- Arrêt of May 22, 2012

22/05/2012 - 2009AR96

Case law

Summary

Samenvatting 1

1. De boedelnotaris kan zich geen recht verschaffen en zonder minnelijke of gerechtelijke machtiging provisies opnemen door middel van het afhouden van gelden die tot de te vereffenen onverdeeldheden behoren zonder toestemming van de deelgenoten.

2. De vaststelling van de kosten en erelonen van de boedelnotaris bij een gerechtelijke verdeling wordt bepaald door enerzijds de bijzondere rechtspleging inzake gerechtelijke verdeling (art. 1207 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek) en anderzijds de bijzondere rechtspleging vervat in de wet van 31 augustus 1891 houdende tarificatie en invordering van de honoraria van de notarissen. De taxatieprocedure bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg moet gevolgd worden op straffe van onontvankelijkheid van de vordering van de boedelnotaris tegen de deelgenoten ter betaling van zijn staat van ereloon en kosten van de (volledig afgewerkte) vereffening-verdeling.

3. Wanneer het derdenverzet van de boedelnotaris tegen een arrest ongegrond wordt verklaard wordt hij geacht de in het ongelijk gestelde partij te zijn in de zin van artikel 1017 Ger. W. De gerechtskosten ervan kunnen niet als een kost van de massa beschouwd worden.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2011/

A.R. nr. 2009/AR/96

INZAKE VAN :

De heer X.,

eiser op derdenverzet tegen een arrest uitgesproken door de aanvullende kamer 1S van dit hof van 14 februari 2007,

vertegenwoordigd door Meester DELAHAYE loco Meester Jan STIJNS, advocaat te 3001 LEUVEN (HEVERLEE), Ubicenter, Philipssite 5,

1ste kamer

TEGEN :

1) De heer G. F.,

eerste verweerder op derdenverzet, vertegenwoordigd door Meester Marcel DEPANDELAERE, advocaat te 1030 BRUSSEL, Auguste Reyerslaan 10,

2) De heer R. F.,

3) De heer L. F.,

4) De heer D. F.,

tweede, derde en vierde verweerders op derdenverzet, vertegenwoordigd door Meester Philippe DECLERCQ, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 89,

Gerechtelijke verdeling. Erelonen van de boedelnotaris. Mogelijkheid van provisies te vorderen. Geen eigenrichting door de boedelnotaris. Sanctie.

Eindafrekening van de boedelnotaris. Mogelijk impact van de bijzondere rechtspleging inzake de opvordering van de erelonen van de notaris.

DERDENVERZET. ONGEGRONDVERKLARING. RECHTGEVOLGEN. KOSTEN

1. De boedelnotaris kan zich geen recht verschaffen en zonder minnelijke of gerechtelijke machtiging provisies opnemen door middel van het afhouden van gelden die tot de te vereffenen onverdeeldheden behoren zonder toestemming van de deelgenoten.

2. De vaststelling van de kosten en erelonen van de boedelnotaris bij een gerechtelijke verdeling wordt bepaald door enerzijds de bijzondere rechtspleging inzake gerechtelijke verdeling (art. 1207 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek) en anderzijds de bijzondere rechtspleging vervat in de wet van 31 augustus 1891 houdende tarificatie en invordering van de honoraria van de notarissen. De taxatieprocedure bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg moet gevolgd worden op straffe van onontvankelijkheid van de vordering van de boedelnotaris tegen de deelgenoten ter betaling van zijn staat van ereloon en kosten van de (volledig afgewerkte) vereffening-verdeling.

3. Wanneer het derdenverzet van de boedelnotaris tegen een arrest ongegrond wordt verklaard wordt hij geacht de in het ongelijk gestelde partij te zijn in de zin van artikel 1017 Ger. W. De gerechtskosten ervan kunnen niet als een kost van de massa beschouwd worden.

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het derdenverzet tegen een arrest van de aanvullende kamer 1bis van dit hof van 14 februari 2007.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

Het blijkt niet dat het arrest is betekend aan notaris X.. Het derdenverzet is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld bij dagvaarding aan alle partijen in het arrest (artikel 1125 van het Gerechtelijk Wetboek).

2 De feiten

De relevante feiten kunnen samengevat worden als volgt.

De verweerders op derdenverzet zijn de kinderen van P. F. en G. R., overleden op 26 november 1990, respectievelijk 14 augustus 1991. Zij waren getrouwd onder het wettelijke huwelijksvermogensstelsel bij gebreke aan enig huwelijkscontract.

Op 10 maart 1992 dagvaardt G. F. L., R. en D. F. in gerechtelijke vereffening en verdeling van de ontbonden huwgemeenschap en de opengevallen nalatenschappen van hun ouders.

Bij vonnis van 21 april 1992 beveelt de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de gerechtelijke verdeling, en stelt notarissen X., huidig eiser op derdenverzet, en Z. aan als boedelnotarissen, en notaris Y als notaris-vertegenwoordiger in de zin van artikel 1209, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek.

Op 1 juli 1994 wordt proces-verbaal van de opening der werkzaamheden opgesteld. Op 20 september 1994 gebeurt de notariële boedelbeschrijving.

Op 20 november 1997 wordt een tussentijds proces-verbaal van beweringen en zwarigheden neergelegd in verband met een gedeeltelijke verdeling van roerende goederen.

Bij vonnis van 22 februari 1999 beslist de rechtbank dat de vordering tot gedeeltelijke verdeling ongegrond is, en dat de zwarigheden die niet in het tussentijds proces-verbaal werden geformuleerd, onontvankelijk zijn.

Op 20 maart 2002 wordt de staat van vereffening van 14 augustus 2001 neergelegd, met proces-verbaal van beweringen en zwarigheden van 30 oktober 2001 en het advies van de notarissen van 14 maart 2002.

Bij vonnis van 4 februari 2003 beslist de rechtbank van eerste aanleg te Brussel:

"Zegt voor recht dat de vorderingen naar aanleiding van de staat van vereffening, doch waarbij derden betrokken zijn, niet ontvankelijk zijn in het kader van huidige procedure en het voorwerp dienen uit te maken van een tegensprekelijk debat ten aanzien van bedoelde derden, op initiatief van enig belanghebbende;

Verzendt de staat van vereffening en verdeling de dato 14 augustus 2001 terug naar de notarissen X. (...) en Z. (...) om een aanvullende staat van vereffening op te maken overeenkomstig de in huidig vonnis gegeven richtlijnen;"

Bij arrest van 14 februari 2007 van de aanvullende kamer 1S van dit hof worden het hoger beroep van G. F. en het incidenteel hoger beroep van R., L. en D. F. ontvankelijk verklaard en gedeeltelijk gegrond als volgt:

"Bevestigt het vonnis waartegen beroep, met deze wijzigingen:

- de kosten en het ereloon van notaris Z. van 2.730,32 euro (...) betreffende haar tussenkomsten en verrichtingen andere dan deze van de gerechtelijke vereffening en verdeling zijn kosten van de massa;

- de bontmantel dient te worden toebedeeld (...)

Beveelt dat het reeds begrote bedrag van de kosten en erelonen van de notarissen X. en Z. dat betrekking heeft op de uitvoering van hun opdracht van vereffening-verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap F.-R. en de opengevallen nalatenschappen P. F. en G. R. wordt geconsigneerd in de Deposito- en Consignatiekas op naam van de partijen en de beide notarissen, dit in afwachting dat de notarissen hun staat van kosten en erelonen opmaken en overmaken aan de partijen ter vereffening."

Op 27 augustus 2008 stelt notaris X. een akte op houdende aanpassing van de staat van vereffening van 14 augustus 2001 aan de richtlijnen van het vonnis van 4 februari 2003 en het arrest van 14 februari 2007. Met betrekking tot de erelonen en kosten vermelden de boedelnotarissen in de akte evenwel de beslissing van het hof tot consignatie, maar kondigen zij huidig derdenverzet aan:

"Notarissen X. en Z., die bij de debatten voor de Rechtbank van eerste aanleg en het Hof van Beroep, niet werden gehoord hebben nochtans een rechtstreeks belang bij deze beschikking.

Vermits een akkoord in der minne met de partijen hieromtrent niet mogelijk bleek, ondanks actieve bemiddeling van de beroepsfederatie van de Notarissen, zien ondergetekende notarissen zich genoodzaakt tegen deze beschikking, die hen ernstig nadeel oplevert, derdenverzet aan te tekenen. De staat van vereffening wordt aangepast conform de richtlijnen van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel en het Hof van beroep, met uitzondering van richtlijn met betrekking tot de kosten en erelonen, waartegen eerstdaags derdenverzet wordt aangetekend.

De staat van vereffening wordt afgesloten op 15 augustus 2008, waarbij alle kosten en erelonen, ook deze ontstaan en gemaakt nà de staat van vereffening van 14 augustus 2001, mee worden opgenomen. "

3 Het onderwerp van de vordering

Notaris X. vraagt in hoofdorde te zeggen dat de door hem "aangerekende kosten en erelonen, zoals opgenomen in de wijzigende staat van vereffening van 27.08.2008, integraal gerechtvaardigd en verschuldigd zijn door verweerders op verzet; verweerders op verzet bijgevolg solidair, in solidum zoniet de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot betaling van deze kosten en erelonen, meer de gerechtelijke intresten vanaf 16.12.2008".

Ondergeschikt vraagt hij alvorens recht te doen de zaak te verwijzen naar de taxatiecommissie van de kamer van het genootschap van notarissen van de provincie Vlaams Brabant.

De heren R., L. en D. F. concluderen tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van het derdenverzet.

Bij tegeneis vorderen zij notaris X. te veroordelen tot consignatie overeenkomstig het arrest van 14 februari 2007, en tot het uitkeren van de kavels overeenkomstig hun conclusie, en tot betaling bij wijze van schadevergoeding van de intresten op hun erfdeel tvv de massa minstens sinds 14 februari 2007.

Ondergeschikt vragen zij de vervanging van de notaris.

De heer G. F. gedraagt zich naar de wijsheid met betrekking tot de vordering van notaris X.. Hij maakt voorbehoud voor een vordering tot schadevergoeding met betrekking tot de vertraging in de vereffening en verdeling.

Hij concludeert tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de tegeneis van de heren R., L. en D. F..

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De ontvankelijkheid van het derdenverzet

De dagvaarding van notaris X. bevat het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering (artikel 702 van het Gerechtelijk Wetboek); uit de conclusie van de heren R., L. en D. F. en de heer G. F. blijkt ook dat zij dit voldoende hebben kunnen begrijpen. Dat notaris X. zijn vordering niet begroot, doet daaraan niets af. De exceptie obscuri libelli is ongegrond.

Notaris X. heeft een rechtstreeks en dadelijk belang bij zijn vordering tot vaststelling van zijn erelonen en kosten, en tot veroordeling tot betaling (artikel 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek). De vordering strekt niet tot bescherming van een onrechtmatig belang. De beslissing waartegen derdenverzet bepaalt mee zijn rechten (artikel 1122 van het Gerechtelijk Wetboek), omdat de verplichting tot consignatie invloed heeft op de opvordering van zijn kosten en erelonen.

Het derdenverzet is ontvankelijk.

4.2 De grond van het derdenverzet

In het bestreden arrest overweegt het hof (p. 14):

"27.1. De kosten en erelonen van de notarissen gelast met de verrichtingen van vereffening en verdeling maken niet deel uit van het passief van de massa, doch zijn een kost van de massa.

Een staat van kosten en ereloon wordt opgemaakt éénmaal de gerechtelijke opdracht waarmee de notarissen werden gelast, is afgewerkt.

Het is eigen aan deze gerechtelijke opdracht op een uitgestelde wijze te worden betaald voor de totaliteit van de kosten en prestaties, dit is nadat de opdracht werd beëindigd.

27.2. Uit de voorliggende stukken waarop het hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de notarissen naar analogie met artikel 990 van het Gerechtelijk Wetboek aan de rechter hebben gevraagd het bedrag van een provisie vast te stellen.

27.3. Geïntimeerden bieden aan de bedragen van de kosten en ereloon van de notarissen, opgenomen in de ontwerpstaat van vereffening en verdeling, te consigneren in afwachting dat de notarissen hun opdracht beëindigen waarna de staat van kosten en ereloon wordt opgemaakt en aan de partijen ter vereffening wordt voorgelegd. De notaris X. heeft zich niet verzet tegen deze werkwijze.

Het past gevolg te geven aan dit voorstel."

De notarissen zijn er niet toe gehouden de kosten en registratierechten voor te schieten voor de akten die ze verlijden of de gerechtelijke opdrachten die ze uitvoeren. Zij zijn gerechtigd om aan de betrokken partijen bij de akten die ze zullen verlijden of bij de gerechtelijke opdrachten die ze uitvoeren, provisies of voorschotten op hun definitieve staat van erelonen en kosten te vragen. De definitieve staat van alle verschuldigde erelonen en kosten, in geval van gerechtelijke verdeling, kan echter slechts na de volledige beëindiging van de gerechtelijke opdracht opgemaakt worden, gelet op de vele incidenten die nog kunnen rijzen na de opmaak van het ontwerp van staat van vereffening. De boedelnotaris is overigens rekenschap en verantwoording verschuldigd inzake de concrete begroting van zijn ereloon en kosten aan de partijen die erom verzoeken. Zij kunnen deze rekenschap en verantwoording vragen vooraleer ze de definitieve staat van kosten en erelonen van de boedelnotaris betalen.

Ook bij een gerechtelijke verdeling kan de notaris provisies vragen, zeker gelet op de soms grote kosten en de duur van de procedure. Het zou onbillijk zijn van de notaris - die ook een medewerker is van het gerecht - te eisen dat hij alle kosten voorschiet tot de vereffening gemaakt is.

Er is zelfs geoordeeld dat bij een gerechtelijke verdeling de notaris

-vereffenaar de werkzaamheden kan uitstellen tot een provisie is betaald ter griffie; de notaris kan ook, naar analogie met artikel 987 van het Gerechtelijk Wetboek aan de rechter vragen het bedrag vast te stellen.

Uit het bovenstaande volgt evenwel niet dat de notaris zich recht kan verschaffen en zonder minnelijke of gerechtelijke machtiging provisies kan opnemen door middel van het afhouden van gelden die tot de te vereffenen onverdeeldheden behoren zonder toestemming van de deelgenoten. Het hof treedt daarom de beslissing van het bestreden arrest bij.

Een dergelijke handelwijze kan ook niet geregulariseerd worden bij huidig derdenverzet.

De vaststelling van de kosten en erelonen wordt bepaald door enerzijds de bijzondere rechtspleging inzake gerechtelijke verdeling (art. 1207 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek) en anderzijds de bijzondere rechtspleging vervat in de wet van 31 augustus 1891 houdende tarificatie en invordering van de honoraria van de notarissen.

Artikel 3 van de wet van 31 augustus 1891 bepaalt: "Bij ontstentenis van minnelijke regeling moeten de notarissen aan de voorzitter der rechtbank van eerste aanleg van hun arrondissement de begroting vragen van hun emolumenten, zij wezen al of niet getarifeerd, alvorens uit dien hoofde een rechtsvordering in te stellen of indien de partijen dit eisen". Het betreft een exclusieve bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. Deze taxatieprocedure bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg moet gevolgd worden op straffe van onontvankelijkheid van de vordering van de notaris tegen de deelgenoten ter betaling van zijn staat van ereloon en kosten van de (volledig afgewerkte) vereffening-verdeling; deze bepaling raakt de openbare orde.

De vordering van notaris X. te zeggen dat de door hem en notaris Z., die overigens geen partij is in huidige zaak, aangerekende kosten en erelonen in de wijzigende staat van vereffening van 27 augustus 2008 "integraal gerechtvaardigd en verschuldigd" zijn, kan dus niet ingesteld worden bij huidig derdenverzet.

Notaris X. zal in overeenstemming met het bovenstaande de gerechtelijke verdeling moeten afwerken, eventueel mits provisionering, minnelijk of gerechtelijk, waarna hij zijn staat van kosten en ereloon zal voorleggen aan de partijen. Indien nodig zal hij de procedure van de wet van 31 augustus 1891 toepassen. In het kader daarvan kan een advies van de kamer van notarissen gevraagd worden; dit is vooralsnog niet aan de orde.

Het derdenverzet is dus ongegrond. Daaruit volgt dat het onnodig is notaris X. te veroordelen tot consignatie in overeenstemming met het arrest van 14 februari 2007: nu zijn derdenverzet ongegrond is, is hij gebonden door wat het arrest op dit punt heeft beslist.

Hieruit volgt op zich de verplichting tot teruggave aan de massa, met inbegrip van de vergoeding voor de intresten die de massa ontbeert door het niet respecteren van de richtlijnen voor de notarissen vastgelegd in het bestreden arrest. Op de gelden die in strijd met het bepaalde in het arrest van 14 februari 2007 niet zijn geconsigneerd, is notaris X. aan de massa de intresten verschuldigd aan de rentevoet gehanteerd door de deposito- en consignatiekas.

De vordering van de heren R., L. en D. F. met betrekking tot uitkering van kavels in overeenstemming met hun berekeningsnota is niet ontvankelijk. Door het derdenverzet wordt alleen het oorspronkelijk geschil opnieuw ter beoordeling voorgelegd, en dan nog beperkt tot het voorwerp van het derdenverzet. In overeenstemming met artikel 1219, §2 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen overigens uitsluitend de bezwaren voorgelegd aan de boedelnotarissen het voorwerp uitmaken van een beslissing van de boedelrechter; nieuwe bezwaren kunnen niet rechtstreeks bij de boedelrechter aanhangig gemaakt worden .

Los van de vraag of de vervanging van de notaris niet moet worden gevraagd bij de rechter die de notaris heeft aangesteld, ziet het hof geen reden tot vervanging van notaris X.. Uit zijn derdenverzet blijkt niet zijn onmogelijkheid om de vereffening en verdeling nu met spoed af te werken; zoals boven vermeld is dit ook vereist indien hij zijn staat van kosten en ereloon wil kunnen opstellen. Overigens kan een vervanging op zich leiden tot vertraging van deze procedure; het lijkt niet dat iemand daarbij voordeel heeft.

5 De kosten

Notaris X. moet beschouwd worden als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek; de gerechtskosten van dit derdenverzet kunnen niet als een kost van de massa beschouwd worden.

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet waardeerbaarheid van de vordering (geïndexeerd) 1.320,00 EUR.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het derdenverzet van notaris X. ontvankelijk maar ongegrond, en

zegt dat notaris X. op de gelden die in strijd met het bepaalde in het arrest van 14 februari 2007 niet zijn geconsigneerd, aan de massa de intresten is verschuldigd aan de rentevoet gehanteerd door de deposito- en consignatiekas.

Verklaart de vordering van notaris X. tot vaststelling van zijn kosten en ereloon en tot veroordeling van de heren R., L. en D. F. en de heer G. F. tot betaling daarvan niet ontvankelijk.

Verklaart de tegenvordering van de heren R., L. en D. F. met betrekking tot uitkering van kavels niet ontvankelijk

Veroordeelt notaris X. tot de betaling van de kosten van het derdenverzet, begroot

- in hoofde van eerste verweerder in derdenverzet op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van tweede, derde en vierde verweerders in derdenverzet samen op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

22/05/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

Free keywords

  • Gerechtelijke verdeling. Notaris. Notaris-vereffenaar. Erelonen. Begrtoing. Provisies. Eindafrekening. Eigenrichting.