- Arrêt of April 23, 2012

23/04/2012 - 2009AR2554

Case law

Summary

Samenvatting 1

De toepassing van artikel 13 van de CAO nr. 36bis - gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad en bijgevolg met wederzijds akkoord van werkgevers en werknemers - brengt geen enkele discriminatie of ongelijkheid met zich mee.

Voornoemde CAO is bovendien algemeen verbindend verklaard door het K.B. van 9 december 1981 en heeft bijgevolg dezelfde wettelijke waarden als de bepalingen opgenomen in het desbetreffend K.B.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2009/AR/2554

INZAKE VAN :

De vennootschap naar buitenlands recht UBB UITZENDBUREAU BAKKER, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 4571 CD AXEL (NEDERLAND), Kanaalkade 9, woonstkiezende bij haar raadsman meester

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 22 juni 2009,

vertegenwoordigd door Meester Wim DE VRIESE, advocaat te 2970 SCHILDE, Heidedreef 67,

1ste kamer

TEGEN :

Het SOCIAAL FONDS VOOR DE UITZENDKRACHTEN, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Havenlaan 86 c, bus 302,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester JESPERS loco Meester Filip TILLEMAN, advocaat te 2000 ATNWERPEN, Meir 24 bus 6,

SOCIAAL RECHT. Uitzendkrachten. CAO 36bis de dato 27 november 1981.

Fonds voor de bestaanszekerheid voor de uitzendkrachten. Verplichte bijdrage. Nederlands uitzendkantoor met bijkantoor in België. Stopzetting. Artikel 13 van deze CAO.

De toepassing van artikel 13 van de CAO nr. 36bis - gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad en bijgevolg met wederzijds akkoord van werkgevers en werknemers - brengt geen enkele discriminatie of ongelijkheid met zich mee.

Voornoemde CAO is bovendien algemeen verbindend verklaard door het K.B. van 9 december 1981 en heeft bijgevolg dezelfde wettelijke waarden als de bepalingen opgenomen in het desbetreffend K.B.

_________________________________________________________

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 22 juni 2009, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 17 september 2009;

• de syntheseconclusie van appellante neergelegd ter griffie op 4 maart 2010;

• de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 15 april 2010.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 27 februari 2012 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellante strekte ertoe geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 57.982,79 euro plus de verwijlintresten en de gerechtelijke intresten aan 7% vanaf 19 mei 2005. Bij conclusie werd bovendien een schadevergoeding gevraagd van 1.000 euro wegens het voeren van een tergend en roekeloos verweer.

1.2. De eerste rechter heeft al deze vorderingen afgewezen als ongegrond en appellante veroordeeld in de gerechtskosten.

1.3. In hoger beroep herneemt appellante enkel haar vordering m.b.t. de betaling van het bedrag van 57.982,79 euro plus intresten.

1.4. Bij incidenteel beroep vordert geïntimeerde een verhoogde rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg (= 3.000 euro i.p.v. de toegekende 2.500 euro ).

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat appellante (hierna UBB genoemd) een Nederlands uitzendbureau is dat in 1998 in België een bijkantoor opende.

Eén van de toepasselijke reglementering is de CAO 36bis van 27 november 1981- nadien verschillende keren aangepast - betreffende de oprichting van een Fonds voor Bestaanszekerheid voor de uitzendkrachten en vaststelling van zijn statuten.

2.3. Appellante stopte met de activiteiten van haar bijkantoor op 1 juli 2000.

2.4. Om een bijkantoor te kunnen openen in België diende elke onderneming dewelke een uitzendactiviteit begon vanaf 1 februari 1991 overeenkomstig artikel 13 van voornoemde CAO een verplichte bijdrage te betalen van - destijds - 3.000.000 BEF of 74.368,05 euro .

Bij de stopzetting van haar activiteiten vroeg appellante voornoemd bedrag terug verminderd met een vast recht ten voordele van geïntimeerde - dat niet betwist wordt -, zijnde 200.000 BEF of 4.957,87 euro .

Geïntimeerde betaalde slechts een bedrag terug van 11.427,40 euro en appellante meent recht te hebben op een bijkomend saldo van 57.982,79 euro , voorwerp van huidige vordering.

III. Bespreking.

3.1. Artikel 13 van de CAO 36bis bepaalt het volgende:

"De bijdrage van de werkgevers, bedoeld bij artikel 5,a aan het Fonds, bestaat uit twee delen:

a) Elke onderneming die vanaf 1 augustus 1993 onder het toepassingsgebied van het Paritair Comité voor de uitzendarbeid valt, dient rechtstreeks aan het Fonds een som te storten van 3.000.000 frank en dit in twee keer:

1° een som van 1.000.000 frank moet worden gestort op dezelfde datum als die waarop de vraag om erkenning wordt ingediend;

2° een som van 2.000.000 frank moet worden gestort binnen dertig dagen volgend op de datum van erkenning.Indien de onderneming geen erkenning als uitzendbureau heeft gekregen of indien de onderneming afziet van de verdere erkenningsprocedure, kan zij bij het Fonds een aanvraag indienen met het oog op de terugstorting van de bovengenoemde som van 1.000.000 frank.

...

Van de som van 3.000.000 frank is 200.000 frank definitief verworven door het Fonds.

De overige 2.800.000 frank kunnen op verzoek van de werkgever door het Fonds worden terugbetaald van zodra de werkgever het bewijs voorlegt dat de bijdrage aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is vereffend op een totaal van 50.000.000 frank loonmassa, verworden door de uitzendkrachten, en voor zover de werkgever geen andere schulden heeft aan het Fonds.

...

Op verzoek van een uitzendbureau dat zijn uitzendactiviteit stopzet en dat de in de vorige twee alinea's bepaalde voorwaarden niet vervult, kan de Raad van Beheer van het Fonds, rekening houdend met de schulden die het uitzendbureau heeft aan het Fonds, beslissen de 2.800.000 frank geheel of gedeeltelijk terug te betalen, zo er voor de uitzendkrachten van dat uitzendbureau of voor zijn gewezen uitzendkrachten geen financiële tussenkomsten door het Fonds zijn gedaan of dienen gedaan te worden.

De terugbetaling kan nooit de bijdragen welke door de werkgever moeten worden betaald krachtens punt b) van dit artikel, overtreffen.

b) vanaf 1 juli 1997 bedraagt de bijdrage 8,6% van de brutolonen van de uitzendkrachten." (onderstreping toegevoegd).

3.2. In de periode 1998 - 2000 betaalde UBB in totaal 11.427,40 euro bijdragen aan het Sociaal Fonds.

De terugbetaling kan nooit de bijdragen welke door de werkgever betaald werden overeenkomstig artikel 13, b) van voornoemde CAO, overtreffen. De terugbetaling kan bijgevolg niet hoger zijn dan 11.427,40 euro .

Dit bedrag werd dan ook effectief uitbetaald aan appellante op 9 februari 2006.

3.3. Appellante is echter de mening toegedaan dat geïntimeerde zich niet kan beroepen op voornoemde bepaling omdat deze maatregel een schending inhoudt van de grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet - discriminatie.

In deze is er echter geen verschil in behandeling tussen enerzijds de uitzendbureaus die op het ogenblik van de stopzetting van hun activiteiten wel een totaal bedrag aan bijdragen hebben betaald gelijk aan of meer dan de initieel gestorte bijdrage en anderzijds de uitzendbureaus die op het ogenblik van de stopzetting van hun activiteiten niet in die mate hebben bijgedragen en bijgevolg slechts recht hebben op een gedeeltelijke terugbetaling van die bijdrage.

Van elk uitzendbureau - of het nu gaat om een kleine dan wel een grote onderneming - wordt dezelfde bijdrage gevraagd bij het starten van zijn activiteiten.

Vervolgens dient elk uitzendbureau dezelfde bijdrage te betalen op de brutolonen van de uitzendkrachten. Het alzo betaald bedrag varieert in functie van een objectief criterium met name de omvang van de door de werkgever uitgekeerde loonmassa.

Enkel bij de terugbetaling van de initieel betaalde bijdrage wordt een onderscheid gemaakt in functie of het uitzendbureau al dan niet bijdragen heeft betaald op een totaal minimum loonmassa van 50.000.000 frank (voorheen 20.000.000 frank), zijnde 3.000.000 frank (= voorheen 1.000.000 frank).

Wanneer bijgevolg een uitzendbureau trimestriële bijdragen heeft betaald van minstens 3.000.000 frank in totaal heeft zij recht om haar initieel betaalde bijdrage van 3.000.000 frank terug te vragen ( min de vaste bijdrage) gezien het dan in totaal reeds 6.000.000 frank aan bijdragen heeft betaald.

Een onderneming waarvan de loonmassa kleiner is maar die haar activiteiten verder zet, zal meer tijd nodig hebben om tot een trimestriële bijdrage te komen van in totaal 3.000.000 frank maar zal dan evenzeer recht hebben op een totale teruggave van de initieel gestorte bijdrage.

Wanneer zulk een onderneming een einde maakt aan haar activiteiten vooraleer te komen aan een trimestriële bijdrage van in totaal 3.000.000 frank zal de teruggave van de initieel gestorte bijdrage gebeuren in ruil voor de effectief betaalde bijdragen gedurende de periode waarin zij actief was. Deze onderneming heeft immers geen trimestriële bijdragen meer moeten leveren tot het plafond wordt bereikt van 3.000.000 frank.

De restitutie van de initieel betaalde som gebeurt echter voor elk bedrijf volgens dezelfde verdeelsleutel met name op grond van de door hen betaalde bijdrage en in dezelfde verhouding tot de ontwikkelde loonmassa.

De opdracht van een openbare instelling van het Fonds alsmede de solidariteit die er moet bestaan tussen de uitzendkantoren rechtvaardigen dat de initieel betaalde bijdrage van 3.000.000 frank verworven blijft voor dat gedeelte dat niet gedekt is door trimestriële bijdragen.

3.4. De toepassing van artikel 13 van de CAO nr. 36bis - gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad en bijgevolg met wederzijds akkoord van werkgevers en werknemers - brengt geen enkele discriminatie of ongelijkheid met zich mee.

Voornoemde CAO is bovendien algemeen verbindend verklaard door het K.B. van 9 december 1981 en heeft bijgevolg dezelfde wettelijke waarden als de bepalingen opgenomen in het desbetreffend K.B.

Volledigheidshalve wordt hieraan toegevoegd dat appellante volledig ten onrechte verwijst naar een vonnis van de arbeidsrechtbank van Brussel dd. 11 mei 2001 terwijl dat vonnis integraal hervormd werd bij arrest van het arbeidshof uitgesproken op 29 april 2004 (= A.R. nr. 41.933). In dat arrest en een ander gewezen op dezelfde datum met A.R. nr. 38.839 - waarin de beslissing van de eerste rechter bevestigd wordt - werd eveneens duidelijk gesteld dat artikel 13 van de CAO nr. 36bis geen schending inhield van de grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet - discriminatie.

3.5. Het bestreden vonnis dient op dat punt dan ook integraal te worden bevestigd.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn dan ook niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.6. Geïntimeerde is de mening toegedaan dat de eerste rechter ten onrechte het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding op 2.500 euro heeft begroot i.p.v. op 3.000 euro .

Geïntimeerde is de mening toegedaan dat de hoofdeis en de tegeneis samengeteld dienen te worden teneinde alzo de schaal te berekenen op grond waarvan het basisbedrag kan geraamd worden. Zij komt tot hierna volgende uitkomst: hoofdeis: 57.982,79 euro + 1.000 euro wegens het voeren van een tergend en roekeloos verweer + tegeneis: 2.500 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding = schaal van 60.000,01 euro tot 100.000 euro .

De eerste rechter ging uit van de regel dat enkel de hoofdvordering aanleiding geeft tot een rechtsplegingsvergoeding.

De wet van 21 april 2007 en het K.B. van 26 oktober 2007 hebben enkel de omvang van de rechtsplegingsvergoeding gewijzigd, maar niet het principe. Voornoemd principe was reeds van toepassing vóór de nieuwe regeling.

De eerste rechter heeft dan ook terecht het basisbedrag bepaalt op 2.500 euro (= schaal van 40.000,01 tot 60.000 euro ).

In hoger beroep wordt enkel nog de betaling gevorderd van het bedrag van 57.982,79 euro . Het geïndexeerd basisbedrag bedraagt 2.750 euro .

Dit bedrag komt toe aan geïntimeerde als de in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Veroordeelt appellante in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot

- in hoofde van haarzelf op euro 2936 (186 rolrecht + 2750 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 2750 rechtsplegingsvergoeding;

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

23/04/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS A. DE PREESTER

Free keywords

  • SOCIAAL RECHT. Uitzendkrachten. CAO 36bis de dato 27 november 1981. Fonds voor de bestaanszekerheid voor de uitzendkrachten. Verplichte bijdrage. Nederlands uitzendkantoor met bijkantoor in België. Stopzetting. Artikel 13 van deze CAO.