- Arrêt of April 2, 2012

02/04/2012 - 2008AR2274

Case law

Summary

Samenvatting 1

De artikelen 953 en 955 BW inzake de wettelijke beperkte herroepelijkheid van schenkingen zijn ook van toepassing op contractuele erfstellingen bedongen tussen aanstaande echtgenoten bij huwelijkscontract.

Artikel 959 BW bepaalt weliswaar dat schenkingen ten voordele van het huwelijk niet wegens ondankbaarheid kunnen worden herroepen. Dit betreft echter alleen de schenkingen door derden aan de (aanstaande) echtgenoten, en is dus niet toepasselijk contractuele erfstellingen tussen (aanstaande) echtgenoten in het huwelijkscontract.

Wanneer een echtgenoot-schenker de vordering tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten binnen de door artikel 957 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde termijn heeft ingesteld, heeft hij daardoor tevens de vordering tot herroeping van de schenking wegens ondankbaarheid ingesteld, in de zin van artikel 957 van het Burgerlijk Wetboek . Een vordering tot het bekomen van de echtscheiding op grond van grove beledigingen (oud artikel 231 BW) kan gelijkgesteld worden met een eis tot herroeping van een schenking wegens ondankbaarheid uit hoofde van grove belediging in de zin van artikel 957 van het Burgerlijk Wetboek.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2008/AR/2274

INZAKE VAN :

Mevrouw M. M.,

verweerster in cassatie van een arrest gewezen op 12 december 2005 door het hof van beroep te Antwerpen, appellante tegen vonnissen uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt op 11 juni 2001, 5 november 2001 en 14 januari 2002,

vertegenwoordigd door Meester Els VAN ERUM, advocaat te 3290 DIEST, Engelandstraat 61,

1ste kamer

TEGEN :

1) De heer D. X., ,

2) De heer B. X.,

eisers in cassatie, vertegenwoordigd door Meester VAN TULDEN loco Meester Dirk PEETERS, advocaat te 3582 KOERSEL, Vrevijverstraat 92/1,

Echtscheiding op grond van grove beldigingen (oud artikel 231 BW). Impact van een hangende dergelijke vordering tot echtscheiding op de rechten van de langstlevende echtgenote in geval van overlijden van de echtgenoot tijdens de echtscheidingsprocedure. Herroeping van

de contractuele erfstelling, vervat in het huwelijkscontract, wegens ondankbaarheid. Artikelen 953, 955, 957 en 959 BW

De artikelen 953 en 955 BW inzake de wettelijke beperkte herroepelijkheid van schenkingen zijn ook van toepassing op contractuele erfstellingen bedongen tussen aanstaande echtgenoten bij huwelijkscontract.

Artikel 959 BW bepaalt weliswaar dat schenkingen ten voordele van het huwelijk niet wegens ondankbaarheid kunnen worden herroepen. Dit betreft echter alleen de schenkingen door derden aan de (aanstaande) echtgenoten, en is dus niet toepasselijk contractuele erfstellingen tussen (aanstaande) echtgenoten in het huwelijkscontract.

Wanneer een echtgenoot-schenker de vordering tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten binnen de door artikel 957 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde termijn heeft ingesteld, heeft hij daardoor tevens de vordering tot herroeping van de schenking wegens ondankbaarheid ingesteld, in de zin van artikel 957 van het Burgerlijk Wetboek . Een vordering tot het bekomen van de echtscheiding op grond van grove beledigingen (oud artikel 231 BW) kan gelijkgesteld worden met een eis tot herroeping van een schenking wegens ondankbaarheid uit hoofde van grove belediging in de zin van artikel 957 van het Burgerlijk Wetboek.

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 11 juni 2001, 5 november 2001 en 14 januari 2002.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

2 De feiten

De relevante feiten kunnen worden samengevat volgt:

1 augustus 1991: huwelijkscontract tussen Raymond X., echtgescheiden, en M. M., echtgescheiden, verleden voor notaris Romain Janssen te Zonhoven. De aanstaande echtgenoten nemen het stelsel van scheiding van goederen aan.

In het huwelijkscontract wordt een wederzijdse contractuele erfstelling bedongen, luidend als volgt: "Gifte tussen echtgenoten: De toekomstige echtgenoten verklaren elkaar wederkerig schenking onder de levenden te doen, hetgeen zij aanvaarden, van het grootst beschikbaar gedeelte in volle eigendom van hun nalatenschap onverminderd het wettelijk vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot op de gehele nalatenschap."

2 augustus 1991: huwelijk tussen Raymond X. en M. M..

23 september 1994: Raymond X. dient klacht in tegen M. M. voor slagen en verwondingen toegebracht door haar op 21 september 1994.

5 mei 1995: Raymond X. dagvaardt M. M. tot echtscheiding op grond van artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek (grove beledigingen).

2 februari 1999: de rechtbank van eerste aanleg van Hasselt spreekt de echtscheiding uit ten voordele van Raymond X. en ten nadele van M. M., op grond van artikel 231 van het Burgerlijk Wetboek.

5 september 1999: Raymond X. overlijdt.

Het vonnis van echtscheiding van 2 februari 1999 is niet betekend aan M. M. tijdens het leven van Raymond X..

11 mei 2000: de heren D. X. en B. X., zonen van Raymond X. uit zijn eerdere huwelijk met mevrouw P., dagvaarden mevrouw M. M..

16 februari 2001: D. en B. X. betekenen het echtscheidingsvonnis van 2 februari 1999 aan M. M..

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderden D. en B. X. de gerechtelijke herroeping van de contractuele erfstelling gedaan in het huwelijkscontract, op grond van ondankbaarheid, meer bepaald grove beledigingen in de zin van artikel 955, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek.

M. M. concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vordering van D. en B. X. gegrond.

3.3

In hoger beroep hernam M. M. haar oorspronkelijk verweer.

Bij arrest van 12 december 2005 verklaarde het hof van beroep te Antwerpen de vordering ongegrond. Het hof overwoog dat de contractuele erfstelling tussen de aanstaande echtgenoten in het huwelijkscontract alleen minnelijk kan herroepen worden bij wijzigingsakte, en niet eenzijdig en gerechtelijk op basis van artikel 955 van het Burgerlijk Wetboek.

3.4

Op voorziening van D. en B. X. verbrak het Hof van Cassatie het arrest bij arrest van 7 februari 2007, voor zover dit het hoger beroep gegrond verklaarde en uitspraak deed over de kosten. Het hof overwoog dat de schenking van toekomstige goederen of toekomstige en tegenwoordige goederen tussen echtgenoten bij huwelijkscontract kan herroepen worden wegens ondankbaarheid.

3.5

Voor het hof herneemt M. M. haar oorspronkelijk verweer.

D. en B. X. concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep vragen zij te beslissen dat M. M. op 29 augustus 1994 Raymond X. bedreigde in zijn woning met brandstichting en dat dit een grove belediging uitmaakt in de zin van artikel 955 van het Burgerlijk Wetboek.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

De ontvankelijkheid van het hoger beroep staat niet ter beoordeling van het hof, nu het arrest van het hof van beroep te Antwerpen op dit punt niet is verbroken.

4.2 De grond van het hoger beroep

4.2.1 Het hoger beroep tegen de tussenvonnissen van 11 juni 2001 en 5 november 2001

M. M. richt haar hoger beroep tegen het eindvonnis van 14 januari 2002, maar ook tegen de tussenvonnissen van 11 juni 2001 en 5 november 2001. In de procedureakten vermeldt zij daarover nochtans geen grieven. De tussenvonnissen hebben overigens alleen tot voorwerp de heropening van de debatten wegens de onthouding van een rechter en wegens het ontbreken van een eensluidend verklaard afschrift van een vonnis.

Het hoger beroep tegen de vonnissen van 11 juni 2001 en 5 november 2001 is ongegrond.

4.2.2 Het hoger beroep tegen het eindvonnis van 14 januari 2002

De artikelen 953 en 955 van het Burgerlijk Wetboek inzake de wettelijke beperkte herroepelijkheid van schenkingen wegens ondankbaarheid hebben een algemene draagwijdte en zijn dus ook van toepassing op schenkingen van toekomstige goederen of van tegenwoordige en toekomstige goederen bedongen tussen aanstaande echtgenoten bij huwelijkscontract.

Artikel 959 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt weliswaar dat schenkingen ten voordele van het huwelijk niet wegens ondankbaarheid kunnen worden herroepen. Dit betreft echter alleen de schenkingen door derden aan de (aanstaande) echtgenoten, en is dus niet toepasselijk op giften en contractuele erfstellingen tussen (aanstaande) echtgenoten in het huwelijkscontract.

In deze is de gifte tussen echtgenoten gedaan in het huwelijkscontract met toepassing van artikel 955, 2° van het Burgerlijk Wetboek herroepbaar wegens ondankbaarheid, en meer bepaald wegens grove beledigingen uitgaande van de begiftigde echtgenoot tegen de echtgenoot-schenker.

Artikel 957 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de erfgenamen van de schenker de herroeping wegens ondankbaarheid niet kunnen vorderen tegen de begiftigde, tenzij de eis reeds door de schenker was ingesteld, of deze is overleden binnen het jaar van het misdrijf.

Wanneer een echtgenoot-schenker de vordering tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten binnen de door artikel 957 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde termijn heeft ingesteld, heeft hij daardoor tevens de vordering tot herroeping van de schenking wegens ondankbaarheid ingesteld, in de zin van artikel 957 van het Burgerlijk Wetboek . Een vordering tot het bekomen van de echtscheiding op grond van grove beledigingen kan gelijkgesteld worden met een eis tot herroeping van een schenking wegens ondankbaarheid uit hoofde van grove belediging in de zin van artikel 957 van het Burgerlijk Wetboek .

Anders dan M. M. voorhoudt, is het niet vereist dat Raymond X. in de loop van de echtscheidingsprocedure gewag heeft gemaakt van deze herroeping. Anders dan M. M. voorhoudt, heeft Raymond X. ook niet afgezien van de herroeping van de schenking. Uit het feit dat hij nog acht maanden leefde na de datum van het echtscheidingsvonnis dat niet werd betekend tijdens zijn leven kan niet afgeleid worden dat hij impliciet verzaakte aan de herroeping van de schenking. Dit geldt des te meer nu vaststaat dat zijn advocaat aan de grondslag ligt van deze niet-tijdige betekening.

In casu dateren de beweerde grove beledigingen nog van 21 september 1994 en heeft Raymond X. zelf de echtscheiding wegens grove beledigingen ingesteld op 5 mei 1995, wat gelijkgesteld mag worden aan het inleiden van een eis tot gerechtelijke herroeping van een schenking wegens ondankbaarheid. De vordering tot herroeping van de contractuele erfstelling wegens deze grove beledigingen is dus tijdig ingesteld.

De grove beledigingen in de zin van artikel 955, 2° van het Burgerlijk Wetboek staan in casu vast. Dit blijkt reeds uit het echtscheidingsvonnis dat gezag van gewijsde heeft; dat de echtscheiding zelf geen uitwerking heeft bij gebreke aan betekening tijdens het leven van Raymond X. doet daaraan niets af. In dit vonnis is geoordeeld dat bewezen is dat mevrouw M., wetende dat haar echtgenoot hartpatiënt was, zich bij herhaling overgaf aan scheldpartijen. Geheel ten overvloede vindt het hof zelf bevestiging van deze feiten in de getuigenverklaringen afgelegd in de echtscheidingsprocedure .

Of de feiten voldoende ernstig zijn om de gerechtelijke herroeping te wettigen, is voorwerp van beoordeling in feite. Er kan in casu niet getwijfeld worden aan de animus iniurandi, de bijzondere intentie van de begiftigde om haar echtgenoot-schenker te beledigen. De scheldpartijen bedoeld in het echtscheidingsvonnis zijn voldoende erge grove beledigingen om de gerechtelijke herroeping van de contractuele erfstelling vervat in voormeld huwelijkscontract wegens ondankbaarheid, op basis van artikel 955, 2° van het Burgerlijk Wetboek te wettigen.

De artikelen 299 en 300 van het Burgerlijk Wetboek inzake het lot van huwelijksvoordelen na echtscheiding zijn in casu niet toepasselijk omdat het huwelijk is ontbonden door overlijden en niet door echtscheiding.

Zoals vermeld bewijst M. M. niet dat haar echtgenoot afstand zou hebben gedaan van zijn vordering tot echtscheiding op grond van bepaalde feiten en van de impliciete vordering tot herroeping van de contractuele erfstelling vervat in het huwelijkscontract. Zij bewijst evenmin een vergiffenis vanwege hem. Ook de niet-betekening van het echtscheidingsvonnis kan om de vermelde redenen niet zo worden begrepen.

Gelet op het bovenstaande is een onderzoek naar de beweerde feiten van dreiging met brandstichting door M. M. zonder belang.

5 De kosten

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet waardeerbaarheid van de vordering (geïndexeerd) 1.320,00 EUR.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt M. M. tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, in hun geheel begroot

- in hoofde van haarzelf op euro 1962,13 (342,09 rechtsplegings-vergoeding + 57,02 + 57,02 aanvullende rechtsplegingsvergoe-dingen eerste aanleg + 186 rolrecht + 1.320 rechtsplegings-vergoeding beroep), en

- in hoofde van D. en B. X. op euro 4.297,12 ( 203,52 dagvaarding en rolrecht eerste aanleg + 342,09 rechtsplegings-vergoeding eerste aanleg + 247,90 rechtsplegingsvergoeding beroep Antwerpen + 325,00 kosten Cassatie + 1.200 rechtsplegingsvergoeding cassatie + 346,55 dagvaarding na cassatie + 1.320 rechtsplegingsvergoeding beroep Brussel).

-

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

02/04/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

Free keywords

  • Vordering tot echtscheiding. Grove belediging. Overlijden tijdens de procedure van echtscheiding: rechtsgevolgen. Contractuele erfstelling in het huwelijkscontract. Eenzijdige herroepbaarheid. Artikel 955, 2°, BW. Herroeming wegens ondankbaarheid.