- Arrêt of September 15, 2011

15/09/2011 - 2009-AR-0640

Case law

Summary

Samenvatting 1

Alleen de rechten die de schadelijder heeft ten aanzien van de aansprakelijke en zijn verzekeraar op het ogenblik van de subrogatie worden overgedragen aan de gesubrogeerde. De gesubrogeerde kan zich niet beroepen op stuitingsdaden gesteld door de schadelijder na de betalingen.


Arrêt - Integral text

HOF VAN BEROEP

TE GENT

***

1e kamer

***

terechtzitting

van

15 september 2011

2009/AR/640

in de zaak van:

LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN,

landsbond van ziekenfondsen zoals bepaald in art. 6 van de wet van 06.08.1990,

vertegenwoordigd door de voorzitter van de raad van bestuur, handelend krachtens het algemeen mandaat hem overeenkomstig art. 28 der statuten verleend,

met maatschappelijke zetel te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579 postbus 40,

appellante,hebbende als raadsman mr. VANPARYS Luc, advocaat te 8310 ASSEBROEK, Baron Ruzettelaan 265

tegen:

VIVIUM N.V.,

met maatschappelijke zetel te 1210 BRUSSEL, Koningsstraat 153,

ingeschreven met KBO-nummer 0404.500.094,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. PETITAT Jean-Baptiste, advocaat te 8310 SINT-KRUIS (BRUGGE), Sportstraat 49

wijst het hof het volgend arrest:

Bij verzoekschrift op 6 maart 2009 met de post toegekomen ter griffie van dit hof en op 11 maart 2009 ingeschreven op de daartoe bestemde rol heeft de LCM hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 29 december 2008 op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, eerste kamer.

De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien.

voorgaanden

F........ D............... werd op 24 december 2001 het slachtoffer van een ongeval waarvoor de verzekerde van de nv Vivium, de Vereniging van mede-eigenaars van de Residentie Zeemeermin, bij arrest van het hof van beroep te Gent van 30 september 2005 aansprakelijk werd gesteld.

De LCM is het ziekenfonds van F...........D................ en vordert, als gesubrogeerde in haar rechten, de veroordeling van de nv Vivium tot het betalen van de som van euro 13.302,45, meer vergoedende en gerechtelijke rente.

De LCM heeft op 24 augustus 2007 de nv Vivium in gebreke gesteld, waarop deze laatste bij brief van 25 oktober 2007 haar tussenkomst heeft geweigerd omdat de vordering van de LCM verjaard is. De LCM is van oordeel dat dit niet het geval is omdat de verjaring zou zijn gestuit door het voormeld arrest van het hof van beroep te Gent.

De eerste rechter heeft geoordeeld dat de vordering verjaard is omdat de stuiting waarop de LCM zich beroept dateert van nà het ogenblik van subrogatie. Enkel de stuitingsdaden gesteld door haar verzekerde voor de subrogatie kunnen in aanmerking genomen worden.

De LCM is het oneens met de beoordeling door de eerste rechter van de verjaringsproblematiek en vraagt de toekenning van haar oorspronkelijke vordering.

De nv Vivium vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis.

beoordeling

Wanneer het ziekenfonds betalingen verricht aan één van haar leden dan voldoet zij daarmee een eigen wettelijke schuld. Omdat het niet de bedoeling is dat de gemeenschap instaat voor kosten die door een aansprakelijke derde werden veroorzaakt, heeft de wetgever bepaald dat het ziekenfonds in dergelijke gevallen gesubrogeerd wordt in de rechten van haar verzekerde. Vermits het ziekenfonds betaalt op basis van een eigen schuld spreekt men in deze gevallen van "quasi subrogatie" [zie en vgl. R. Kruithof, H. Bocken, F. De Ly en B. De Temmerman, Overzicht van rechtspraak (1981-1992) Verbintenissen, TPR, 1994, 699].

De LCM stelt dat vermits er sprake is van quasi subrogatie, de stuitingsdaden gesteld door haar lid in wiens rechten zij gesubrogeerd is, ook in haar voordeel gelden, zelfs voor daden die werden gesteld nadat de betalingen werden verricht die het voorwerp van de gesubrogeerde vordering uitmaken.

De quasi subrogatie doet geen afbreuk aan de normaal geldende regels inzake subrogatie wat de verjaring van de vordering betreft.

Alleen de rechten die F.........D......... ten aanzien van de aansprakelijke of zijn verzekeraar, zijnde de nv Vivium, op het ogenblik van de subrogatie bezat, worden mee overgedragen. Vanaf de betaling is de gesubrogeerde derde-betaler, zijnde de LCM, de houder van het vorderingsrecht. Dit impliceert ook dat zij zich niet kan beroepen op daden van stuiting die door de schadelijder werden gesteld na de betaling [zie en vgl. I. Boone, Verhaal van derde-betalers op de aansprakelijke, Intersentia, Antwerpen, 2008, 358; A. Van Oevelen, G. Jocqué, C. Persyn, B. De Temmerman, Overzicht van rechtspraak, Onrechtmatige daad: Schade en schadeloosstelling (1993-2006), TPR, 2007, 1465].

Dat de vorderingen van het slachtoffer en haar ziekenfonds met elkaar verknocht zijn en het preferentierecht van het ziekenfonds inhoudt dat het niet altijd mogelijk is de vordering van het slachtoffer en van het ziekenfonds los van elkaar te beoordelen, houdt niet in dat de normale regels inzake subrogatie en verjaring geen toepassing zouden kunnen vinden.

Ook art. 136 § 2, zesde lid ZIV-wet staat hieraan niet in de weg. Dat de verzekeraar van de aansprakelijke gehouden is het ziekenfonds te verwittigen wanneer hij het voornemen heeft één van haar leden te vergoeden en deze verzekeraar, wanneer hij nalaat aan deze verplichting te voldoen, riskeert twee keer te moeten betalen, houdt evenmin in dat de gesubrogeerde vordering van het ziekenfonds niet aan de gewone regels inzake verjaring zou zijn onderworpen.

Overigens bewijst de LCM niet dat zij niet door de nv Vivium zou zijn verwittigd van haar tussenkomst. Zij spreekt daarover in haar conclusie in de volgende hypothetische zin: "Het kan zijn dat de verzekeringsinstelling zelf geen weet had van het bestaan van een ongeval met een aansprakelijke derde. Zij had dan per definitie zelf de verjaring niet kunnen stuiten.".

Vermits de laatste betalingen van de LCM dateren van april 2002 en zij pas op 12 juni 2008 de nv Vivium heeft gedagvaard in terugbetaling van haar uitgaven heeft de eerste rechter terecht de vordering van de LCM, gelet op de ingetreden verjaring, onontvankelijk verklaard.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak,

gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechts¬zaken;

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, doch ongegrond.

Verwijst de LCM in de kosten van de beroepsinstantie, die aan haar zijde niet dienen te worden begroot daar zij ten hare laste blijven, en die aan de zijde van de nv Vivium vereffend worden op euro 1.210,00 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit:

D. FLOREN, kamervoorzitter,

B. WYLLEMAN, raadsheer,

L. TAVERNIER, raadsheer,

en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op VIJFTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ELF,

bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier.

Free keywords

  • Quasi

  • subrogatie- ziekenfonds-verjaring