- Arrêt of January 10, 2012

10/01/2012 - 2008AR2362

Case law

Summary

Samenvatting 1

I. Eisers die een vordering om uit onverdeeldheid te treden instellen dienen het bestaan van de onverdeeldheid te bewijzen, zoniet is hun vordering zonder voorwerp

II. De feitenrechter beoordeelt op onaantastbare wijze de draagwijdte en waarde van een buitengerechtelijke bekentenis. De bewijskracht van een schriftelijke buitengerechtelijke bekentenis staat ter wijze beoordeling van de rechter. De rechter mag ze al of niet aannemen. De rechter moet nagaan of de buitengerechtelijke bekentenis in dusdanige omstandigheden werd afgelegd, dat zij als geloofwaardig voorkomt. De bewijswaarde van een buitengerechtelijke bekentenis wordt overgelaten aan de vrije beoordeling van de feitenrechter, mede omdat de persoon niet de juiste draagwijdte van zijn bewoordingen heeft kunnen begrijpen.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2008/AR/2362

INZAKE VAN :

Mevrouw M. J.

.....

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 1 april 2008,

vertegenwoordigd door Meester Roland TIMMERMANS, advocaat te LEUVEN-KESSEL-LO, Martelarenlaan 139,

TEGEN :

P. F.,

....

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Kristel VAN DE VELDE loco Meester P. VIGNERON, advocaat te BRUSSEL,

I. Artikel 815 BW. Onverdeeldheid. Bewijs en bewijslast inzake het bestaan van een onverdeeldheid.

II. Artikelen 1354 en 1355 BW. Schriftelijke buitengerechtelijke bekentenis inzake het onverdeelde eigendomsrecht van twee personen op een onroerend goed. Bewijswaarde?

I. Eisers die een vordering om uit onverdeeldheid te treden instellen dienen het bestaan van de onverdeeldheid te bewijzen, zoniet is hun vordering zonder voorwerp

II. De feitenrechter beoordeelt op onaantastbare wijze de draagwijdte en waarde van een buitengerechtelijke bekentenis. De bewijskracht van een schriftelijke buitengerechtelijke bekentenis staat ter wijze beoordeling van de rechter. De rechter mag ze al of niet aannemen. De rechter moet nagaan of de buitengerechtelijke bekentenis in dusdanige omstandigheden werd afgelegd, dat zij als geloofwaardig voorkomt. De bewijswaarde van een buitengerechtelijke bekentenis wordt overgelaten aan de vrije beoordeling van de feitenrechter, mede omdat de persoon niet de juiste draagwijdte van zijn bewoordingen heeft kunnen begrijpen.

____________________________________________________________

...

I. Procedure

1. Appellanten stellen hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat hun oorspronkelijke hoofdvordering, ingesteld bij dagvaarding van 24-25-26 juni 2002, alsook de tegenvordering van huidige geïntimeerden (tot betaling van schadevergoeding) ongegrond verklaart en de beslissing over de gerechtskosten aanhoudt.

2. Appellanten vorderen met de hervorming van het bestreden vonnis, om hun oorspronkelijke vordering in te willigen en om te zeggen voor recht dat het onroerend goed, gelegen te M.-D., J...straat, gekadastreerd sectie B, perceelsnummer 13 L 8, groot 22 aren 85 centiaren, in onverdeeldheid toebehoort aan appellanten en geïntimeerden gezamenlijk, meer bepaald voor de helft in volle eigendom aan appellanten en voor de helft in volle eigendom aan geïntimeerden en vervolgens de vereffening en verdeling te bevelen van de tussen partijen bestaande onverdeeldheid en dienvolgens een notaris aan te stellen belast met de veiling, respectievelijk de vereffening en verdeling van het onroerend goed, alsook een tweede notaris die de niet-verschijnende of weigerende partijen zou vertegenwoordigen, met veroordeling van geïntimeerden in alle kosten.

Appellanten vragen in ondergeschikte orde een deskundige aan te stellen belast met de waardebepaling van het perceel grond en de bepaling van het aandeel van appellanten.

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.

3. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep met veroordeling tot de kosten van beide gedingen.

II. Relevante feitelijke gegevens

4. Het hof verwijst naar de uiteenzetting van de antecedenten in het bestreden vonnis (p. 3-4) en voegt eraan toe wat volgt.

5. Het geding betreft een geschil tussen de erfopvolgers van F. J. (zijnde de appellanten) en de erfopvolgers van J. (of J.) D. (zijnde de geïntimeerden).

Het voorwerp van het geschil betreft het onroerend goed gelegen te M.-D., J...straat, gekadastreerd sectie B, nr. ....

6. Het voormelde goed, toen met een oppervlakte van 26 aren 80 centiaren, werd aangekocht op 2 maart 1928 door van J. D., geboren op 9 september 1881, notarisklerk, gehuwd in 1915 met Mevrouw E. J.. Mevrouw E. J. heeft deze akte niet zelf mede ondertekend. De authentieke aankoopakte werd verleden door het ambt van de commissaris van het aankoopcomité, en overgeschreven op het bevoegde hypotheekkantoor op 17 april 1928. Deze aankoop werd geregistreerd op het registratiekantoor van Vilvoorde op naam van beide echtgenoten, de heer en Mevrouw J. D. - E. J.. Op het kadastrale uittreksel komt de naam van F. J. of een van zijn erfgenamen niet voor.

7. Op 21 mei 1931 heeft J. D. een deel van dit onroerend goed (350,38 m²) aan de Belgische Staat verkocht, bij authentieke akte verleden voor de commissaris van het aankoopcomité.

8. Appellanten leggen een brief van 22 maart 1950 voor waarin J. D. naar F. J. schrijft: "Ik zend u de eigendomstitel van het land te D., op mijn naam alléén gekocht, maar met geld van ons beiden. Wij zijn dus onverdeelde eigenaars. Blijven later te regelen: de contributiën en de belasting op het kapitaal Vriendelijke groeten aan allen."

9. In een tweede brief van 3 oktober 1952 stelt J. D. een afrekening op aan het adres van "Nonkel F." (F. J.), in verband met de grond te D., 22 are 85 .De brief eindigt als volgt: "Mag ik U vragen die som op mijn postrekening te willen overschrijven".

Er is geen spoor voorhanden van een latere storting van de gevraagde som.

10. Op 5 januari 1960 overleed Mevrouw E. J., echtgenote van J. D..

Op 5 februari 1975 overleed de heer J. D., weduwnaar van Mevrouw E. J..

Het voormelde goed wordt telkens vermeld in de aangifte van nalatenschap van de betrokkenen, als oorspronkelijk hebbende toebehoord aan de heer J. D. en zijn echtgenote E. J., en zonder dat er in de aangifte sprake is van enige schuld t.a.v. de heer F. J..

F. J., in leven handelaar, was zelf op 18 november 1959 overleden.

11. Bij brief van 27 november 2000 schrijft Hugo J. in naam van al de nakomelingen J.-H., naar notaris P. D., een van de erfgenamen van J. D., in verband met voormeld onroerend goed, met kopie van de voormelde brief van 22 maart 1950 van J. D., en met verzoek "deze toestand te regulariseren".

12. Bij brief van 15 maart 2001 antwoorden de erfgenamen van J. D. bij monde van P.-P. D., met inroeping van de verkrijgende verjaring.

De erfgenamen van F. J. namen geen vrede met dit antwoord. Zij legden op 3 oktober 2001 bewarend beslag op het onroerend goed en dagvaarden uiteindelijk de erfgenamen van J. D. voor de eerste rechter om uit onverdeeldheid te treden, zulks bij deurwaardersexploten van 24, 25 en 26 juni 2002. De dagvaarding werd overgeschreven op het vierde Hypotheekkantoor te Brussel op 23 mei 2007.

III. Bespreking

13. De eerste rechter oordeelde dat er een onverdeeldheid is ontstaan tussen de rechtsvoorgangers van partijen maar dat er een einde is gekomen aan deze onverdeeldheid. Geïntimeerden zijn dan de exclusieve eigenaars geworden door verkrijgende verjaring. De eerste rechter wees bijgevolg de vordering van appellanten als ongegrond af.

14. Volgens appellanten maken de brieven van 22 maart 1950 en 3 oktober 1952 tegenbrieven uit in de zin van artikel 1321 van het Burgerlijk Wetboek:

"Tegenbrieven kunnen enkel tussen de contracterende partijen gevolg hebben; zij werken niet tegen derden."

Officieel werd de eigendom slechts op naam van J. D. aangekocht maar hij schreef (in de stelling van appellanten) bij tegenbrieven aan F. J. dat er een onverdeeldheid tussen hen was ontstaan, zoals zelf door J. D. gekwalificeerd.

15. Er bestond echter officieel geen enkele overeenkomst tussen J. D. en F. J. doch enkel een (openbare) verkoop door de Belgische Staat aan J. D.. De situatie van de betrokkenen verschilt van deze van de tegenbrieven die "voorhanden is wanneer partijen samen bewust naar buiten toe de schijn wekken een bepaalde overeenkomst (of andere rechtshandeling) te hebben gesloten, terwijl zij in het geheim, door middel van een tegenbrief, anders overeenkomen" .

F. J. was eigenlijk in deze overdracht een derde partij en appellanten leggen eigenlijk geen echte tegenbrief voor.

16. Appellanten stellen, een vordering in om uit onverdeeldheid te treden. Als eisende partijen dienen zij het bestaan van de onverdeeldheid te bewijzen, zoniet is hun vordering zonder voorwerp .

17. Eigendomsrechten in hoofde van appellanten worden niet aan de hand van een titel bewezen, inz. niet aan de hand van de akte van 2 maart 1928. De vraag stelt zich of deze rechten al dan niet bewezen worden door de aangehaalde brieven van 22 maart 1950 en 3 oktober 1952.

18. Uit het optreden van de instrumenterende ambtenaar, (in casu de commissaris van het comité voor aankoop) en diens vermeldingen in de akte van 2 maart 1928, mag er een vermoeden in de zin van artikel 1353 BW worden afgeleid dat het de bedoeling was dat alleen J. D., en niet een andere persoon, koper werd. In ontkennend geval zou de instrumenterende ambtenaar deze andere persoon ook vermeld hebben als koper of zou F. J. geëist mogen hebben in de akte zelf vermeld te staan als medekoper. Te dezen wijst niets op een aanwezigheid van F. J. bij het verlijden van de akte van verkoop/aankoop noch op het bestaan van een eraan voorafgaand akkoord tussen J. D. en F. J. m.b.t. rechten in het aan te kopen onroerend goed.

19. Met toepassing van het oude huwelijksvermogensrecht was de aankoop door J. D. een aankoop ten behoeve van de gemeenschap, voor dewelke hij alleen kon optreden ingevolge het oud artikel 1421 van het Burgerlijk Wetboek.

Het aangekochte goed behoorde aldus van rechtswege tot de huwgemeenschap die bestond tussen J. D. en diens echtgenote, nu de aankoopakte geen beding van wederbelegging louter in diens voordeel bevat. Het registratiekantoor te Vilvoorde heeft derhalve terecht in zijn registers het aangekochte goed op naam van deze beide echtgenoten vermeld.

20. De eenzijdige geschriften van 1950 en 1952, uitgaande van J. D., zijn juridisch te beschouwen als buitengerechtelijke schriftelijke bekentenissen in de zin van artikel 1354 van het Burgerlijk Wetboek, uitsluitend uitgaande van J. D..

Welnu, de feitenrechter beoordeelt op onaantastbare wijze de draagwijdte en waarde van een buitengerechtelijke bekentenis. De bewijskracht van een schriftelijke buitengerechtelijke bekentenis staat ter wijze beoordeling van de rechter ; "De rechter mag ze al of niet aannemen. De rechter moet nagaan of de buitengerechtelijke bekentenis in dusdanige omstandigheden werd afgelegd, dat zij als geloofwaardig voorkomt."

21. In het licht van deze principes oordeelt het hof dat deze twee geschriften van 22 maart 1950 en 3 oktober 1952, geen voldoende geloofwaardige buitengerechtelijke bekentenissen vormen, mede gelet op het bijzonder lange tijdsverloop van meer dan 22 jaar, resp. 24 jaar tussen enerzijds de aankoop op 2 maart 1928, en anderzijds de twee voormelde geschriften van 1950 en 1952. Uit de feiten blijkt immers dat deze handelingen van 1928 en 1950-1952 verre van gelijktijdig zijn. Uit de feiten blijkt geen intellectuele band tussen deze geschriften te bestaan nu er meer dan twee decennia liggen tussen de overdracht enerzijds en de brieven van 22 maart 1950 en 3 oktober 1952 anderzijds. Uit de gezegde lange periode wordt geen enkel document of gegeven verstrekt. Het is niet uitgesloten dat gedurende dit lange tijdsverloop sinds de aankoop de omstandigheden (bij voorbeeld op familiaal vlak) gewijzigd waren.

Het bijzonder groot tijdsverschil laat niet toe aan te nemen dat J. D. een verklaring heeft willen afleggen om te bevestigen dat F. J., ab initio, zijnde van bij de totstandkoming van de verkoopovereenkomst op 2 maart 1928, medekoper was.

22. Bij brief van 22 maart 1950, dus 22 jaar na de aankoop in 1928, schrijft J. D. naar F. J.: "Ik zend u de eigendomstitel van het land te D., op mijn naam alléén gekocht, maar met gelden van ons beiden. Wij zijn dus onverdeelde eigenaars. Blijven later te regelen: de contributiën en de belasting op het kapitaal."

Welnu, deze onderhandse brief kan niet tot gevolg hebben dat, 22 jaar na de aankoop van 2 maart 1928, het eigendomstatuut van het betwiste onroerend goed met terugwerkende kracht wordt gewijzigd tot op de datum van de aankoopakte.

De vermelding "wij zijn dus onverdeelde eigenaars" in dit geschrift van 22 maart 1950 berust mogelijks op een vergissing van J. D. die mogelijks van oordeel was dat de aankoop tegen een prijs gefinancierd door hen beiden (J. D. en F. J.) per sé voor gevolg zou (moeten) hebben dat juridisch het aangekochte goed dan onverdeeld aan beide personen die de koopprijs financierden, zou toebehoren. Het geschrift kan mogelijks worden uitgelegd als een buitengerechtelijke bekentenis van J. D. enkel slaande op het meefinancieren van de koopprijs door F. J.; het houdt evenwel niet op ondubbelzinnige wijze het bewijs in dat in 1928 het stellig de bedoeling van al de partijen was dat J. D. en F. J. in onverdeeldheid wilden aankopen. Het is overigens zo dat de bewijswaarde van een buitengerechtelijke bekentenis wordt overgelaten aan de vrije beoordeling van de feitenrechter, mede omdat de persoon niet de juiste draagwijdte van zijn bewoordingen heeft kunnen begrijpen.

23. De beweerde buitengerechtelijke bekentenis van J. D. dat het goed ‘dus' in onverdeeldheid toebehoort tot hem en degene die een deel (de helft?) van de prijs betaalde is niet bewijskrachtig op het vlak van het eigendomsrecht, omdat ze steunt op een gevolgtrekking die niet per sé zo hoort te zijn. Het geschrift kan evengoed louter wijzen op een geldelijke hulp van F. J. aan de enige koper die niet over voldoende geld beschikte om de koopprijs volledig zelf te financieren.

Een bekentenis kan niet slaan op de oplossing die in rechte aan een geschil dient te worden gegeven (het ontstaan van een onverdeeldheid) maar wel op materiële feiten als op rechtsfeiten (de financiering van de koop en betaling van een deel van de prijs door F. J. aan J. D.) .

24. Op dit punt volgt het hof dus niet het oordeel van de eerste rechter dat het schrijven van 22 maart 1950 niet anders kan worden geïnterpreteerd dan dat het destijds wel degelijk de bedoeling was van J. D. en F. J. dat het kwestieuze perceel het voorwerp zou uitmaken van een onverdeelde eigendom. Noch deze brief noch de latere afrekening van de kosten bij helften leveren een afdoend bewijs van het feit dat bij de verkoopsovereenkomst van 2 maart 1928 alle betrokkenen de wil(-sovereenstemming) hadden om F. J. als medekoper aan te nemen.

25. Appellanten blijven dus in gebreke aan te tonen dat er een onverdeeldheid bij helften is ontstaan tussen F. J. en J. D. m.b.t. het litigieuze onroerend goed.

De vordering van appellanten om uit onverdeeldheid te treden met betrekking tot het voormelde onroerend goed is dan ook zonder voorwerp en dus ongegrond. De vraag naar de gebeurlijke verkrijgende verjaring moet niet onderzocht worden.

Het hoger beroep is ongegrond. Het bestreden vonnis wordt bevestigd in zoverre het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaart, zij het om andere motieven.

....

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekende na tegenspraak,...

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond....

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 10/01/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Evrard J. DE BISTHOVEN, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

Free keywords

  • Vordering tot uitonverdeeldheidtreding. Bewijs en bewijslast inzake het bestaan van een onverdeeldheid (art. 815 BW; artikel 1207 Ger. W.). Buitengerechtelijke bekentenis (art. 1354 BW): bewijswaarde.