- Arrêt of June 26, 2012

26/06/2012 - 2009AR1484

Case law

Summary

Samenvatting 1

1. Wat de toepassing van artikel 954 van het Burgerlijk Wetboek (herroeping van de schenking wegens niet vervulling van de lasten) betreft, dient het verzuim vanwege de begiftigde de zeer zware beslissing van de herroeping wegens niet uitvoering van de lasten, kunnen verantwoorden. Het is vereist dat de begiftigde hun verplichtingen, voorzien in de schenkingsakte, dermate hebben miskend, dat een herroeping van de schenking verantwoord was.

2 Voor de toepassing van artikel 955 BW inzake de herroepbaarheid van een schenking wegens grove beledigingen dienen de ingeroepen feiten of fouten van de begiftigde een zekere zwaarwichtigheid te vertonen, aangelegenheid die door de feitenrechter "oppermachtig" of ‘soeverein' wordt beoordeeld, of terzake waarvan de feitenrechter een ruime beoordelingsbevoegdheid heeft. Opdat van grove beledigingen in de zin van artikel 955 van het Burgerlijk Wetboek sprake kan zijn, is vereist dat de aangevoerde feiten ernstig zijn en met animo jurandi (met de bedoeling te beledigen) gesteld werden door de begiftigde.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2009/AR/1484

INZAKE VAN :

1) Mevrouw M. L. B., wonende

2) a) Mevrouw M. B.-B.,

b) De heer K. B.,

c) De heer D. B.,

1ste kamer

d) Mevrouw H. B.,

in hun hoedanigheid van wettige erfgenamen van wijlen de heer R. I. Th. B., overleden op 16 oktober 2011,

alle in hun hoedanigheid van erfgenamen van wijlen de heer J. B., overleden in 1994, en van wijlen mevrouw R. P., overleden op 26 Januari 2010,

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 21 april 2009,

vertegenwoordigd door Meester Conny MOONS, advocaat te 9200 DENDERMONDE, Dr. Emiel Van Winckellaan 14,

TEGEN :

Hypotheekwet

1) De heer J. V., en zijn echtgenote

2) Mevrouw G. B.,

samenwonende

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Patrick COCKX, advocaat te 9255 BUGGENHOUT, Vitsstraat 78,

Gerechtelijke herroeping van schenkingen op basis van artikel 954 en 955 Ger. W.

1. Wat de toepassing van artikel 954 van het Burgerlijk Wetboek (herroeping van de schenking wegens niet vervulling van de lasten) betreft, dient het verzuim vanwege de begiftigde de zeer zware beslissing van de herroeping wegens niet uitvoering van de lasten, kunnen verantwoorden. Het is vereist dat de begiftigde hun verplichtingen, voorzien in de schenkingsakte, dermate hebben miskend, dat een herroeping van de schenking verantwoord was.

2 Voor de toepassing van artikel 955 BW inzake de herroepbaarheid van een schenking wegens grove beledigingen dienen de ingeroepen feiten of fouten van de begiftigde een zekere zwaarwichtigheid te vertonen, aangelegenheid die door de feitenrechter "oppermachtig" of ‘soeverein' wordt beoordeeld, of terzake waarvan de feitenrechter een ruime beoordelingsbevoegdheid heeft. Opdat van grove beledigingen in de zin van artikel 955 van het Burgerlijk Wetboek sprake kan zijn, is vereist dat de aangevoerde feiten ernstig zijn en met animo jurandi (met de bedoeling te beledigen) gesteld werden door de begiftigde.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (7de kamer), na tegenspraak uitgesproken op 21 april 2009, waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 2 juni 2009 ter griffie neergelegd;

- de akte van hervatting van geding neergelegd op 1 april 2010;

- de conclusie van appellanten;

- de syntheseconclusie van geïntimeerden;

- de akte van hervatting van geding door M. A. neergelegd op 3 april 2012;

- de dagvaarding in hervatting van geding van K., D. en H. B., bij exploot van 2 april 2012 betekend.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 14 mei 2012 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellanten stellen hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat hun oorspronkelijke vordering, samen met hun moeder wijlen Rosalia P. ingesteld bij dagvaarding van 24 september 2007 (met randmelding op het hypotheekkantoor), ongegrond verklaart en hen veroordeelt tot betaling van de gerechtskosten.

2. Appellanten vorderen met de hervorming van het bestreden vonnis, om hun oorspronkelijke vordering gegrond te verklaren, bijgevolg te zeggen voor recht dat conform artikel 954 van het Burgerlijk Wetboek, de akte schenking voor notaris X. te X. op 14 november 1974 verleden, ten laste van geïntimeerden wordt herroepen wegens niet-vervulling van de voorwaarden met het gevolg dat de geschonken goederen terugkeren naar de nalatenschap van wijlen de heer J. B. en wijlen mevrouw R. P., vrij van alle lasten waarmee zij door geïntimeerden mochten zijn bezwaard, te weten volgende goederen:

• de naakte eigendom van een woonhuis op en met grond en verdere aanhorigheden gestaan en gelegen te X., M...-steenweg 113, bekend ten kadaster sectie A, nummer 93/t, voor een oppervlakte van 9 aren 53 centiaren en volgens titel 9 aren 94 centiaren en 97 dma;

• de volle eigendom van (1) de meubelen, keuken, eetplaats en slaapkamer en (2) de alem, samen geschat op 10.000 BEF.

Appellanten vragen in ondergeschikte orde om de persoonlijke verschijning van alle partijen in het geding te bevelen, in meer ondergeschikte orde te zeggen voor recht dat de schenking ex artikel 955 van het Burgerlijk Wetboek wordt herroepen wegens ondankbaarheid, in alle gevallen geïntimeerden te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding moreel en materieel vermengd van 5.000 euro en tot betaling van alle gerechtskosten.

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.

3. Geïntimeerden besluiten tot de ongegrondheid van het hoger beroep en tot de niet-ontvankelijkheid van de nieuwe vordering tot betaling van schadevergoeding, met veroordeling van appellanten tot alle gerechtskosten.

II. Relevante feitelijke gegevens

4. Het hof verwijst naar de uiteenzetting van de feiten in het bestreden vonnis en voegt eraan wat volgt.

Het geding betreft dus de vordering tot herroeping van de schenking door de echtgenoten B.-P. aan geïntimeerde bij akte verleden voor notaris X. te X. op 14 november 1974.

5. J. B., overleden in 1994, is in het huwelijk getreden met R., overleden op 26 Januari 2010, onder het oude conventionele stelsel van de gemeenschap van aanwinsten volgens notariële akte verleden op 21 september 1936 voor notaris Leon X..

Uit hun huwelijk zijn drie kinderen geboren: M. (° 1937), R. (°1939) en G. (° 1951).

R. B. is in het huwelijk getreden met M. A.. Hij is op 16 oktober 2011 overleden. De echtgenoten B.-A. hebben drie kinderen gehad: K. (° 1966), D. (° 1968) en H. (° 1969).

6. Op 14 november 1974 werd voor notaris Leon X. een akte van schenking, verleden.

Deze akte bevat giften bedongen "bij vooruitgifte en buiten paart, zonder terugbrengst in natura", door de voormelde ouders B.-P., aan elk van hun drie gemeenschappelijke kinderen:

1° aan hun dochter M. B., echtgenote van R. Van Den Broeck (gehuwd onder het oude conventionele stelsel van de algehele gemeenschap ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris De Schieter te Merchtem op 3 september 1964):

- van de volle eigendom van een bepaald perceel weide,

- en van de naakte eigendom van een bepaald perceel weide.

2° aan hun zoon R. B. gehuwd zonder huwelijkscontract onder het wettelijke stelsel, met mevrouw M. A.: van de naakte eigendom van twee percelen land en van een perceel weide;

3° aan hun dochter G. B., echtgenote van J. V., gehuwd onder het oude conventionele stelsel van de gemeenschap van aanwinsten blijkens huwelijkscontract verleden voor notaris Leon X. op 5 juni 1972:

- van de naakte eigendom van een woonhuis gelegen te X., M...-steenweg 113

- van de volle eigendom van meubelen en ‘alem'.

De akte houdt verder nog het volgende in:

a) De schenkingsakte bepaalde o.a. volgende specifieke lasten ten laste van hun dochter G. B. in verband met de schenking, specifiek aan haar gegeven:

"De begiftigde mevrouw V.-B., evenals haar echtgenoot en hare kinderen zullen samen met de schenkers het haar geschonken woonhuis (gelegen te X. M...-steenweg 113), kosteloos mogen bewonen. Doch in ieder geval behouden de ouders zich uitdrukkelijk het persoonlijk en uitsluitelijk gebruik voor van vier beneden plaatsen, namelijk de voorplaats, de keuken, de slaapkamer op heden door hen in gebruik en de wasplaats, het gebruik van water, gemak en elektriciteit en van de gang, alsmede het recht van in- en uitgang en van te ontvangen wie zij willen, dit alles kosteloos.

Zelfde Mevrouw V.-B. zal de schenkers moeten oppassen en verzorgen zo ziek als gezond (doch zal ze geen voedings- noch dokters en apothekerskosten moeten betalen).

De begiftigde Mevrouw G. V.-B. zal insgelijks moeten betalen de doodskosten, inbegrepen de volledige begrafeniskosten, der schenkers met dienst om tien uur dertig minuten te X. Sint-J. en de grafzerk."

b) De schenkingsakte bevat ook een clausule "ontslag van inschrijving" in volgende termen opgesteld: "De heer hypotheekbewaarder is uitdrukkelijk ontslagen van ambtshalve inschrijving te nemen tijdens de overschrijving van onderhavige akte."

c) De schenkingsakte bevat ook een clausule "goedkeuring" in volgende termen: "De begiftigden, zijnde drie enige kinderen en vermoedelijke erfgenamen van de schenkers, verklaren uitdrukkelijk goed te keuren en te bekrachtigen de schenkingen hiervoren gedaan en te verzaken aan alle hoegenaamde rechten van herroeping derzelfden en de ene tegen de andere geen opmerking noch voorbehoud te doen heeft."

De beweegreden van de ouderlijke schikking vervat in de notariële schenkingsakte van 14 november 1974 wordt als volgt door appellanten verklaard: de ouders streefden ernaar zolang mogelijk in hun woning te kunnen blijven wonen, en te kunnen rekenen op de oppas en de verzorging van hun begiftigde dochter G..

7. Op 13 maart 1986 zijn de ouders B.-P., enerzijds, en de heer en mevrouw V.-B., anderzijds, voor de vrederechter van het kanton Wolvertem verschenen. Een p.v. van minnelijke schikking werd ondertekend i.v.m. "de betaling van elektriciteitskosten en verbruik van water", waarbij partijen tot de volgende schikking zijn gekomen:

Verweerders (= de heer en mevrouw V.-B.) verbinden er zich toe uiterlijk vόόr 30 april 1986 zowel bij de maatschappij voor elektriciteitsverdeling Intercom alswel de maatschappij voor waterleiding de nodige aanvraag en ondertekening van het betreffende contract te doen ten einde teller en rekening op hun naam te doen overschrijven.

Bij niet eerbiediging mogen (de ouders) op overlegging van kopij van deze beschikking die overschrijvingen bekomen."

8. Vader J. B. is in het jaar 1994 overleden.

9. Op 27 juli 1994 werd een dading afgesloten tussen R. P. en haar dochter G. B. betreffende:

a) begrafeniskosten vader (de dochter zal voor slot van alle rekening 100.000 BEF betalen);

b) recht van uitweg;

c) recht van bewoning; Mevrouw G. doet afstand, zonder enige vorm van verdere schadevergoeding, van het recht van bewoning voor haarzelf en haar kinderen in de voormelde woning gelegen et X., M...-steenweg 113.

d) verplichtingen m.b.t. de (toekomstige) begrafenis van moeder bepaalde modaliteiten werden aan de moeder gegarandeerd).

10. Bij exploot van 24 september 2007 (met randmelding op het hypotheekkantoor overeenkomstig artikel 3, eerste lid Hypotheekwet. ), hebben de moeder R. P. en haar kinderen M. en R. B. een vordering ingesteld tegen G. B. en haar echtgenoot J. V..

De vordering van eisers strekte er toe te zeggen voor recht dat conform artikel 954 van het Burgerlijk Wetboek de akte schenking verleden voor notaris X. op 14 november 1974 wordt herroepen ten laste van verweerster en dat de geschonken goederen zouden terugkeren in handen van eerste eiseres (Mevrouw R. P.) en in de nalatenschap van wijlen J. B. anderzijds.

De twee verweerders, J. V. en G. B., besloten tot de ongegrondheid van de vorderingen.

Bij het bestreden vonnis heeft de eerste rechter deze vordering ongegrond verklaard.

R. P., M. en R. B. hebben hoger beroep ingesteld.

11. Rosalia P. is op 26 Januari 2010 overleden. M. en R. B. hebben bij akte neergelegd op 1 april 2010 verklaard het geding te hervatten.

Ingevolge het overlijden van de beide schenkers (de ouders vruchtgebruikers) verwierven de begiftigden van blote eigendom, de volle eigendom.

12. Bij exploot van 15 maart 2010 hebben G. B., en haar echtgenoot J. V., intussen volle eigenaars geworden van het woonhuis te X., M...-steenweg 113, een vordering in kortgeding ingesteld tegen R. en M. B..

Zij vorderden onmiddellijke afgifte van de sleutels van voormeld woonhuis en het opleggen aan R. en M. B. van een verbod om het onroerend goed nog verder te betreden op straffe van verbeurdverklaring van een dwangsom ten belope van 1.000 euro per vastgestelde overtreding.

Bij tegenvordering vorderen R. en M. B. om eisers J. V. en G. B. te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van 2.500 euro wegens tergend en roekeloos geding.

Bij beschikking van 29 juni 2010 heeft de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zetelend in kortgeding, R. en M. B. veroordeeld tot afgifte van de sleutels van het woonhuis te X., en hen verbod opgelegd het goed te betreden onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 euro per vastgestelde inbreuk.

III. Bespreking

1°. Artikel 954 van het Burgerlijk Wetboek

13. Wat de toepassing van artikel 954 van het Burgerlijk Wetboek (herroeping wegens niet vervulling van de lasten) betreft, oordeelde de eerste rechter dat het verzuim vanwege eerste geïntimeerde, de zeer zware beslissing van de herroeping wegens niet uitvoering van de lasten, niet kon verantwoorden. De eerste rechter was van oordeel dat huidige appellanten niet ten genoege van recht aantonen dat G. B. en haar echtgenoot hun verplichtingen, voorzien in de schenkingsakte, dermate hebben miskend, dat een herroeping van de schenking aan G. B. gedaan, verantwoord was.

De eerste rechter heeft hierbij onderstreept:

- dat de feiten anders worden aangevoeld en beleefd door de respectieve partijen;

- dat uit de verhuizing van de begiftigde niet automatisch kan afgeleid worden dat de begiftigde de voorwaarden of lasten van de schenkingsakte (inzake oppas en verzorging van de ouders schenkers) heeft geschonden.

- dat er een toenemende graad van animositeit tussen de ouders of de langstlevende enerzijds en hun dochter G. en haar man anderzijds ontstaan is na enkele jaren van samenwonen onder hetzelfde dak;

- dat er zich verscheidene incidenten hebben voorgedaan, o.a. naar aanleiding van de betaling van de kosten van begrafenis van de vader, welke deels minnelijk geregeld werden (zie o.a. de inhoud van voormelde dadingsovereenkomst);

- dat er discussies waren over de betaling van de kosten van het rusthuis waar de moeder de laatste maanden van haar leven, verbleef;

- dat gedurende een geruime tijd tijdens het leven van de moeder weduwe Rosalia P., haar dochter G. (en haar man J. V.) haar moeder niet ging bezoeken.

14. Appellanten tonen inderdaad niet ten genoege van recht aan, zelfs niet middels gewichtige, precieze en met elkaar overeenstemmende vermoedens in de zin van artikel 1353 van het Burgerlijk Wetboek, dat de geïntimeerden de lasten van de schenking helemaal niet hebben uitgevoerd, noch dat de lasten door hen werkelijk in ‘ruime' mate onvoldoende werden uitgevoerd.

Het blijkt immers niet dat zolang de ouders en dochter G. met haar gezin onder hetzelfde dak woonden, G. de last van oppassen en verzorgen niet of onvoldoende zou zijn nagekomen. Wanneer de ouders wel de schenkingsakte ten voordele van hun kind G. hebben ondertekend, en dus voldoende vertrouwen hadden in hun dochter voor de uitvoering van de door hen bedongen lasten, lijkt het bovendien niet redelijk te stellen dat in de periode onmiddellijk volgend op de gift, de begiftigde reeds in gebreke zou zijn gebleven. In elk geval leveren de appellanten dit bewijs niet. Hun beweringen terzake op bladzijde 13 van hun beroepsverzoekschrift volstaan als bewijs niet.

Er is kennelijk in de aanvang wel een uitvoering van de lasten geweest maar deze uitvoering is blijkbaar in min of meerdere mate slechts onvolledig geworden, en niet tijdens de ganse duur van het leven van de ouders of van de langstlevende moeder. Gelet ook op de waarde van het geschonken goed en de waarde van de beweerde niet-gepresteerde prestaties van de begiftigde, is het Hof van oordeel dat de waarde van de niet-uitgevoerde lasten te dezen geenszins de volle waarde of minstens de helft van de waarde van het onroerend goed overschrijdt.

De eerste rechter heeft bij gevolg terecht beslist dat artikel 954 van het Burgerlijk Wetboek geen toepassing kan vinden. Het hoger beroep van appellanten gesteund op deze bepaling, is ongegrond.

2°. Artikel 955 van het Burgerlijk Wetboek

15. De appellanten vragen, in hoger beroep, in ondergeschikte orde, de herroeping, op grond van artikel 955 van het Burgerlijk Wetboek van de schenking gedaan aan geïntimeerde wegens ondankbaarheid van de begiftigde.

Voor de toepassing van artikel 955 van het Burgerlijk Wetboek dienen de ingeroepen feiten of fouten van de begiftigde een zekere zwaarwichtigheid te vertonen, aangelegenheid die door de feitenrechter "oppermachtig" of ‘soeverein' wordt beoordeeld, of terzake waarvan de feitenrechter een ruime beoordelingsbevoegdheid heeft. Opdat van grove beledigingen in de zin van artikel 955 van het Burgerlijk Wetboek sprake kan zijn, is vereist dat de aangevoerde feiten ernstig zijn en met animo jurandi (met de bedoeling te beledigen) gesteld werden door de begiftigde.

Ondanks het feit dat de wetgever in artikel 955 van het Burgerlijk Wetboek limitatief de gevallen van ondankbaarheid bepaalt - om een te ruime rechterlijke interpretatie van het begrip ‘ondankbaarheid' te voorkomen - behoudt de feitenrechter zijn onaantastbare beoordelingsmogelijkheid: hij dient te oordelen of de feiten van ondankbaarheid zo erg zijn dat zij met een herroeping moeten worden gesanctioneerd.

Te dezen is het hof van oordeel dat de door de appellanten aangehaalde feiten niet voldoende zwaarwichtig, zijn om de toepassing van de civiele straf van de volledige gerechtelijke herroeping te schragen van de gift, gedaan ten voordele van geïntimeerde, wegens ondankbaarheid (artikel 955 van het Burgerlijk Wetboek) te wettigen. Er is immers geen voldoende proportionaliteit tussen de (bij hypothese bewezen) diverse feiten of fouten die aan G. B. worden verweten en de bijzonder zware civiele straf van de volledige gerechtelijke herroeping van de schenking gedaan in haar voordeel door haar ouders.

De ondergeschikte vordering van appellanten, gesteund op artikel 955 van het Burgerlijk Wetboek, werd dan ook terecht ongegrond verklaard.

3°. De gedwongen uitvoering van de lasten

16. Deze vordering is op grond van artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek ontvankelijk nu zij berust op feiten aangevoerd in de dagvaarding.

Uit de tekst van de lasten bedongen in de schenkingsakte van 14 november 1974 blijkt niet voldoende dat geïntimeerde dergelijke last (m.b.t. het betalen van een toeslag voor het verblijf in rusthuis) op zich zou moeten nemen. Het beding moet overigens worden uitgelegd ten voordele van hem die zich verbonden heeft.

De vordering van appellanten is dan ook ongegrond.

4°. Vordering van appellanten tot betaling van schadevergoeding

17. Een fout van eerste geïntimeerde die aan de basis zou liggen van de beweerde morele schade in hoofde van de moeder wordt niet bewezen.

Er dient immers rekening gehouden met de verschillende beleefwijze en met het temperament van partijen. De ontstane onenigheid is overigens niet noodzakelijk te wijten aan eerste geïntimeerde en morele schade in hoofde van de moeder, intussen overleden, wordt niet aangetoond.

Partijen hebben ruim de mogelijkheid gehad hun standpunten schriftelijk uiteen te zetten en het komt niet opportuun voor om hun persoonlijke verschijning m.b.t. zeer oude feiten te bevelen en hen nogmaals ter zitting te horen.

Het hof stelt vast dat partijen overigens niet hebben geconcludeerd over het beding van goedkeuring in de schenkingsakte: "De begiftigden, zijnde drie enige kinderen en vermoedelijke erfgenamen van de schenkers, verklaren uitdrukkelijk goed te keuren en te bekrachtigen de schenkingen hiervoren gedaan en te verzaken aan alle hoegenaamde rechten van herroeping derzelfden en de ene tegen de andere geen opmerking noch voorbehoud te doen heeft."

Het hoger beroep is ongegrond.

18. De gerechtskosten (...):

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

26/06/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Evrard J.SSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS E. J.SSENS DE BISTHOVEN

Free keywords

  • Schenking. Gerechtelijke herroeping op basis van artikel 954 en 955 BW. Niet-uitvoering van de lasten. Grove beledigingen: begrip.