- Arrêt of September 11, 2012

11/09/2012 - 2009AR1710

Case law

Summary

Samenvatting 1

De overdracht van een onverdeelde helft in een onroerend goed aan de afstandhoudster onder last voor haar om de afstanddoener onder andere kost en inwoon te verschaffen valt onder de categorie kanscontracten.

Voor het kwalificeren als een rechtshandeling zuiver te bezwarenden titel, is het niet vereist is dat de respectieve prestaties der beide partijen strikt evenwaardig zouden zijn.

Vanuit de optiek van de artikelen 921 à 930 B.W. inzake de erfrechtelijke reserve bij het nagaan of een rechtshandeling ( = een afstand) geheel of gedeeltelijk een schenking bevat, dient men zich niet te plaatsen op het ogenblik van het overlijden van de vervreemder ( = de afstanddoener) maar wel op het ogenblik van de totstandkoming van het contract, zijnde op het ogenblik van de wilsovereenstemming van de partijen.

Een beweerde vermomde schenking kan niet nietig verklaard worden louter om de reden zelf dat ze vermomd zou zijn.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2009/AR/1710

INZAKE VAN :

Mevrouw E. H.,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te L. op 2 juni 2009,

vertegenwoordigd door Meester Romain VANDEBROEK, advocaat te 3000 L., J.P. Minckelersstraat 33,

1ste kamer

TEGEN :

1) Mevrouw M. B.,

2) De heer H. B.,

3) De heer A. B.,

4) De heer Al. B. en zijn echtgenote

5) Mevrouw X. C.,

6) De heer P. B.,

geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Luc HOLEMANS, advocaat te 3201 LANGDORP, Landorpsesteenweg 82 A,

KANSCONTRACTEN EN ONBENOEMD CONTRACTEN - INKORTING (art. 921 e.v. BW) - BEWIJS VAN VEINZING

De overdracht van een onverdeelde helft in een onroerend goed aan de

afstandhoudster onder last voor haar om de afstanddoener onder andere

kost en inwoon te verschaffen valt onder de categorie kanscontracten.

Voor het kwalificeren als een rechtshandeling zuiver te bezwarenden titel, is het niet vereist is dat de respectieve prestaties der beide partijen strikt evenwaardig zouden zijn.

Vanuit de optiek van de artikelen 921 à 930 B.W. inzake de erfrechtelijke reserve bij het nagaan of een rechtshandeling ( = een afstand) geheel of gedeeltelijk een schenking bevat, dient men zich niet te plaatsen op het ogenblik van het overlijden van de vervreemder ( = de afstanddoener) maar wel op het ogenblik van de totstandkoming van het contract, zijnde op het ogenblik van de wilsovereenstemming van de partijen.

Een beweerde vermomde schenking kan niet nietig verklaard worden louter om de reden zelf dat ze vermomd zou zijn.

.....

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellante strekte ertoe (1) de vereffening en verdeling te horen bevelen van de nalatenschap van de heer J. H., overleden op 21 januari 2007, (2) te horen zeggen voor recht dat de afstand van de woning gelegen te B. bij notariële akte van 19 A. 1993 als schenking moet worden ingekort volgens artikel 920 e.v. B.W. (3) een notaris te horen aanstellen om over te gaan tot de bewerkingen van vereffening en verdeling, o.m. om het onroerend goed te schatten, de onregelmatigheden op rekeningen na te kijken en de inkorting te begroten en (4) een tweede notaris te horen aanstellen om de niet - verschijnende of weigerende partijen te vertegenwoordigen.

1.2. De eerste rechter heeft deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.3. In het hoger beroep herneemt appellante haar oorspronkelijke vordering.

1.4. Geïntimeerden vragen de integrale bevestiging van het bestreden vonnis.

II. De Feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat J. H. - geboren op 3 april 1934 - eerst gehuwd was en dat uit dat huwelijk één kind is geboren, zijnde E. H., huidige appellante.

Nadien is hij uit de echt gescheiden en woonde hij samen met A. C..

J. H. is testamentloos overleden te L. op 21 januari 2007.

A. C. - geboren op 29 oktober 1926 - was de weduwe van J. F. B..

2.3. J. H. en A. C. bezaten samen een onroerend goed, gelegen te B., S...Straat 101, elk voor een onverdeelde helft en beiden bewoonden dit onroerend goed tot op de datum van hun respectief overlijden.

Op 19 A. 1993 werd een akte verleden voor notaris X. met standplaats te Z. , met betrekking tot voornoemd onroerend goed, waarbij J. H. afstand deed van zijn onverdeelde helft in volle eigendom aan A. C..

Als tegenprestatie vanwege de afstandhoudster werd het volgende overeengekomen: "Ter vergoeding van het gerechtigd deel van de afstanddoener ( = J. H.) in voorbeschreven som ( = de facto één miljoen BEF, nu het volledige goed in volle eigendom op twee miljoen oude BEF werd geschat voor de heffing der registratierechten), verbindt de afstandhoudster ( = Mevrouw A. C.) zichzelf, alsmede haar erfgenamen en rechtverkrijgenden, kosteloos aan de afstanddoener te verstrekken:

• recht van medebewoning,

• voedsel,

• volledig onderhoud, daarin begrepen, onder andere, kleding, was, zuiver houden van de woning, licht, verwarming, hulp en bijstand zo in zieke als in gezonde staat, dokterskosten, geneesmiddelen en mogelijke kosten van rusthuis, ziekenhuis..."

Een schadevergoeding werd voorzien a rato van 1.000 BEF per dag - met indexatie - lastens de afstandhoudster bij niet uitvoering van voornoemde lasten.

2.4. Op 29 april 2004 is Mevrouw A. C. testamentloos overleden en liet als erfgenamen haar vijf kinderen na, zijnde:

- M. B.,

- H. B.,

- A. B.,

- A.s. B., gehuwd met X. C., onder het stelsel van de algehele gemeenschap ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris Y. te Z. op 20 april 1977, ongewijzigd volgens verklaring,

- P. B..

Voornoemden zijn de huidige geïntimeerden.

2.5. Voor de heffing van de successierechten werd het huis gelegen te B., S...Straat 101, geschat op 135.000,00 euro .

Op 16 A. 2007 werd voormelde woning verkocht voor de som van 200.793,76 euro .

III. Bespreking.

3.1. Gelet op de artikelen 1104, tweede lid en 1964 B.W. stelt appellante terecht dat voormelde notariële akte van 19 A. 1993 - houdende overdracht van een onverdeelde helft in een onroerend goed aan de afstandhoudster onder last voor haar om de afstanddoener onder andere kost en inwoon te verschaffen onder de modaliteiten gepreciseerd in deze notariële akte - onder de categorie kanscontracten valt.

De omvang van de prestaties van partijen staat immers niet van meet af aan vast maar is afhankelijk van de levensduur van de afstanddoener, wat het kanselement uitmaakt.

In deze gaat het niet om een lijfrentecontract omdat de tegenprestatie niet bestaat in een rente in geld. Het is ook geen zuivere verkoop omdat de tegenprestatie van de verkrijger bestaat - niet in geld - maar wel in lasten om iets te doen.

In wezen is het voorliggende contract eigenlijk een onbenoemd contract waarop o.a. de algemene regels van het verbintenissenrecht van toepassing zijn.

3.2. Als reservataire erfgenaam mag E. H. met alle middelen van recht, met inbegrip van getuigenissen en/of vermoedens, pogen het bewijs te leveren van de simulatie, namelijk dat de akte van 19 A. 1993 in werkelijkheid een schenking zou verbergen, kortom van de veinzing die tot doel zou hebben haar erfrechtelijke reserve te ontwijken.

Hierbij dient opgemerkt te worden dat:

- voor het kwalificeren als een rechtshandeling zuiver te bezwarenden titel, het niet vereist is dat de respectieve prestaties der beide partijen strikt evenwaardig zouden zijn;

- vanuit de optiek van de artikelen 921 à 930 B.W. inzake de erfrechtelijke reserve bij het nagaan of een rechtshandeling ( = een afstand) geheel of gedeeltelijk een schenking bevat, men zich niet dient te plaatsen op het ogenblik van het overlijden van de vervreemder ( = de afstanddoener, de heer H.) maar wel op het ogenblik van de totstandkoming van het contract, zijnde op het ogenblik van de wilsovereenstemming van de partijen.

De verkoopprijs van 200.793,76 euro bekomen op 16 A. 2007 komt bijgevolg niet in aanmerking voor het beoordelen van de vraag:

- of er vanaf het begin een vermomde schenking in het contract van 19 A. 1993 verscholen of verdoken lag;

- of er een onrechtstreekse schenking voorhanden is wegens kwijtschelding achteraf door de afstanddoener H. van een gedeelte van de uitvoering van de lasten.

3.3. De heer H. stond zijn aandeel ( = de onverdeelde helft in volle eigendom in het voormelde onroerend goed ) af op 19 A. 1993 - ter waarde van één miljoen BEF - tegen een last van onderhoud, voedsel en medebewoning die - blijkens de strafclausule - geschat werd - in geval van niet-uitvoering van de lasten - op een tegenwaarde van 1.000 BEF per dag.

In deze overeenkomst van afstand kan men bezwaarlijk een afstand tegen een te lage prijs of tegen een spotprijs ontwaren te meer omdat er tevens voorzien werd dat voornoemd bedrag van 1.000 BEF geïndexeerd diende te worden.

Overigens had de heer H. - die 59 jaar was op het ogenblik van het sluiten van de akte afstand - volgens de (door hem bijgewerkte fiscaalrechtelijke) tabellen van notaris Paul de Ville de Goyet, gepubliceerd in de Revue du notariat 1973, p. 506, nog 10,1 jaar te leven.

De uitvoering van de lasten gedurende deze tien jaar zou in waarde - volgens de bovenbedoelde strafclausule - kennelijk de waarde van de afgestane helft van het voormelde onroerend goed overschrijden. M.a.w. met de cijfers bestaande op de dag van de overeenkomst van 19 A. 1993 staat men dus voor de afstand van de helft van een onroerend goed (1 miljoen BEF voor deze helft) waarbij de afstandhoudster een jaarlijkse last geschat op 365.000 BEF heeft voor mogelijk gedurende afgerond 10 jaar.

Uit deze cijfers volgt dat de afstandovereenkomst van 19 A. 1993 kennelijk een overdracht te bezwarende titel inhoudt en geen vermomde schenking is vanwege de heer H. ten voordele van Mevrouw C. ( gelet op de bedongen waarde van de last lastens haar). Er was dus geen animus donandi (= inzicht om te schenken) vanwege de heer H. voorhanden bij het sluiten van de overeenkomst op 19 A. 1993.

Er is dan ook geen reden voorhanden om toepassing te maken van artikel 922 B.W. omdat de overeenkomst van 19 A. 1993 duidelijk geen schenking uitmaakte bij het sluiten van dit contract.

Het feit dat achteraf het onroerend goed een veel hogere marktwaarde verkreeg - zoals blijkt uit de latere verkoop - heeft niet tot gevolg dat deze overeenkomst (retroactief) een schenking zou zijn geworden waarop artikel 922 B.W. dan weer wel van toepassing zou zijn.

Samengevat dient bijgevolg besloten te worden dat gelet enerzijds op de geschatte waarde van hetgeen de heer H. afstond (1.000.000,00 BEF) en anderzijds op de geschatte waarde van de tegenprestatie (1.000 BEF/per dag, vermenigvuldigd met 365 dagen en vermenigvuldigd met afgerond 10 jaren van diens vermoedelijke levensduur, (namelijk: 1.000 BEF x 365 dagen per jaar x 10jaar (vermoedelijke levensduur) = 3.650.000,00 BEF)) op het ogenblik van de afstand op 19 A. 1993, er, in casu geen enkele reden is voor de toepassing van artikel 922 B.W. inzake de inkorting.

3.4. Een beweerde vermomde schenking kan niet nietig verklaard worden louter om de reden zelf dat ze vermomd zou zijn. Bovendien - in geval van aantasting van de reserve van het kind ingevolge een overdreven schenking gedaan door diens ouder aan een derde - geschiedt een inkorting van de overdreven schenking aan de derde in de vorm van een gerechtelijke gehele of -gedeeltelijke ontbinding - totdat de erfrechtelijke reserve van de reservataire erfgenaam gevrijwaard is, - maar is er geen nietigverklaring van de schenking.

3.5. Appellante dient bijgevolg in deze het bewijs te leveren van de animus donandi (= het inzicht om te schenken) in hoofde van J. H..

Hierbij dienen de beweegredenen van de schenker onderzocht te worden (W. PINTENS e.a. Inleiding tot het familiaal vermogensrecht, L. 2002, 434, nr. 905).

Appellante levert niet ten genoege van recht het bewijs dat er in deze duidelijk en ondubbelzinnig een animus donandi bestond in hoofde van J. H..

De voormelde notariële akte van afstand dient - in acht genomen de tekst en het doel ervan - beschouwd te worden als een schikking vanwege de heer H. m.b.t. zijn oude dag waarbij hij zich zelf wou verzekeren van de hulp - in ruime zin - vanwege Mevrouw C. of haar rechthebbenden.

Dit is een voldoende motief voor de boven vermelde contractuele regeling te bezwarende titel, overeengekomen tussen de heer H. en Mevrouw C..

Uit de termen van het contract en uit het latere feitenmateriaal blijkt afdoend dat de heer H. een schikking voor zijn oude dag wenste die hem voldoende zekerheid en geruststelling kon geven. Appellante toont niet aan dat de voormelde afstand in deze een schikking betrof om haar erfrechtelijke reserve te vermijden of te omzeilen.

3.6. Appellante stelt ten slotte dat Mevrouw C. onvoldoende de bedongen lasten zou hebben uitgevoerd zodat het niet volledig om een contract te bezwarende titel zou gaan.

Aldus zou - volgens haar - uit de controle van de zichtrekening van vader H. (weduwnaar in de periode 30/4/2004 en 21/01/2007) blijken dat de heer H. meerdere kosten zelf betaalde, zoals elektriciteit, telefoon en kosten OCMW (= poetsdienst en warme maaltijden) wat tot gevolg heeft dat Mevrouw C. op deze punten de lasten niet volledig zou hebben uitgevoerd.

Geïntimeerden repliceren dat J. H. slechts sporadisch op het OCMW een beroep deed en dat er overigens naast het poetsen en het maken van warme maaltijden nog andere lasten en verplichtingen van zorg en onderhoud overbleven lastens Mevrouw C..

Ook hier bewijst appellante niet afdoend dat mevrouw C. door geen volledige uitvoering te geven aan de haar opgelegde lasten zelf het karakter van de overeenkomst te bezwarenden titel zou aangetast hebben of afgezwakt hebben.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat appellante geen goed contact had met haar vader - wat ze zelf toegeeft - zodat ze bezwaarlijk volledige en onbetwistbare gegevens kan verstrekken over de precieze concrete levenswijze en uitgaven van haar vader van wie ze vervreemd was.

3.7. De voormelde overeenkomst is derhalve een zuiver contract te bezwarende titel die geen vermomde schenking inhoudt zodat er bijgevolg geen reden is tot inkorting over te gaan in de zin van artikel 920 e.v. B.W.

Er is dan ook geen reden voorhanden om de uit onverdeeldheid treden te bevelen precies bij gebreke aan een onverdeeldheid.

Het bestreden vonnis wordt dan ook integraal bevestigd.

...

OM DEZE REDENEN :

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond.

Bevestigt derhalve het bestreden vonnis.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

11/09/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS A. DE PREESTER

Free keywords

  • Onbenoemde contracten. Kanscontracten. Veinzing: bewijs. Vermomde schenking.