeding toe te kennen gelet op het grote verschil tussen de respectieve economische, financiële situaties van de partijen.

Met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, stelt de geïntimeerde dat de waarde van de vordering slechts slaat op het supplement van 1.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding voor de eerste aanleg. Nu de zaak niet complex is, en het procederen in hoger beroep uitsluitend gebeurt om een hogere rechtsplegingsvergoeding te bekomen (de geïntimeerde laat opmerken dat de Hoge Raad voor de Justitie in zijn advies met betrekking tot de wijziging van de regeling van de rechtsplegingsvergoeding vroeg om uitdrukkelijk te bepalen dat geen rechtsmiddel zou kunnen worden aangewend tegen een vonnis met betrekking alleen tot de rechtsplegingsvergoeding), vraagt zij de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen op 200,00 euro (ondertussen geïndexeerd naar 220,00 euro).

4. De beoordeling

4.1. De rechtsplegingsvergoeding van de eerste aanleg

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegings-vergoeding.

In het geval — zoals hier — waarin één partij volledig gelijk krijgt, moet alleen de rechtsplegingsvergoeding voor die partij worden vastgesteld. Er moet geen rechtsplegingsvergoeding voor de in het ongelijk gestelde partij worden bepaald.

Vermits de rechtsplegingsvergoeding bepaald wordt als een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van die in het gelijk gestelde partij, moet bij de beoordeling van de omvang van de rechtsplegingsvergoeding een band vermoed worden tussen de (omvang van) prestaties die de betrokken advocaat heeft moeten leveren en die rechtsplegingsvergoeding. Een advocaat maakt immers die bedoelde kosten en erelonen naar aanleiding van die prestaties.

De situatie moet dan ook bekeken worden vanuit het oogpunt van de appellante, met name hoe zij heeft moeten stelling innemen tegen de standpunten van de geïntimeerde. In de eerste conclusie van de geïntimeerde voor de eerste rechter heeft zij op geen enkel vlak toegegeven; er werd niet te verstaan gegeven dat zij zich zou richten naar rechtspraak van het Hof van Cassatie (voor zover ze wist dat deze op komst was). Het in staat stellen van een zaak door middel van een inleidende akte, een conclusie voor de verwerende partij en vervolgens een laatste conclusie voor de eisende partij en ter afsluiting een laatste conclusie voor de verwerende partij (zoals voor de eerste rechter het geval was) is trouwens een volwaardige schriftelijke behandeling van de zaak ter voorbereiding van de pleidooien.

De betwisting was een fiscale zaak met een gemiddelde complexiteit waarvoor het basistarief van de rechtsplegingsvergoeding in verhouding tot de waarde van de concrete vordering van de geïntimeerde in principe correct is.

Er is in elk geval geen reden tot afwijking van het basistarief van de rechtsplegingsvergoeding om redenen van de complexiteit van de zaak.

Het feit dat de eerste rechter alleen naar het gebrek aan complexiteit van de zaak verwees om van de basisvergoeding af te wijken, belet niet dat het Hof, gelet op het feit dat de betwisting in haar geheel aan het Hof wordt voorgelegd, op alle wettelijke gronden tot een dergelijke afwijking kan beslissen.

Het Hof ziet daarvoor nochtans geen redenen. Dat de economische en/of financiële situatie van de appellante verschilt van deze van de geïntimeerde, maakt het toekennen van het basistarief van de rechtsplegingsvergoeding, namelijk 2.000,00 euro, niet onredelijk. Er kan niet worden ingezien op welke manier dat een invloed heeft op de kosten die de appellante aan haar advocaat verschuldigd is voor diens prestaties in het kader van de behandeling van de zaak voor de eerste rechter. De geïntimeerde legt trouwens geen enkel stuk voor met betrekking tot de eigen economische en financiële situatie.

Het hoger beroep is bijgevolg gegrond.

4.2. De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep

Ten onrechte houdt de appellante voor dat de verwijzing naar artikel 557 Ger.W. door artikel 2 van het KB van 26 oktober 2007, ter uitvoering van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, zou meebrengen dat "het bedrag van de vordering" ook in graad van hoger beroep zou gedetermineerd worden door de sommen die in de inleidende akte van de eerste aanleg worden geëist.

Ook het verzoekschrift tot hoger beroep is een inleidende akte. Minstens moet worden aangenomen dat slechts het bedrag van de vordering in hoger beroep determinerend is gelet op de toepassing van artikel 618, 2de lid Ger.W. dat voorziet dat, indien de vordering in de loop van het geding is gewijzigd, de som die in de laatste conclusie wordt gevorderd relevant is. Het spreekt hoe dan ook voor zich dat de waarde van de vordering ingeval van beperkt beroep begrensd wordt tot wat nog in hoger beroep betwist wordt en dus ter beoordeling voorligt. Bijvoorbeeld, wat de complexiteit betreft, kan bezwaarlijk worden rekening gehouden worden met de grond van de zaak nu alleen de gerechtskosten nog ter betwisting staan.

De waarde van de zaak in hoger beroep is gelijk aan het verschil tussen het toegekende minimumtarief en het gevorderd basistarief van de rechtsplegingsvergoeding, zijnde 1.000,00 euro.

Er is geen enkele reden om hier af te wijken van het basistarief. Er is geen sprake van deloyaal procesgedrag van de kant van de appellante. De eerste rechter heeft het standpunt van de geïntimeerde, zoals verwoord in haar pleitnota van 1 september 2010, overgenomen. Dat standpunt was niet correct (zie hoger). De appellante heeft het terecht bestreden.

In verhouding tot de waarde van het geschil, is het basistarief van de rechtsplegingsvergoeding, namelijk 440,00 euro in gepaste verhouding tot de prestaties die de advocaat van de appellante heeft moeten leveren om haar gelijk te behalen.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, vernietigt het bestreden vonnis waar het uitspraak deed over de gerechtskosten;

doet opnieuw recht over de gerechtskosten van de eerste aanleg en zegt voor recht dat de appellante gerechtigd is op een rechtsplegingsvergoeding gerekend aan het basistarief, zijnde een bedrag van 2.000,00 euro;

veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellante:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 440,00 EUR

- aan de kant van de geïntimeerde: nihil

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op VEERTIEN JUNI TWEEDUIZEND EN ELF.

Aanwezig de Heren:

A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. Tillekaerts en D. Vandeputte, Raadsheren,

M. Vanderbeeken, griffier.

Free keywords

  • gerechtelijk recht'

  • rechtsplegingsvergoeding'

  • 'beoordeling door de rechter'

  • 'hoger beroep'