- Arrêt of April 3, 2012

03/04/2012 - 2008AR273

Case law

Summary

Samenvatting 1

1. Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de stukken waarmee de notaris in het kader van de vereffening-verdeling rekening houdt, en de overtuigingsstukken die partijen voor de rechtbank neerleggen.

2. Het proces-verbaal van opening van werkzaamheden vereist, net zoals in geval van boedelbeschrijving, dat partijen hun loyale medewerking verlenen; van hen mag worden verwacht dat zij op een eerlijke manier aan de boedelnotaris alle informatie verstrekken die van belang kan zijn voor de opstelling van de staat van vereffening-verdeling. Evenwel, in tegenstelling tot de boedelbeschrijving, wordt het proces-verbaal van opening van werkzaamheden niet wordt afgesloten met een eedaflegging;

3. Het scharniermoment voor het indienen van zwarigheden wordt gevormd door de afsluiting van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden door de boedelnotaris.


Arrêt - Integral text

Nr.: HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL

3e kamer,

A.R. Nr.: 2008/AR/273

zetelend in burgerlijke zaken,

Rep. nr.: 2012/ na beraad, wijst volgend arrest:

INZAKE VAN:

1. E.R.,

appellant,

geïntimeerde op incidenteel hoger beroep

vertegenwoordigd door Mr. Georges MEEUS, advocaat te 2830 WILLEBROEK, Mechelsesteenweg 26

TEGEN:

1. G. S.,

geïntimeerde,

appellante op incidenteel hoger beroep

vertegenwoordigd door Mr. Guy VAN BLADEL, advocaat te 3020 HERENT, Brusselsesteenweg 30

1. Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de stukken waarmee de notaris in het kader van de vereffening-verdeling rekening houdt, en de overtuigingsstukken die partijen voor de rechtbank neerleggen.

2. Het proces-verbaal van opening van werkzaamheden vereist, net zoals in geval van boedelbeschrijving, dat partijen hun loyale medewerking verlenen; van hen mag worden verwacht dat zij op een eerlijke manier aan de boedelnotaris alle informatie verstrekken die van belang kan zijn voor de opstelling van de staat van vereffening-verdeling. Evenwel, in tegenstelling tot de boedelbeschrijving, wordt het proces-verbaal van opening van werkzaamheden niet wordt afgesloten met een eedaflegging;

3. Het scharniermoment voor het indienen van zwarigheden wordt gevormd door de afsluiting van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden door de boedelnotaris.

Gelet op de stukken van de procedure, inzonderheid:

- het vonnis op tegenspraak uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 11 december 2007, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd;

- het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 1 februari 2008, waarbij een tijdig en regelmatig hoger beroep werd ingesteld;

- de syntheseconclusie voor geïntimeerde van 9 februari 2010;

- de conclusie voor appellant van 6 maart 2009.

Voorgaanden

Partijen zijn gehuwd voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te B. op 14 augustus 1992.

Bij huwelijkscontract verleden op 4 augustus 1992 namen zij het stelsel van scheiding van goederen aan.

Bij dagvaarding van 22 maart 2000 vorderde mevrouw G. S. de echtscheiding op grond van oud artikel 231 B.W. (grove beledigingen), de vereffening-verdeling van de huwgemeenschap door tussenkomst van notaris J. S. te Leuven alsook voorlopige maatregelen.

Bij vonnis van 27 mei 2002 werden partijen toegelaten om over en weer het getuigenbewijs te leveren van bepaalde door hen opgeworpen feiten.

Bij vonnis van 21 maart 2005 werd de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

In het echtscheidingsvonnis werd notaris S. te Leuven aangesteld om over te gaan tot de bewerkingen van vereffening en verdeling en notaris M. te Leuven om de niet-verschijnende of weigerende partij te vertegenwoordigen.

De notaris ging over tot opening van de werkzaamheden blijkens de akte van 31 augustus 2005 waaruit blijkt dat:

- mevrouw S. eigenares was van een onroerend goed gelegen te B., Komkommerstraat 3 en 7,

- de heer R. failliet werd verklaard op 18 november 1997,

- voormeld faillissement werd afgesloten op 7 december 1999,

- de heer R. verschoonbaar werd verklaard,

- het aan mevrouw S. toebehorende onroerend goed het voorwerp uitmaakte van een uitvoerend beslag ten verzoeke van de KBC BANK en openbaar werd verkocht op 26 april 1999.

De akte inhoudende de staat van vereffening en verdeling van de tussen de heer R. en mevrouw S. bestaande onverdeeldheid dateert van 7 juli 2006.

Beide partijen formuleerden daarop zwarigheden die het voorwerp uitmaakten van een proces-verbaal van zwarigheden van 26 september 2006.

Gelet op het feit dat terzake geen akkoord kon worden bereikt, heeft de notaris op 21 februari 2007 het proces-verbaal van opening van de werkzaamheden, de staat van vereffening en verdeling en het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden met zijn advies van 9 februari 2007 ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg neergelegd.

Vonnis a quo

Bij het bestreden vonnis:

- worden alle beweringen en zwarigheden als ongegrond afgewezen;

- wordt de staat van vereffening zoals opgesteld door notaris S. op 6 juli 2006, met de aanpassing wat betreft de interesten zoals vermeld in zijn advies van 9 februari 2007, gehomologeerd.

De rechtsplegingsvergoedingen worden gecompenseerd en voor het overige wordt voor recht gezegd dat partijen geen gerechtskosten hebben.

Voorwerp van de hogere beroepen

I. Principaal hoger beroep

Overeenkomstig zijn verzoekschrift tot hoger beroep en conclusie voor het hof vordert appellant, met de hervorming van het bestreden vonnis:

- de staat van vereffening en verdeling aan te passen aan de opmerkingen van appellant, minstens de eedaflegging te bevelen aan partijen i.v.m. de financiële activa en de weggemaakte goederen;

- bevel te geven aan KBC en AXA om alle loonbeslagen lastens appellant over te maken samen met een staat van alle tijdstippen van betaling en oorzaken van de schuld.

Appellant vordert geïntimeerde te veroordelen tot de kosten.

Geïntimeerde vordert het hoofdberoep als ongegrond af te wijzen en appellant te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen, begroot op euro 1.200 per aanleg [hetzij euro 1.320 na indexatie (in hoger beroep)].

II. Incidenteel hoger beroep

Middels in conclusies regelmatig ingesteld incidenteel hoger beroep vordert geïntimeerde:

- de staat van vereffening van de onverdeeldheid tussen partijen, zoals opgesteld door notaris S., aan te passen aan de opmerkingen van geïntimeerde en aldus te bepalen dat appellant intresten op de verschuldigde hoofdsom dient te betalen vanaf de datum van aanmaning op 18 oktober 1999, zodat appellant bijgevolg een bedrag van euro 79.604,97 (berekend tot en met 31 maart 2010, nog aan te vullen met mogelijks bijkomende intresten die zullen verlopen) aan intresten dient te betalen, naast de hoofdsom van euro 113.059,85;

- appellant, naast een mogelijke veroordeling tot een geldboete, te veroordelen tot betaling van euro 2.500 uit hoofde van schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep.

Appellant vordert het incidenteel hoger beroep als ongegrond af te wijzen.

BEOORDELING

1. Aangaande de door partijen geformuleerde beweringen en zwarigheden ten aanzien van de staat van vereffening en verdeling van 6 juli 2006

1.1. Vooraf

Overwegende dat notaris S. op 6 juli 2006 de staat van vereffening en verdeling van de tussen partijen bestaande onverdeeldheid heeft opgemaakt;

Dat hij bij aangetekend schrijven van 8 augustus 2006 de betreffende partijen heeft aangemaand inzage te nemen van voormelde staat en hij partijen heeft uitgenodigd op zijn kantoor teneinde hem toe te laten akte te nemen van hun akkoord dan wel van hun opmerkingen of zwarigheden;

Dat bij gebreke aan overeenstemming een proces-verbaal van beweringen en zwarigheden zou worden opgemaakt;

Overwegende dat beide partijen op voormelde uitnodiging ingingen en alsdan hun bezwaren tegen de staat van vereffening en verdeling kenbaar maakten;

Overwegende dat de notaris in zijn advies van 9 februari 2007 vooreerst zijn standpunt heeft meegedeeld met betrekking tot de door appellant voor het eerst samen met zijn bezwaarschrift aan de notaris overhandigde stukken;

Dat de notaris dienaangaande stelt:

‘Er dient gewezen op het feit dat naar aanleiding van het opstellen van het proces-verbaal van zwarigheden, de heer R. aan ondergetekende notaris stukken meedeelt, waarvan ondergetekende notaris geen kennis heeft gehad.

Het spreekt voor zich dat met deze ‘nieuwe' stukken geen rekening kan worden gehouden.

Partijen hebben inderdaad de mogelijkheid gehad om hun stukken te bezorgen aan ondergetekende notaris bij het proces-verbaal van opening werkzaamheden van eenendertig augustus tweeduizend en vijf; in dit proces-verbaal werd zelfs in een bijkomende termijn voorzien voor de neerlegging van stukken, met name tot dertig november tweeduizend en vijf.';

Overwegende dat geïntimeerde in aansluiting bij voormelde bemerking van de notaris inroept dat met de door appellant buiten de termijn overgemaakte stukken geen rekening kan worden gehouden;

Dat appellant hiertegen in brengt dat:

- geïntimeerde in het kader van de procedure in hoger beroep een inventaris heeft ontvangen alsook ‘een strafbundel (...) i.v.m. de stedenbouwkundige overtredingen en de grootschalige veranderingen aan de eigen woning (oorspronkelijk krot) van verweerster in hoger beroep',

- geïntimeerde de stukken ook in eerste aanleg en vooraf bij de notaris heeft meegedeeld gekregen,

- de kwestie van de niet-mededeling van stukken aan de notaris dan ook ‘voorbijgestreefd' is;

- hij de stukken heeft overgemaakt binnen de termijn,

- er mogelijk iets misgelopen is en dat hij nadien in de loop van de gerechtelijke procedure de stukken opnieuw heeft overgemaakt;

Overwegende dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de stukken waarmee de notaris in het kader van de vereffening-verdeling rekening houdt, en de overtuigingsstukken die partijen voor de rechtbank neerleggen;

Dat wanneer zoals in casu de notaris naast de mogelijkheid voor partijen om over te gaan tot de neerlegging van hun stukken bij gelegenheid van het proces-verbaal van opening van werkzaamheden, dat is te beschouwen als ‘de akte van rechtsingang' van de gerechtelijke verdeling voor de boedelnotaris, te vergelijken met de dagvaarding als akte van rechtsingang van een geschil voor de rechter (zie in die zin: Van Sinay, T., Handboek gerechtelijke verdeling, 2010, 178), in een bijkomende termijn voorziet waarbinnen partijen hun stukken kunnen neerleggen, mag worden verwacht dat partijen zich hier ook strikt aan houden;

Dat de notaris immers op basis van deze stukken, inlichtingen en gegevens zijn staat van vereffening-verdeling opmaakt; dat het niet voorbrengen van de nodige inlichtingen bij het proces-verbaal van opening van werkzaamheden of binnen de daartoe door de notaris bepaalde termijn een bron van vertraging van de afwikkeling van de procedure van gerechtelijke verdeling kan uitmaken, hetgeen in elk geval te vermijden is;

Dat gelet op het feit dat het geheel van de regels van gerechtelijke verdeling erop gericht is dat dergelijke verdelingen op snelle en efficiënte wijze kunnen geschieden, ook moet worden aangenomen dat aan de niet- naleving van de termijn tot mededeling van stukken aan de notaris een sanctie is gekoppeld;

Dat appellant bewijsloos voorhoudt dat hij de aan zijn bezwaarschrift gehechte stukken vooraf aan de notaris en aan geïntimeerde heeft meegedeeld;

Dat zowel de notaris als geïntimeerde dit stellig tegenspreken; Dat er derhalve van moet worden uitgegaan dat de stukken gehecht aan de brief inhoudende bemerkingen en zwarigheden van appellant alsdan voor het eerst aan de notaris en aan de wederpartij ter kennis werden gebracht;

Dat de notaris terecht heeft gesteld geen rekening te kunnen houden met buiten de vooropgestelde termijn mede gedeelde stukken (zie in diezelfde zin: Van Sinay,T., Handboek gerechtelijke verdeling, Larcier, 2001, 197);

Dat dit evenwel niet wegneemt dat partijen voor de rechtbank hun overtuigingsstukken kunnen naar voor brengen en de rechtbank deze niet kan weren louter op grond van het feit dat zij niet voor de notaris zouden zijn neergelegd;

Dat de betreffende stukken ingeval zij zoals in casu zowel in het kader van de procedure in eerste aanleg als voor het hof tijdig werden neergelegd, in elk geval deel uitmaken van het dossier en het hof hierop acht dient te slaan bij de beoordeling van het geschil;

Dat er derhalve geen reden is om hic et nunc met deze stukken geen rekening te houden;

1.2. Onderzoek van de zwarigheden

1.2.1. Wat betreft de financiële activa

Overwegende dat appellant opmerkt dat de boekhouding van het bedrijf en de huishoudelijke gelden volledig werden beheerd door geïntimeerde en dat er grote terugbetalingen zouden zijn gebeurd waarvan hij de aanwending niet kent;

Dat de instrumenterende notaris deze bewering afwijst bij gebrek aan bewijs en op grond van de overweging dat appellant als zaakvoerder van de handelszaak niet enkel de mogelijkheid, maar zelfs de plicht had de boekhouding stipt na te kijken en dat hij, gelet op de toepasselijke regels van het huwelijksvermogensrecht, zijn goederen zelf kon beheren, minstens het beheer ervan zelf kon verifiëren;

Overwegende dat de eerste rechter het advies van de notaris op dit punt heeft gevolgd en heeft besloten tot de bevestiging van de staat van vereffening;

Overwegende dat appellant aanvoert dat zijn hoedanigheid van zaakvoerder niet belet dat door geïntimeerde ‘rekenschap' moet worden gegeven, hetgeen niet is gebeurd ten aanzien van de notaris;

Dat hij voor het hof voor het eerst om de eedaflegging verzoekt;

Dat volgens appellant vermits de partijen niet aan de eedaflegging hadden verzaakt, de notaris de eed had moeten opdragen zonder dat hierover zwarigheden moesten worden geformuleerd en dat de notaris door dit niet te doen, is tekort geschoten op dit vlak;

Overwegende dat de notaris in het proces-verbaal van opening van de werkzaamheden met betrekking tot de financiële activa akte heeft genomen van onder meer volgende verklaring van partijen: ‘(Partijen verklaren) dat alle financiële activa die afhingen van de onverdeeldheid die tussen hen bestond reeds verdeeld zijn en dat zij daaromtrent van elkaar niets meer te vorderen hebben.';

Dat de notaris naar aanleiding van de nadien door appellant geformuleerde vordering in de staat van vereffening en verdeling oordeelde dat uit de aan hem voorgelegde stukken het bestaan van financiële activa niet was gebleken, ‘nog minder over welke bedragen het zou kunnen gaan, noch aan wie deze tegoeden zouden kunnen toebehoren', reden waarom hij deze eis afwees;

Overwegende dat appellant tot op heden geen enkel bewijskrachtig stuk bijbrengt ter ondersteuning van zijn bezwaar;

Dat een met de hand geschreven niet gedateerd noch ondertekend overzicht van goederen en gelden dat appellant in zijn inventaris benoemt als een ‘Lijst meegenomen goederen en gelden door mevrouw S.' zonder enig bijkomend bewijselement de beweringen van appellant niet staaft (stuk 25 van het bundel van appellant);

Overwegende dat wat betreft de eedaflegging het volgende geldt;

Dat het proces-verbaal van opening van werkzaamheden vereist, net zoals in geval van boedelbeschrijving, dat partijen hun loyale medewerking verlenen; dat van hen mag worden verwacht dat zij op een eerlijke manier aan de boedelnotaris alle informatie verstrekken die van belang kan zijn voor de opstelling van de staat van vereffening-verdeling;

Dat evenwel, in tegenstelling tot de boedelbeschrijving, het proces-verbaal van opening van werkzaamheden niet wordt afgesloten met een eedaflegging;

Dat in de gegeven omstandigheden niet valt in te zien waaruit zou blijken dat de eedaflegging overeenkomstig artikel 1183,11° Ger.W. had dienen te geschieden;

Dat geen der partijen hiertoe heeft verzocht hetgeen begrijpelijk is gelet op hun verklaring bij gelegenheid van de opening van de werkzaamheden dat partijen geen meubels noch andere roerende goederen in onverdeeldheid hebben en dat de financiële activa reeds werden verdeeld en partijen desbetreffend niets meer te vorderen hadden;

Dat appellant met betrekking tot de afwezigheid van eedaflegging overigens in zijn bezwaarschrift niets heeft vermeld; dat nergens uit valt af te leiden dat geïntimeerde gegevens zou hebben verzwegen of de boedelnotaris en haar tegenpartij in de vereffening-verdeling zou hebben misleid;

Dat in de gegeven omstandigheden zelfs uitgaande van de actieve tussenkomst van de boedelnotaris op wie een ‘genuanceerde' onderzoeksplicht rust (zie in die zin Van Sinay, o.c., 2010, 186), niets op het vermoeden van verzwijging dan wel verdraaiing van de waarheid in hoofde van één der partijen - hier geïntimeerde - en derhalve op de noodzaak tot het bevelen van de eedaflegging wees;

Dat het scharniermoment voor het indienen van zwarigheden gevormd wordt door de afsluiting van het proces-verbaal van beweringen en zwarigheden door de boedelnotaris;

Dat op dat ogenblik alle bezwaren tegen de staat van vereffening en verdeling kenbaar moeten worden gemaakt;

Dat - behoudens in enkele uitzonderingsgevallen die hier niet aan de orde zijn - met later geformuleerde aanvullingen dan wel vorderingen in beginsel geen rekening kan worden gehouden;

Dat anders oordelen tegenstrijdig zou zijn met het hoger vermelde principe dat de notaris geen rekening houdt met de buiten de termijn voor de neerlegging van stukken neergelegde stukken en verstrekte inlichtingen:

Dat uit wat voorafgaat volgt dat dit bezwaar als ongegrond moet worden afgewezen;

(...)

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het taalgebruik in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep, het incidenteel hoger beroep en de nieuwe eis van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond;

Wijst partijen er van af;

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare burgerlijke te¬rechtzitting van de kamer 3 van het hof van beroep te Brussel op 3 april 2012

waar aanwezig waren en zitting hielden:

P. SENAEVE, Voorzitter,

D. DEGREEF, Raadsheer,

J. DANCKAERTS, Raadsheer,

bijgestaan door L. HEBBELIJNCK, Griffier,

Free keywords

  • Bijzondere rechtspleging. Gerechtelijke verdeling. Oude bepalingen. Proces-verbaal van beeringen en zwarigheden: geen eedaflegging. Proces-verbaal van beweringen en zwarigheden. Scharnierdatum voor het indienen van de zwarigheden.