- Arrêt of November 7, 2012

07/11/2012 - 2011PGA2382

Case law

Summary

Samenvatting 1

Bestaande constructies waarvan wordt aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarin zij liggen, worden voor de toepassing van de VCRO geacht te zijn vergund.

Als dat vermoeden niet kan worden weerlegd middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of het plaatsen van de constructie, dringt de vrijspraak zich op.

Exotische bomen, planten en struiken zijn geen "vaste of verplaatsbare inrichtingen" waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is, zodat instandhouding of aanplanting ervan geen misdrijf is.

De formule "eerste inwerkingtreding van het gewestplan" in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening verwijst naar de bekendmaking die in de tijd het eerst plaatsvond en maakt abstractie van de bewijsvoeringsproblemen die zich ingevolge het arrest Bourgeois van de Raad van State hadden voorgedaan, maar waarvan het Grondwettelijk Hof bevestigd had dat ze vanaf 1 januari 1994 niet meer konden opgeworpen worden in nieuwe rechtsgedingen tegen bestuursbeslissingen genomen vanaf die datum.


Arrêt - Integral text

Het Hof van Beroep, zitting houdende op 7 november 2012

te Antwerpen, 12e kamer

(...)

4.3.1.2. het vermoeden van vergunning

Beklaagde houdt in zijn beroepsconclusie voor dat de geviseerde constructies, vermeld in de dagvaarding, genieten van het vermoeden van vergunning, zoals bepaald in art. 4.2.14 VCRO.

Art. 4.2.14. §2 VCRO bepaalt dat bestaande constructies waarvan door enig in rechte toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zijn gelegen zijn, voor de toepassing van de VCRO geacht worden te zijn vergund, tenzij het vergund karakter wordt tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of het plaatsen van de constructie.

Het vermoeden van vergunning overeenkomstig art. 4.2.14 VCRO betreft een regel met een materieelrechtelijke draagwijdte, die zowel de overheid als de rechter bindt.

Het gewestplan waarbinnen het perceel van beklaagde gelegen is, is ingevolge het KB van 3 april 1979 in werking getreden op 07.06.1979, zijnde de 15de dag na de publicatie van dit KB in het Belgisch Staatsblad van 23 mei 1979.

Op basis van de door de beklaagde voorgelegde stukken, in het bijzonder de uittreksels uit de kadastrale schets van de gemeente Lummen, 4de afdeling (schetsjaar 1971 en 1979 - stukken 5 en 6 bundel beklaagde) en de luchtfoto genomen op 19.10.1977 door het Nationaal Geografisch Instituut, aanvaardt het hof dat de volgende constructies werden opgericht vóór de inwerkingtreding van het eerste gewestplan Hasselt-Genk, goedgekeurd bij KB van 3 april 1979 (B.S., 23.05.1979, datum inwerkingtreding: 07.06.1979):

- de houten chalet (8 m x 5 m), in het proces-verbaal van 22.05.2001 (stuk 22) en in de dagvaarding omschreven als "een houten tuinberging in de vijver";

- de houten chalet in L-vorm (12,5 m x 14 m) en de kiezelverharding rondom deze chalet;

- de bakstenen constructie, dienstig als overdekt zwembad (17 m x 8,8 m);

- het houten bruggetje;

- de vijver met oeverversteviging;

- de toegangsweg (lengte 50 meter).

Met betrekking tot de houten chalet in L-vorm (12,5 m x 14 m), geeft de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur in zijn schrijven d.d. 20.01.2012 blijk van een verkeerde interpretatie van het uittreksel uit de kadastrale schets van 1979 (stuk 6 bundel beklaagde): de chalet heeft wel degelijk een L-vorm, doch het buitenterras/verharding rondom de chalet heeft een U-vorm. Er wordt niet aangetoond dat hieraan na 1979 nog wijzigingen werden aangebracht, zodat deze chalet overeenkomstig art. 4.2.14. §2 VCRO geacht wordt vergund te zijn.

Het vergund karakter van bovenstaande constructies wordt niet overeenkomstig art. 4.2.14. §2 VCRO tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet-anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van 5 jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie.

Bijgevolg genieten deze constructies overeenkomstig art. 4.2.14. §2 VCRO van het vermoeden van vergunning, zodat de tenlastelegging in hoofde van beklaagde wat deze constructies betreft niet bewezen is, en hij ervan wordt vrijgesproken.

Beklaagde wordt tevens vrijgesproken van de tenlastelegging in zoverre deze betrekking heeft op de (instandhouding van) aanplanting van diverse exotische bomen, planten en struiken, onder meer uitheemse dennen en magnoliastruiken, aangezien dit géén "vaste of verplaatsbare inrichtingen" betreffen waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is.

Het bestreden vonnis wordt met betrekking tot deze punten hervormd.

Met betrekking tot de overige geviseerde constructies, meer bepaald de serre in glas en hout (ca. 1,5 m x 2,5 m), een garage/berging in betonplaten (ca. 5,5 m x 10 m), een hondenhok in betonpalen en betondraad (ca. 2 m x 3 m) en de inkompoort aan de voorzijde (twee houten palen met verbindingsdak), wordt door beklaagde niet aangetoond dat deze constructies werden opgericht vóór de inwerkingtreding van het eerste gewestplan Hasselt-Genk, goedgekeurd bij KB van 3 april 1979.

Beklaagde houdt ten onrechte voor dat de garage/berging in betonplaten (ca. 5,5 m x 10 m) reeds in 1977 aanwezig was op het perceel, hetgeen zou moeten blijken uit de door beklaagde als stuk 9 voorgelegde luchtfoto uit 1977. De garage/berging is echter niet te zien op deze foto, en wordt door beklaagde evenmin als dusdanig aangeduid op de foto, in tegenstelling tot de 2 chalets en het zwembad die door hem wel worden aangeduid op de foto. Op het uittreksel uit de kadastrale schets van 1979 (stuk 6 bundel beklaagde) staat de garage/berging evenmin aangeduid.

Ondanks de vaststelling dat beklaagde de eerste inwerkingtreding van het gewestplan Hasselt-Genk op blz. 7 van zijn conclusies plaatst in 1979 (KB van 3 april 1979), houdt beklaagde vanaf blz. 9 van diezelfde conclusies voor dat de bekendmaking van de gewestplannen niet correct zou zijn verlopen, waardoor de eigenlijke inwerkingtreding van het gewestplan Hasselt-Genk slechts in 1994 zou kunnen gesitueerd worden.

De in art. 4.2.14. §2 VCRO opgenomen formule "eerste inwerkingtreding van het gewestplan" verwijst echter duidelijk naar de bekendmaking die in de tijd het eerst plaatsvond en maakt abstractie van de bewijsvoeringsproblemen die zich ingevolge het arrest Bourgeois van de Raad van State (arrest nr. 21.269 d.d. 16.06.1981) hadden voorgedaan, maar waarvan het Grondwettelijk Hof bevestigd had dat ze vanaf 1 januari 1994 niet meer konden opgeworpen worden in nieuwe rechtsgedingen tegen bestuursbeslissingen genomen vanaf die datum.

Het arrest Bourgeois moet overigens geplaatst worden binnen de algemene bestuursrechtelijke context waarin geldt dat het ter kennis brengen van een eenzijdige bestuurshandeling aan elke belanghebbende een formaliteit is waarvan de niet-naleving of de gebrekkige naleving tot gevolg heeft dat de termijn voor het instellen van beroep tot nietigverklaring niet ingaat en de navolgende beslissingen door nietigheid worden getroffen. De Raad van State heeft in het arrest Bourgeois echter niet zonder meer alle gewestplannen buiten toepassing verklaard.

Met de bewoordingen "eerste inwerkingtreding van het gewestplan" werd bij de invoering van het vermoeden van vergunning derhalve niet verwezen naar de inwerkingtreding op 24 maart 1994 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 februari 1994, maar naar de op een eerder tijdstip beoogde inwerkingtreding van de gewestplannen als gevolg van een als dusdanig als feit onmogelijk te betwisten bekendmaking, zelfs al zouden zich daaromtrent in het verleden specifieke bewijsvoeringsproblemen hebben voorgedaan (zie VERKEST, J., ‘Hoofdstuk 2. De Gewestplannen' in Zakboekje Ruimtelijke Ordening 2012, p. 102).

De eerste inwerkingtreding van het gewestplan Hasselt-Genk, goedgekeurd bij KB van 3 april 1979 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad d.d. 23.05.1979, dient derhalve gesitueerd te worden op de 15de dag na deze publicatie, zijnde 07.06.1979.

Beklaagde kan zich derhalve niet beroepen op het vermoeden van vergunning voor wat betreft:

- de serre in glas en hout (ca. 1,5 m x 2,5 m);

- de garage/berging in betonplaten (ca. 5,5 m x 10 m);

- het hondenhok in betonpalen en betondraad (ca. 2 m x 3 m);

- de inkompoort aan de voorzijde (twee houten palen met verbindingsdak).

De aan beklaagde ten laste gelegde feiten van instandhouding in de weerhouden incriminatieperiode van 12.01.2006 tot 21.11.2008 zijn met betrekking tot deze constructies derhalve bewezen. De instandhouding van een wederrechtelijke constructie in een natuurgebied, hetgeen een kwetsbaar gebied is, is nog steeds strafbaar.

(...)

Free keywords

  • Stedenbouw

  • Vermoeden van vergunning

  • Bewezen oprichting voor eerste inwerkingtreding van het gewestplan

  • Geen weerlegging vermoeden. Stedenbouw

  • Vaste of verplaatsbare inrichtingen

  • Exotische bomen, planten en struiken. Stedenbouw

  • Eerste inwerkingtreding van het gewestplan

  • Begrip

  • Abstractie arrest Bourgeois.