- Arrêt of November 12, 2012

12/11/2012 - 2011AR548

Case law

Summary

Samenvatting 1

Indien de appellant beweert dat de geïntimeerde zijn informatieplicht niet heeft nageleefd en daardoor schade heeft geleden, moet hij daarvan het bewijs leveren.

Het hof vermag te oordelen dat een negatief bewijs niet met dezelfde striktheid als het bewijs van een bevestigend feit behoeft

te worden geleverd, maar het vermag de appellant niet te ontslaan van dit bewijs en om aan de geïntimeerde het bewijs van het tegengestelde positief bewijs op te leggen.

Er zijn geen elementen aanwezig die toelaten om aan te nemen dat de geïntimeerde zijn informatieverplichting zou hebben geschonden.

Een tekortkoming aan de zogenaamde anamneseplicht in oorzakelijk ver-band met de beweerde schade, is hier niet aangetoond.

Gelet op voorgaande dient niet verder ingegaan te worden op de schade en het causaal verband tussen fout en schade.


Arrêt - Integral text

2011/AR/548 - 1e kamer - Hof van Beroep Antwerpen

R V G,

appellant,

vertegenwoordigd door mr. S V G.

tegen het vonnis van de 6e B kamer van de rechtbank van eerste aan-

leg te Antwerpen van 15 november 2010, aldaar gekend onder nr. A.R. 09/7481/A;

tegen:

E. M.,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. P. D. S.,

* * * * *

Gelet op het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 15 november 2010, waarvan geen akte van betekening wordt voorgebracht, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 18 februari 2011.

1. De feiten

In het bestreden vonnis werden de ter zake doende feitelijke elementen alsook het voorwerp van de vorderingen uiteengezet, zodat het hof daarnaar verwijst.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Op 9 november 2009 ging de appellant over tot dagvaarding van de geïntimeerde.

2.2. Bij bestreden vonnis van 15 november 2010 werd de vordering van de appellant toelaatbaar doch ongegrond verklaard. Hij werd veroordeeld tot de kosten.

3. De vorderingen en het verweer in hoger beroep

3.1. De appellant legde een verzoekschrift tot hoger beroep neer ter griffie van dit hof op 18 februari 2011.

3.2. De appellant vraagt bij conclusie neergelegd op 16 januari 2012 om:

- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te hervormen;

- de geïntimeerde te veroordelen tot een provisionele schadevergoeding van euro 1;

- dienvolgens een college van deskundigen aan te stellen met opdracht zoals vermeld in de conclusie;

- de geïntimeerde te veroordelen tot de kosten.

3.3. De geïntimeerde vraagt bij conclusies neergelegd op 15 maart 2012 om:

- het bestreden vonnis te bevestigen;

- in ondergeschikte orde:

- een college van deskundigen aan te stellen bestaande uit twee universiteitsprofessoren gespecialiseerd in oftalmologie en een derde gespecialiseerd in expertises om de pen te houden;

- de expertiseopdracht aan te passen zoals gevraagd in conclusie;

- de appellant te veroordelen tot de kosten.

4. Beoordeling

4.1. Er worden geen argumenten aangaande een mogelijk onontvankelijk hoger beroep voorgedragen.

Het hoger beroep komt, naar vorm en termijn, ontvankelijk voor.

4.2.

4.2.1. De appellant beweert dat de geïntimeerde een foutieve keuze van behandeling heeft gemaakt. Hij had de geïntimeerde geraadpleegd om van zijn bril af te komen, vooral ingegeven door het ongemak bij het helikoptervliegen. Volgens de appellant was het resultaat een verminderd gezichtsvermogen die handhaving van de vliegbevoegdheid belet. Hij benadrukt dat hij de appellant omstandig tijdens de eerste consultatie op 10 januari 2006 heeft uiteengezet dat zijn hulpvraag vanuit het helikoptervliegen kwam.

De geïntimeerde betwist een fout te hebben begaan. Hij benadrukt dat hij de appellant volgens de regels der kunst heeft geopereerd aan beide ogen op 24 februari 2006. Bij de laatste controle op 29 maart 2006 bedroeg de visus rechts 10/10 zonder correctie en de visus links 9/10 zonder correctie en 10/10 cc + 0,25 dioptrie. Hij houdt voor dat de appellant hem niet heeft ingelicht van zijn hobby van helikoptervliegen.

De appellant moet het bewijs leveren van de feiten die hij aanvoert.

De technische raadgever van de appellant, dokter M.A. W. stelt dat de ingreep van de geïntimeerde volgens de regels der kunst is verlopen (bladzijde 6 van zijn verslag van 25 april 2007 - stuk 6 bundel van de appellant).

De mogelijke fout die hier zou kunnen worden weerhouden is dat specifiek met betrekking tot het helikoptervliegen de plaatsing van multifocale lenzen niet aangewezen was.

De appellant beweert dat hij de geïntimeerde heeft ingelicht van zijn hobby van helikoptervliegen. Dit wordt echter tegengesproken door de geïntimeerde.

De versies van beide partijen blijven tegenstrijdig en er zijn geen objectieve elementen voorhanden om meer geloof te hechten aan de versie van de appellant dan aan die van de geïntimeerde.

Dat het onaannemelijk zou zijn dat een piloot tijdens een oogheelkundig consult zijn helikoptervliegen met bijzondere oftalmologische vereisten niet ter sprake zou hebben gebracht, is een bewering van de appellant die niet als afdoende bewijs kan gelden. Zeker nu er geen objectieve ele-menten worden aangegeven en de geïntimeerde formeel ontkent dat hij op de hoogte werd gebracht.

De appellant is gegriefd omdat de eerste rechter oordeelde dat hij de geïntimeerde niet onmiddellijk heeft aangemaand wanneer het probleem aan het licht kwam. Hij verwijst naar het mailverkeer met de geïntimeerde (stuk 5 bundel van de appellant).

Uit dit mailverkeer (oktober 2006) kan worden afgeleid dat er gecorrespondeerd is met betrekking tot het probleem van de vergunning om te vliegen lang nadat de ingreep was uitgevoerd op 24 februari 2006. Uit dit mailverkeer kan niet worden afgeleid dat de appellant de geïntimeerde voorafgaandelijk had geïnformeerd nopens zijn hobby.

Dat de geïntimeerde bij een niet-medisch noodzakelijke ingreep onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de hulpvraag van de appellant en zich niet als een normaal en zorgvuldig oogarts zou hebben gedragen, is hier niet aangetoond.

De eerste rechter oordeelde terecht dat het mogelijk is dat de appellant de geïntimeerde enkel heeft uitgelegd dat hij liever om praktische redenen geen bril meer wilde dragen, zonder daarbij te vermelden dat hij ook met een helikopter vloog en dat bij de keuze van behandeling daarmee rekening moest worden gehouden.

4.2.2. De appellant houdt voor dat de geïntimeerde een schending van zijn anamneseplicht heeft gedaan. Elke arts dient zijn patiënt voldoende in te lichten aangaande de risico's verbonden aan een voorgenomen medische ingreep. De informatieplicht impliceert volgens de appellant een kennisvergaring voor artsen.

De geïntimeerde verwijst naar het toestemmingsformulier van 24 februari 2006 dat de appellant heeft ondertekend (stuk 1 bundel van de geïntimeerde).

Met dit formulier bevestigt de appellant een uitgebreide informatie te hebben gekregen betreffende het verloop van de behandeling, de follow-up en de mogelijke neveneffecten alsook dat hij een informatiebrochure heeft gelezen en begrepen en de mogelijkheid heeft gekregen om vragen te stellen.

Indien de appellant beweert dat de geïntimeerde zijn informatieplicht niet heeft nageleefd en daardoor schade heeft geleden, moet hij daarvan het bewijs leveren. Het hof vermag te oordelen dat een negatief bewijs niet met dezelfde striktheid als het bewijs van een bevestigend feit behoeft

te worden geleverd, maar het vermag de appellant niet te ontslaan van dit bewijs en om aan de geïntimeerde het bewijs van het tegengestelde positief bewijs op te leggen.

Zelfs met een soepelere bewijsvoering voor ogen, zijn er hier geen elementen aanwezig die toelaten om aan te nemen dat de geïntimeerde zijn informatieverplichting zou hebben geschonden.

Ten onrechte meent de appellant dan ook dat er hier sprake is van een "begin van bewijs". Volgens hem zijn er wel degelijk aanwijzingen.

Het hof meent dat die aanwijzingen ontbreken.

Dat het onaannemelijk zou zijn dat de appellant niet zou hebben gezegd dat hij als hobby helikoptervliegen had, is een loutere eenzijdige bewering van de appellant en geen aanwijzing.

Dat de vraag om behandeling medisch niet noodzakelijk was, is evenmin een afdoende aanwijzing.

Het verslag van de technische raadgever van de appellant van dokter M.A. W. is niet objectief.

Kortom: Deze drie beweringen zijn geen afdoende aanwijzingen om hieruit te mogen besluiten dat de appellant wel degelijk de geïntimeerde zou hebben ingelicht aangaande zijn hobby en dat er mogelijk een aansprakelijkheid van de geïntimeerde kan betrokken zijn.

Dat de geïntimeerde zou tekort zijn geschoten aan zijn informatievergaring aangaande de appellant, kan niet eenvoudig worden afgeleid uit het feit dat een verkeerde behandeling voor helikoptervliegen werd uitgevoerd.

Een tekortkoming aan de zogenaamde anamneseplicht in oorzakelijk ver-band met de beweerde schade, is hier niet aangetoond.

Gelet op voorgaande dient niet verder ingegaan te worden op de schade en het causaal verband tussen fout en schade.

4.2.3. De overige argumenten en middelen van partijen nopen niet tot een andere besluitvorming van het hof.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verwerpt alle andersluidende en meeromvattende conclusies als ongegrond, niet ter zake dienstig en/of overbodig;

- verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond om de hiervoor vermelde redenen;

- bevestigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt de appellant tot de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de geïntimeerde vastgesteld als volgt:

- rechtsplegingsvergoeding: euro 1.320

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van TWAALF

NOVEMBER TWEEDUIZEND TWAALF door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

R. LYEN raadsheer

G. VELTMANS griffier

G

Free keywords

  • Geneesheer

  • foutieve keuze van behandeling

  • bewijs -anamneseplicht- geen tekortkoming