- Arrêt of September 11, 2012

11/09/2012 - 2009AR1062

Case law

Summary

Samenvatting 1

Artikel 1384, lid 1 B.W. De bewaarder van een zaak is de persoon die voor eigen rekening van de zaak gebruikt maakt, het genot ervan heeft of voor het behoud ervan zorgt, met recht van toezicht, leiding en controle.

Het begrip bewaring moet concreet worden geapprecieerd in functie van de effectieve macht van gebruik, leiding en controle, waarbij het zowel om een rechtsbevoegdheid kan gaan als om een feitelijke bevoegdheid.

Om te bepalen welke persoon de bewaarder is van een zaak, dient men zich te plaatsen op het ogenblik waarop de door een mogelijk gebrek aangetaste zaak schade berokkent aan een derde.

De feitenrechter oordeelt onaantastbaar wie de bewaarder van de zaak is in de zin van voornoemde bepaling.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2012/

A.R. nr. 2009/AR/1062

INZAKE VAN :

De naamloze vennootschap ATELIERS VLASSENROOT, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1702 DILBEEK, Noordkustlaan 14, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0401.927.616,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 24 december 2008,

vertegenwoordigd door Meester SALAMONE loco Meester Isabelle BAELE, advocaat te 1780 WEMMEL, de Limburg Stirumlaan 248, en loco Meester Luc VAEL, advocaat te 1170 BRUSSEL, Vorstlaan 36,

1ste kamer

TEGEN :

1) Mevrouw J. H.,

2) Mevrouw F. V., ,

eerste en tweede geïntimeerden, vertegenwoordigd door Meester Denis BORRÉ, advocaat te 1082 BRUSSEL, Dr? Schweitzerplein 18,

3) Mevrouw G. M.,

derde geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester FEYS loco Meester Christine VAN DE VELDE, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30,

Artikel 1384, lid 1 B.W. De bewaarder van een zaak is de persoon die voor eigen rekening van de zaak gebruikt maakt, het genot ervan heeft of voor het behoud ervan zorgt, met recht van toezicht, leiding en controle.

Het begrip bewaring moet concreet worden geapprecieerd in functie van de effectieve macht van gebruik, leiding en controle, waarbij het zowel om een rechtsbevoegdheid kan gaan als om een feitelijke bevoegdheid.

Om te bepalen welke persoon de bewaarder is van een zaak, dient men zich te plaatsen op het ogenblik waarop de door een mogelijk gebrek aangetaste zaak schade berokkent aan een derde.

De feitenrechter oordeelt onaantastbaar wie de bewaarder van de zaak is in de zin van voornoemde bepaling.

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 24 december 2008, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 22 april 2009;

• de conclusie van appellante neergelegd ter griffie op 16 februari 2010;

• de syntheseconclusie van geïntimeerden sub 1 en 2 neergelegd ter griffie op 15 april 2010;

• de syntheseconclusie van geïntimeerde sub 3 neergelegd ter griffie op 11 juni 2010.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 12 juni 2012 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde sub 1 strekte ertoe appellante te horen veroordelen tot betaling aan haar in eigen naam van een provisie van 2.500 euro - nadien herleid tot 1.000 euro - en q.q. van 25.000 euro - nadien herleid tot 10.000 euro -, telkens plus de intresten.

Zij vroeg tevens, vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde, een geneesheer - deskundige aan te stellen met als opdracht de lichamelijke schade verder te bepalen in hoofde van het slachtoffer, zijnde haar destijds minderjarige dochter F. VANDUNNEGEM, thans geïntimeerde sub 2 die het geding in eigen naam heeft verder gezet.

Deze vordering werd ingesteld voor de politierechtbank te Vilvoorde.

Appellante ging dan over tot het dagvaarden in gedwongen tussenkomst en vrijwaring van geïntimeerde sub 3. Hierna breidden de eisende partijen - F. VANDUNNEGEM was inmiddels meerderjarig geworden - hun vordering uit tegen geïntimeerde sub 3. In ondergeschikte orde vroegen zij - ingeval enige fout in hunnen hoofde zou aangehouden worden - appellante en geïntimeerde sub 3 te veroordelen om hen te vrijwaren.

1.2. De politierechtbank heeft bij vonnis van 13 maart 2008 de zaak verzonden naar de Arrondissementsrechtbank van Brussel.

Op 19 mei 2008 besliste de Arrondissementsrechtbank van Brussel om de zaak te verwijzen naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

1.3. De eerste rechter heeft (1) de vordering in zoverre gericht tegen appellante ontvankelijk en deels gegrond verklaard, (2) de vordering in zoverre gericht tegen geïntimeerde sub 3 ontvankelijk doch ongegrond verklaard, (3) appellante veroordeeld om te betalen aan geïntimeerde sub 1 van een provisie van 1.000 euro en aan geïntimeerde sub 2 van 5.000 euro , (4) de vordering in vrijwaring van appellante tegen geïntimeerde sub 3 ontvankelijk doch ongegrond verklaard en (5) Dr. HUYBRECHTS aangesteld als deskundige om o.a. het slachtoffer te onderzoeken en de door haar opgelopen letsels te beschrijven.

1.4. Het hoger beroep van appellante beoogt in hoofdorde de tegen haar ingestelde vordering ongegrond te horen verklaren en in ondergeschikte orde herneemt zij haar vordering in vrijwaring tegen geïntimeerde sub 3.

1.5. Alle geïntimeerden vragen in hoofdorde de bevestiging van het bestreden vonnis.

In ondergeschikte orde - bij wijze van incidenteel beroep - vorderen geïntimeerden sub 1 en 2 om geïntimeerde sub 3 mede aansprakelijk te stellen voor het ongeval en haar te veroordelen tot betaling van de door de eerste rechter toegekende provisies en ingeval enige fout in hunnen hoofde zou aangehouden worden appellante en geïntimeerde sub 3 te veroordelen om hen te vrijwaren.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat zich op 30 juli 2001 omstreeks 20.50u een ongeval voordeed te Zellik ter hoogte van de ingang van het bedrijfsterrein van appellante.

Geïntimeerde sub 2 - toen 10 jaar oud - bevond zich ter hoogte van de ingangspoort van voornoemd terrein en zij zou zich, gezeten op haar fiets, op een bepaald moment vastgehouden hebben aan die poort.

Hierop viel de poort op geïntimeerde sub 2 die daarbij ernstig gewond geraakte.

2.3. Kort voordien zou geïntimeerde sub 3 zich met een tractor en aanhangwagen door de toegang in kwestie hebben begeven.

Haar wordt verweten van de ingangspoort zonder toestemming te hebben geopend en mogelijks aangereden te hebben wat ten stelligste betwist wordt.

III. Discussie.

3.1. De vordering in zoverre gericht tegen appellante is gesteund op artikel 1382 e.v. B.W. en op artikel 1384, lid 1 B.W.

3.2. Artikel 1384, lid 1 B.W. bepaalt dat iemand aansprakelijk is niet alleen voor de schade veroorzaakt door de eigen daad maar ook voor die welke veroorzaakt wordt door de daad van personen voor wie men moet instaan of voor zaken die men onder zijn bewaring heeft.

Artikel 1384 B.W. schept geen vermoeden van fout maar wel een vermoeden van aansprakelijkheid.

3.3. De bewaarder van een zaak is de persoon die voor eigen rekening van de zaak gebruikt maakt, het genot ervan heeft of voor het behoud ervan zorgt, met recht van toezicht, leiding en controle.

Het begrip bewaring moet concreet worden geapprecieerd in functie van de effectieve macht van gebruik, leiding en controle, waarbij het zowel om een rechtsbevoegdheid kan gaan als om een feitelijke bevoegdheid.

Om te bepalen welke persoon de bewaarder is van een zaak, dient men zich te plaatsen op het ogenblik waarop de door een mogelijk gebrek aangetaste zaak schade berokkent aan een derde.

De feitenrechter oordeelt onaantastbaar wie de bewaarder van de zaak is in de zin van voornoemde bepaling.

3.4. In deze is het duidelijk dat appellante de bewaarder is van de litigieuze poort.

De poort diende om de bedrijfsgebouwen van appellante af te sluiten. Bovendien geeft appellante toe dat op het ogenblik van het ongeval onderhoudswerken aan de gang waren die op haar verzoek werden uitgevoerd.

Op het ogenblik van het ongeval maakte appellante voor eigen rekening van de zaak gebruik van die poort, had zij het genot ervan en zorgde zij voor het behoud ervan, met recht van toezicht, leiding en controle.

3.5. Het is ten onrechte dat appellante voorhoudt dat niet zij op het ogenblik van het ongeval de bewaarder was van de zaak maar wel geïntimeerde sub 3 omdat zij tijdens haar afwezigheid (= bouwverlof) gebruik maakte van die poort en van de oprit van het bedrijfsterrein om er, ter plaatse, een lading hooi te lossen in een opslagplaats op een aangrenzend erf.

Geïntimeerde sub 3 had noch het genot noch het gebruik van die poort voor eigen rekening en had geen verplichting tot onderhoud en toezicht.

Zij maakte enkel sporadisch gebruik van die toegang - met instemming van appellante - om zich te begeven naar een opslagplaats waar hooi werd gestapeld voor louter privé - doeleinden. De poort in kwestie was daarenboven niet eens op slot en op het ogenblik van het ongeval waren onderhoudswerken aan de gang aan die poort in opdracht van appellante.

3.6. De eerste rechter heeft dan ook terecht appellante aangewezen als de bewaarder van de litigieuze poort.

3.7. Een zaak lijdt aan een gebrek, wanneer de zaak een abnormaal kenmerk vertoont, waardoor ze in bepaalde omstandigheden schade kan veroorzaken.

Derhalve moet nagegaan worden of het kenmerk van de zaak, waarvan het slachtoffer beweert dat het een gebrek is dat hem schade heeft berokkend, een abnormale dan wel een normale gesteldheid is van de zaak. In het laatste geval kan er geen sprake zijn van een gebrek.

3.8. Het bedrijfsterrein van appellante is afgesloten met een zware, metalen schuifpoort.

Toen geïntimeerde sub 2 - die toen 10 jaar oud was - zich, gezeten op haar fiets, aan één van de spijlen van die poort vasthield, is die poort omgevallen omdat deze niet meer rolde over de daartoe voorziene rail met zware verwondingen als gevolg voor het slachtoffer (= bekkenbreuk en ruptuur van de urethra).

Het omvallen van een dergelijke zware poort nadat een kind zich aan één der spijlen vasthoudt, gezeten op haar fiets wijst op een abnormale gesteldheid van de zaak.

Een dergelijke poort die, in de gegeven omstandigheden omvalt, is dus gebrekkig.

De schade zou zich niet hebben voorgedaan zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan indien het gebrek van de zaak niet had bestaan. Enkel en alleen het omvallen van die zware poort is de oorzaak van de schade.

Ook op dit punt wordt het bestreden vonnis bevestigd.

3.9. Of appellante daarenboven ook nog een fout zou hebben begaan op grond van artikel 1382 e.v. B.W. dient niet nader onderzocht te worden omdat deze rechtsgrond geen aanleiding geeft tot een ruimere schadevergoeding dan op grond van artikel 1384, lid 1 B.W.

3.10. Het aansprakelijkheidsvermoeden dat op de bewaarder rust kan enkel weerlegd worden indien de bewaarder het bewijs levert dat de schade niet te wijten is aan een gebrek in de zaak maar veroorzaakt werd door een vreemde oorzaak, met name toeval, overmacht, daad van een derde of van het slachtoffer.

Uit de diverse getuigenverklaringen blijkt dat de kwestieuze poort sporadisch op slot werd gedaan en dat het niet ongewoon was dat kinderen gingen fietsen op de bedrijfsterreinen van appellante.

In die zin kan noch een fout verweten worden aan de moeder noch aan het slachtoffer zelf.

Het behoorde aan appellante om de poort steeds slotvast achter te laten indien zij niet wenste dat haar bedrijfsterreinen betreden werden. Op het ogenblik van het ongeval was overigens niet duidelijk vermeld op de poort zelf dat het betreden van het terrein in kwestie verboden was. Een dergelijk verbodplaat is er maar later gekomen.

3.11. Er kan evenmin aan geïntimeerde sub 3 enige fout verweten worden.

Volgens haar verklaring stond de poort open op het ogenblik dat zij er door reed met haar tractor. Dit wordt ook bevestigd door de spelende kinderen.

Deze versie is niet onwaarschijnlijk. Vooreerst blijkt uit het strafdossier dat op het ogenblik van het ongeval het elektronisch systeem was afgezet en de poort enkel manueel kon geopend worden. Het betreft een zware poort die geïntimeerde sub 3 gelet op het gewicht ervan onmogelijk alleen kon geopend hebben wat overigens ook geldt voor het slachtoffer. Gelet op het vastgestelde gebrek zou bovendien bij het openen van die poort deze ook omgevallen zijn gezien dit al gebeurde wanneer een kind van 10 jaar zich vasthield aan één van de spijlen.

Het bewijs wordt evenmin geleverd dat geïntimeerde sub 3 bij het binnen rijden met haar tractor de poort zou aangereden hebben. Nergens wordt melding gemaakt van enige beschadiging aan de poort te wijten aan een aanrijding. En opnieuw dient vastgesteld worden dat in de gegeven omstandigheden bij een aanrijding die poort eveneens zou zijn omgevallen.

De eerste rechter heeft dan ook terecht de vorderingen in zoverre gericht tegen geïntimeerde sub 3 afgewezen.

3.12. Wat de schade betreft kende de eerste rechter aan geïntimeerde sub 1 een provisie toe van 1.000 euro en aan geïntimeerde sub 2 van 5.000 euro en stelde, vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde, Dr. Albert HUYBRECHTS aan als gerechtelijke deskundige.

Geïntimeerden sub 1 en 2 vragen de bevestiging van het bestreden vonnis en appellante schikt zich desbetreffend naar de wijsheid van het hof.

De eerste rechter heeft de toegekende provisies naar behoren begroot gelet op de medegedeelde stukken en is even terecht overgegaan tot de aanstelling van een gerechtelijke deskundige.

3.13. Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.14. Appellante vraagt een rechtsplegingsvergoeding van 900 euro en geïntimeerden van telkens 1.100 euro .

Gelet op het gevorderde (= schaal van 5.000,01 euro tot 10.000 euro ) bedraagt het basisbedrag, na indexatie, 990 euro .

Dit bedrag komt toe enerzijds aan geïntimeerden sub 1 en 2 samen en anderzijds aan geïntimeerde sub 3 afzonderlijk die de (overwegend) in het gelijk gestelde partijen zijn die vertegenwoordigd worden door een verschillende raadsman.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Verwijst de zaak bij toepassing van artikel 1068, tweede lid Ger.W. opnieuw naar de eerste rechter.

Veroordeelt appellante in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot

- in hoofde van haarzelf op euro 1.176 (186 rolrecht + 990 rechtsplegingsvergoeding),

- in hoofde van eerste en tweede geïntimeerden samen op euro 990 rechtsplegingsvergoeding, en

- in hoofde van derde geïntimeerde op euro 990 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

11/09/2012

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Bart De GEEST, Plaatsvervangend Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS B. DE GEEST

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Free keywords

  • Art. 1384, lid 1 BW. Bewaarder van de zaak: begrip en concrete toepassing. Soevereinde beoordeling door de feitenrechter.