- Arrêt of May 29, 2012

29/05/2012 - C/988/12

Case law

Summary

Samenvatting 1

Arrêt - Integral text

4 e kamer

het hof van beroep te Gent, vierde kamer, recht doende in correctionele zaken

Not. Nr. GE/43.L6.4707/06

in de zaak van het openbaar ministerie en van de burgerlijke partijen:

B....... D..........en V............... I.........

Beiden in eigen naam, namens de huwgemeenschap en in naam van de minderjarige A........ B........, E...... B...... en I.......... B........, samen wonende te ...............

tegen:

Nr. R.......... C.........., M.........,

verpleegkundige, geboren te D........ op ..............,

wonende te ............................

VERDACHT VAN :

A. ...

B.

Om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uitvoering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben, door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder zijn bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden,

Opzettelijk verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan B............. A..........., die voor deze hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge gehad hebben,

met de omstandigheid dat het misdrijf werd gepleegd op een minderjarige, namelijk B............. A..............., geboren op ....................... of op een persoon die uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet bij machte was om in zijn onderhoud te voorzien, en door enig ander persoon die gezag heeft over het kind of de onbekwame of hem onder zijn bewaring heef,

Minstens:

door gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, maar zonder oogmerk om de persoon van een ander aan te randen, onopzettelijk slagen of verwondingen te hebben toegebracht aan B................ A..........., geboren op ..............

te ..................................

* * * * * * * * * * *

* * * * * * * * *

* * * * * * *

* * * * *

* * *

*

*

*

*

*

*

*

Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, 19° correctionele kamer, met 3 rechters, dd. 18 maart 2011, rechtdoende op tegenspraak, werd als volgt beslist:

STRAFRECHTELIJK

Ontslaat C............. R..................van rechtsvervolging voor de tenlastelegging B.

Beveelt de overmaking aan het openbaar ministerie om te handelen als naar recht, van de overtuigingsstukken neergelegd ter griffie van de correctionele rechtbank te Gent onder nummers:

­ 2006 5965,

­ 2006 6071,

­ 2007 1122,

­ 2007 3261 - met het oog op teruggave aan AZ Oudenaarde,

­ 2007 6427,

­ 2007 8156 - met het oog op teruggave aan de rechtmatige eigenaar,

­ 2008 0162 - met het oog op teruggave aan UZ Gent.

Laat de kosten, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, ten laste van de Staat, begroot op 1.170,02 EUR.

BURGERRECHTELIJK

Verklaart zich niet bevoegd te statueren over de eis van de burgerlijke partijen gelet op de vrijspraak van de beklaagde.

Laat de gebeurlijke kosten gevallen aan de zijde van de burgerlijke partijen ten hunnen laste.

* * * * * * * * *

Tegen alle beschikkingen van voormeld vonnis werd hoger beroep ingesteld:

- door de burgerlijke partijen, B.......... D............... en V............. I........ Beiden in eigen naam, namens de huwgemeenschap en in naam van de minderjarige A....... B........., E........ B........en I........ B......, tegen .........C....... R........., op .............

- door het Openbaar Ministerie, tegen de beklaagde voornoemd, op 25 maart 2011.

* * * * * * * * *

Gehoord ter openbare terechtzitting dd. 24 januari 2012 in het Nederlands:

- de burgerlijke partijen, D....... B.......(in persoon aanwezig) en I.....V............, beiden optredende in eigen naam, en samen namens de huwgemeenschap en in naam van de minderjarige kinderen A........ B......., E.......B........ en I........B....., in hun eisen, bijgestaan en vertegenwoordigd door meester Filip Van Hende, advocaat te Gent;

- Advocaat-generaal E. Coppens in zijn vordering;

- de beklaagde, C.......... R..........., in haar middelen van verdediging, bijgestaan door meester Jan Vande Moortel, advocaat te Gent.

* * * * * * * * * *

De hoger beroepen zijn regelmatig naar tijd en vorm.

Op strafrechtelijk gebied.

1. Door de eerste rechter werd op het derde tot en met het zevende blad van het bestreden vonnis een oordeelkundige en correcte uiteenzetting van de feiten gegeven, uiteenzetting die hier dan ook als herhaald wordt aanzien.

Ter aanvulling van diezelfde feitelijke uiteenzetting van de eerste rechter dienen naar het oordeel van het Hof volgende gegevens tevens te worden weerhouden:

• A...... B......werd door de beklaagde, C........ R........, in haar hoedanigheid van onthaalmoeder sedert maandag 28 augustus 2006 opgevangen.

• Het oude subduraal hematoom kan niet exact gedateerd worden. Prof. Dr. E. De Letter, door de onderzoeksrechter aangesteld, en de behandelende artsen menen, aan de hand van medische beeldvorming via CT en NMR (ook wel MRI genoemd), dat het oude subduraal hematoom één enkel oud letsel betreft en minstens 1 à 2 weken oud is, te rekenen vanaf vrijdag 8 september 2006, wanneer het ten laste gelegd feit zich voordeed.

• Er werden op 8 september 2006 subarachnoïdale bloedingen en retinabloedingen vastgesteld die door Prof. Dr. E. De Letter en de behandelende artsen als recent worden omschreven, dit aan de hand van medische beeldvorming via CT (-scan, verricht op diezelfde dag) én een oogfundus-onderzoek.

• Prof. Dr. E. De Letter stelde op de negende pagina van haar deskundigenverslag van 13 november 2006 dat het NMR-beeld past bij een ernstige asfyxie. De recente subarachnoïdale bloeding en de verse retinabloedingen (die zij omschrijft als compatibel met het verhaal van de beklaagde voornoemd waarbij zij het kind geschud heeft op het moment dat het niet reageerde op haar aanspreken, zie pag. 22 deskundigenverslag) vormen volgens haar echter geen verklaring voor het asfyxie-beeld, wat tegengesproken wordt door Dr. R. Bilo (zie verder). Dr. R. Bilo spreekt overigens ook tegen dat subarachnoïdale bloedingen en retinabloedingen kunnen ontstaan door licht schudden.

• Prof. Dr. E. Deletter kan de oorzaak van de asfyxie (zuurstoftekort) niet exact duiden.

• Prof. Dr. D. Carton, tevens aangesteld door de onderzoeksrechter, stelt in zijn deskundigenverslag van 7 augustus 2008 dat de neurologische afwijkingen en de psychomotore retardatie te wijten zijn aan een toestand van hypoxie/ischemie (zijnde doorbloedingsstoornissen en ernstig zuurstoftekort).

• Hij stelt dat zelfs met de kennis van een ouder subduraal hematoom het moeilijk blijft de episode van acuut levensbedreigende situatie waarin A...... B........... (door beklaagde voornoemd, voordat ze de baby licht schudde) gevonden werd te verklaren.

• In zijn verslag van 10 maart 2010 (als stuk 4 door de beklaagde voornoemd regelmatig neergelegd ter terechtzitting van het Hof van 24 januari 2012) stelt Dr. L. Dessers, aangesteld door beklaagde voornoemd, dat er een ernstige cerebrale problematiek aanwezig was nog voor beklaagde enige handeling had gesteld. Hij stelt dat het oude subduraal hematoom epileptische insulten/aanvallen tot gevolg kan hebben. In zijn aanvullend verslag van 23 juli 2010 (zie stuk 5, stukkenbundel van de beklaagde voornoemd) sluit hij ook niet uit dat eerder epileptische aanvallen aan de oorzaak kunnen liggen van een cranieel trauma met subduraal hematoom.

• In zijn eerste verslag dd. 1 maart 2011 stelt Dr. J. Marchand, aangesteld door de burgerlijke partijen, het echtpaar D...... B......l - I..... V........., dat het onmogelijk is voor de artsen uit te maken of A....... werd geschud om haar te resusciteren, of eerst geschud werd met als gevolg stokkende ademhaling en zelfs apneu. Hij stelt dat de verklaringen van de beklaagde voornoemd omtrent het schudden geen aanwijzingen geven dat op dat moment de letsels zijn ontstaan en dat de manier waarop ze hulp bood eveneens adequaat lijkt. Hij voegt er wel aan toe dat er voordat de (door de beklaagde voornoemd) uitgevoerde handelingen ter reanimatie van A...... gebeurden nog een krachtiger schudden moet geweest zijn. In zijn aanvullend niet-gedateerd verslag (als stuk 2 door de burgerlijke partijen voornoemd regelmatig neergelegd ter terechtzitting van het Hof van 24 januari 2012) schetst hij een aantal klinische wijzen waarop het shaken-baby syndrome zich aanbiedt en herhaalt hij dat de symptomen die de beklaagde voornoemd beschreef waarschijnlijk het gevolg zijn van een traumatisch incident zoals schudden, eerder dan dat die het gevolg zouden zijn van zacht schudden in een poging de baby te wekken.

• Dr. R. Bilo, forensisch arts in het Nederlands Forensisch instituut, aangesteld door de burgerlijke partijen voornoemd, schreef een niet-gedateerde voorlopige reactie op het rapport van Prof. Dr. E. De Letter (als stuk 3 door de burgerlijke partijen voornoemd regelmatig neergelegd ter terechtzitting van het Hof van 24 januari 2012). Hij stelt dat het dateren van een subduraal hematoom aan de hand van een CT-scan niet betrouwbaar is. Tevens stelt hij dat het dateren van een subduraal hematoom aan de hand van MRI-onderzoek bij kinderen tevens niet betrouwbaar is. Ook de datering van subarachnoidale bloedingen aan de hand van een CT-scan is onbetrouwbaar. Retinale bloedingen kunnen volgens hem aan de hand van een oogfundus-onderzoek niet gedateerd worden.

Hij stelt (aan de hand van de standaarden van de American Academy of Pediatrics) dat het schudden dat leidt tot subdurale/subarchnoïdale bloedingen en retinale bloedingen door eenieder als zeer gewelddadig wordt herkend. Het veronderstelt een acceleratie-deceleratie waarbij de kin de borst raakt en het achterhoofd de wervelkolom, gedurende enkele seconden (bv. 4 à 5) en met een aantal uitslagen van het hoofd per seconde (bijv. 3 à 4 per seconde). Ook stelt hij dat als er sprake zou zijn van herbloeding in een oude bloeding, op grond van deze herbloeding, de verslechtering van de klinische situatie van A...... niet kan verklaard worden. Hij is het niet eens met Prof. Dr. E. De Letter dat de ernstige neurologische afwijkingen na 8 september kunnen verklaard worden als passend bij een asfyxie. Hij zegt daarentegen dat de letsels kunnen verklaard worden als een verwikkeling van het incident dat geleid heeft tot bloedingen in het hoofd en de ogen.

2. Ook thans blijft/ blijven naar het oordeel van het Hof de oorzaak/oorzaken van de neurologische letsels van A..... B...... onduidelijk. Ook de bijkomende verslagen scheppen desbetreffend niet de verhoopte duidelijkheid.

Vooreerst blijkt uit het schrijven van Dr. R. Bilo dat omtrent de datering, zoals gebeurd door Prof. Dr. E. De Letter en de behandelende artsen, van het subduraal hematoom en de overige bloedingen ernstige vragen kunnen gesteld worden. Vervolgens blijkt uit de diverse in het dossier berustende verslagen dat, indien aanvaard wordt dat de asfyxie reed was ingetreden voordat een poging tot reanimeren werd ondernomen door beklaagde voornoemd, er onduidelijkheid blijft heersen wanneer en hoeveel incidenten er aanwezig zijn geweest waarbij een hevige acceleratie-deceleratie, zoals omschreven door Dr. R. Bilo, optrad. Tenslotte zijn de artsen het er niet over eens of de asfyxie of het incident dat leidde tot de bloedingen aan de oorzaak van de neurologische letsels ligt.

Dat de asfyxie reeds was ingetreden vóór de handelingen die beklaagde voornoemd op A...... B........ stelde als reactie op de symptomen, is wel zeker.

De beklaagde voornoemd verklaarde op 12 september 2006 (zie stuk 31 e.v., strafdossier):

‘Ik heb ze in bedje gelegd rond 13.00-13.30 uur boven. Ze hebben elk hun vast bedje en elke kamer heeft een babyfoon. Toen ik A...... in bed stak heb ik niks speciaals opgemerkt, ze was wel vlug moe en had een vuile neus. Toen ik ze in bed heb gelegd,

heeft ze nog even geweend, niet abnormaal lang en is dan in slaap gevallen. De tijd dat A....... in bed lag heb ik niets gehoord in de babyfoon. Rond 15.30 uur is A...... wakker geworden. Ondertussen waren de schoollopers al thuis. A........ is al wenende wakker geworden, mijn ma is ze gaan halen.

Dan heeft A........ in haar stoel (eetstoel) gaan zitten. Ze zag er een beetje suf uit, maar ik zocht de oorzaak bij het feit dat ze een neusverkoudheid had. Ik heb haar fruitpap gegeven, ze heeft maar 5 schepjes willen eten. Normaal gezien eet ze alles op. Ik heb haar dan een verse pamper aangedaan, dan heeft ze enorm gehuild, waarom weet ik niet. Ik dacht van de honger of van niet goed te zijn (neusverkoudheid). Ze weende zo hevig, mijn man was aan de telefoon en ik begreep hem niet. Ik zei tegen mijn man leg maar neer ik begrijp je niet. Dinsdagnamiddag heeft ze ook zo een huilbui gehad, anders was het een braaf kind.

... Ik heb ze in de living in het park gelegd omdat ik vond dat ze moe was. Ik legde ze in de living om rustig te liggen, in de andere ruimte heb je het lawaai van de andere kinderen, gewoon om tot rust te komen.

Ik heb dan N........ fruitpap gaan geven. A....... bleef alleen in de living. Dan ben ik terug gegaan naar A....... en ik vond ze heel ‘raar' naar uitzicht toe. Ze lag op haar rug, twee armpjes naast haar hoofd, een normale slaaphouding voor baby's. Ze zag heel wit en haar ogen waren half open half gesloten. Er was geen braaksel. Ik vond dit niet normaal en ben er tegen beginnen babbelen. Ik kreeg geen reactie en ik ben in paniek geraakt. ...'

Dat A......... een huilbui kreeg tijdens het gesprek met haar man wordt bevestigd door haar echtgenoot (zie stuk 172 e.v., strafdossier).

De toestand van A...... en de daaropvolgende paniek op het ogenblik van het aantreffen van A...... door C............, wordt bevestigd door de moeder van de beklaagde voornoemd :

‘.. Plotseling hoorde ik C.......... roepen vanuit de woonkamer. Ze riep; 'kom vlug, A.......... is aan het sterven' Ik ben onmiddellijk naar daar gelopen. C...... had A........ vast in haar armen. Ik zei tegen C........... dat ze de 100 moest bellen, ik kreeg A....... daarop van C........... A........... zag lijkbleek en voelde heel slap aan. A.......... ademde nog, haar oogjes waren voor de helft open. ....' C........... was in paniek toen ze naar de 100 belde ...' (zie stuk 89, strafdossier).

3. De burgerlijke partijen voornoemd stellen op pagina drie van hun beroeps-conclusie zoals regelmatig neergelegd ter terechtzitting van het Hof van 24 januari 2012, het met de eerste rechter eens te zijn dat het onderzoek zich verkeerdelijk toespitste op de actie van betrokkenen(n) nà het medisch vaststaand incident.

De eerste rechter stelde daaromtrent:

‘In ieder geval is het duidelijk dat het onderzoek verkeerdelijk werd toegespitst op het ‘schudden' dat heeft plaatsgevonden op het ogenblik dat A........... in kritieke toestand werd aangetroffen.

De handelingen die door de beklaagde in dit verband ter goeder trouw werden gesteld zijn te kaderen binnen de pogingen een antwoord te bieden op de levenloze toestand waarin A........... zich op dat ogenblik bevond.

Het incident waardoor A........... zich in dergelijke staat bevond moet zich noodzakelijkerwijze situeren voor de uiteindelijke interventie door de beklaagde en de verwittiging van de hulpdiensten.'

In haar verhoor op 12 september verklaarde de beklaagde voornoemd omtrent die handelingen :

‘...Ik heb wel A............ geschud toen de mama van Z........... binnenkwam. Het was niet dat ik ze door elkaar schudde, het was om te zien of ze al dan niet zou reageren. Het schudden duurde een twee à drie seconden. Kort na elkaar een paar keer heb ik A........ geschud om te zien of ze al dan niet reageerde. Ze reageerde - enkele schokken van haar lichaam - maar deed haar ogen niet open. ...' (zie stuk 32 strafdossier)

‘... Jullie diensten vragen mij of A......... die dag door elkaar werd geschud ?

Neen, enkel bij het vinden in het park heb ik ze enkele keren een paar seconden geschud om haar reactie te zien. Als ik ze door elkaar schudde kreeg ik schrikreacties van haar handen. Dat schudden kwam in mij op met de bedoeling om haar wakker te krijgen. Ik weet bijvoorbeeld dat je bij wiegedood het kindje door elkaar moet schudden om het mogelijks wakker te krijgen. Ik ben verpleegster van opleiding. ...' (zie stuk 34 strafdossier),

en op 10 december 2006 :

‘U verklaarde ook dat U aangeleerd was om bij symptomen van wiegedood het kindje door elkaar te schudden om het mogelijks wakker te krijgen, klopt dit?

Ja dit klopt. Met schudden bedoel ik in feit het volgende: een reactie uitlokken door een keer op te pakken (noot opsteller : betrokkene doet met beide armen een opwaartse beweging zoals ze een kindje boven haar hoofd tilt-) en er tegen te spreken' (zie stuk 196 strafdossier),

‘.. Schudden is een groot woord he, wat is schudden. Ik heb A.......... uit haar park genomen, heb haar naam geroepen, heb haar eventjes ‘geschud', zeker niet langer dan 2 seconden, en heb haar daarop bijna onmiddellijk aan mijn moeder doorgegeven die A........ in haar armen genomen heeft. Daarop kwam de moeder van een ander kindje toe.

Ik heb haar zeker niet hard of roekeloos door elkaar geschud, dat zeker niet. Ik heb A...........is ook zeker niet harder geschud, uit paniek eventueel, toen ik vaststelde dat het niet zo goed ging met haar; Dat is zeker niet voorgevallen' (zie stuk 199, strafdossier),

en op 3 februari 2007 :

‘Kan U dit nogmaals goed uitleggen op welke manier, in welke mate en hoelang U A....... B.......... licht schudde zoals u zelf zei ?

Ik heb ze eerst wakker willen maken door er tegen te spreken. Dan heb ik mijn hand op haar borstkast gelegd en trachtte op deze manier door lichtjes te schudden met de hand op haar borstkas een reactie te bekomen. Ze reageerde iets meer. Ze deed haar handjes open in een fractie van een seconde. Dan bleef ze terug beweegloos. Dan heb ik haar uit het park genomen onder de beide oksels. Dan heb ik haar eventjes over en weer bewogen en er bij haar naam of iets geroepen. Tijdens deze beweging bewogen haar armtjes of haar hoofdje niet. Ik denk zelfs dat ik toen ook haar hoofdje ondersteunde met de beide handen. Ik deed dat terug om een reactie te bekomen. Dan heb ik ze aan mijn moeder gegeven, denk ik, om dan de dienst 100 te verwittigen. Mijn moeder nam ze in haar beide armen in een wiegehouding. Mijn moeder bleef met Anaïs naast mij staan terwijl ik de dienst 100 verwittigde. Toen kwam C........ toe om haar dochtertje Zita ...

Ik wens U nog mee te delen dat ik wel degelijk naslagwerk heb waarin in aangeduid staat dat bij reanimatie van een kind men ook dat kind lichtjes mag schudden. Ik wens dat dit document gevoegd wordt aan het dossier. Het betreft een cursus reanimatie-technieken van het OCMW, dewelke werd gegeven naar aanleiding van bijscholing pleegmoeders; ...' (zie stuk 205, strafdossier).

Voormelde verklaringen vinden steun in de verklaring van C...... S................ (de moeder van het ander kindje waarover de beklaagde voornoemd in haar voormelde verklaring sprak (zie stuk 92 e.v. strafdossier) en de verklaring van haar eigen moeder (zie stuk 86 e.v.,strafdossier). De verklaringen van beklaagde voornoemd zijn dan ook consistent en geloofwaardig.

De handelingen die beklaagde voornoemd stelde op A....... op het ogenblik van het opmerken van de symptomen komen dan ook helemaal niet overeen met de handelingen die leiden tot een acceleratie-deceleratie van het hoofd van een baby, zoals omschreven door Dr. R. Bilo.

Ook Dr. J. Marchand stelde dat de verklaringen van de beklaagde voornoemd omtrent het schudden geen aanwijzingen geven dat op dat moment de letsels zijn ontstaan en stelt dat de manier waarop ze hulp bood eveneens adequaat lijkt.

De handelingen die beklaagde voornoemd op A......... stelde, in reactie op het levenloos aantreffen van deze, maken derhalve geen enkele fout uit in hoofde van beklaagde voornoemd.

4.1. De burgerlijke partijen voornoemd stellen op pagina zeven van hun beroeps-conclusie dat uit het feitenrelaas af te leiden valt dat er zich een ernstig incident moet hebben voorgedaan rond het ogenblik waarop het kind op het verzorgingskussen lag en hysterisch aan het huilen was, zo erg dat de beklaagde voornoemd haar man aan de telefoon niet meer kon verstaan. Zij stellen dat beklaagde voornoemd de enige is die in aanmerking komt voor het plegen van het feit.

4.2. Het Hof herinnert aan het in strafzaken fundamenteel beginsel, nl. dat een beklaagde niet kan gestraft worden wanneer zijn schuld met betrekking tot het hem ten laste gelegde feit niet met zekerheid vaststaat.

Wat betreft de beoordeling van diezelfde schuldvraag houdt het gegeven dat de rechter aan bepaalde verklaringen, meer geloof hecht dan aan andere geen motiveringsgebrek in de zin van art. 149 Gecoördineerde Grondwet in.

Met betrekking tot het begrip ‘zekerheid' benadrukt het Hof dat:

• de rechter volgens zijn innerlijke overtuiging de schuld van een beklaagde beoordeelt;

• diezelfde innerlijke overtuiging als leidmotief van de strafrechtelijke besluitvorming te omschrijven is als het resultaat van de vrije bewijswaardering door de rechter;

• de rechter in beginsel volkomen vrij de bewijswaarde beoordeelt die hij aan een bepaald bewijselement toekent, met dien verstande evenwel dat het moet gaan om op regelmatige wijze ingewonnen en verkregen bewijselementen, die daarenboven aan de tegenspraak van partijen werden onderworpen;

• in strafzaken vermoedens van feitelijke aard als bewijsmiddelen kunnen dienen (Cass., 20 mei 1980, Arr. Cass., 1979-1980, 1165) waarbij evenwel dient opgemerkt te worden dat artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek in strafzaken niet van toepassing zijn (Cass., 18 juni 1985, Arr. Cass., 1984-85, nr. 633; Cass., 28 mei 1986, Arr. Cass., 1985-86, nr. 605; Cass., 11 mei 1988, Arr. Cass., 1987-88, nr. 566).

Tevens past het partijen te wijzen op een tweetal algemene rechtsprincipes die het Belgisch Strafrecht beheersen, namelijk:

• dat een beklaagde zijn onschuld niet hoeft te bewijzen, nu men onschuldig is tot het tegendeel bewezen is;

• dat de minst redelijke twijfel omtrent de schuld van een beklaagde hem ten goede moet komen.

Het louter samenvallen van feiten of gebeurtenissen maken slechts vermoedens uit als er tussen hen met zekerheid een verband kan worden gelegd (Cass., veren. kam., 23 december 1998, www.juridat.be).

Ten slotte, betreffende het bewijs in strafzaken, dient eraan herinnerd te worden dat artikel 870 van Gerechtelijk Wetboek in strafzaken niet van toepassing is (Cass., 8 september 2004, Arr. Cass., 2004, 394, www.juridat.be). Het openbaar ministerie en de burgerlijke partij dragen de bewijslast.

4.3. De verklaringen van de beklaagde voornoemd omtrent het verloop van de uren vóór het ogenblik dat zij zag dat er iets scheelde met A........., zijn consistent en geloofwaardig. Zij vinden steun in de verklaring van haar moeder, M.......... A.........................., en de verklaring van haar man, G..........W............, omtrent het telefoongesprek dat hij die dag met zijn echtgenote had.

In haar verklaringen stelde de beklaagde voornoemd onder meer het volgende:

‘U vraagt mij of dat A.... op enige moment bij haar romp vastgenomen werd en door elkaar geschud werd zodat haar hoofdje hevig achteruit en vooruit geschud werd is zéker niet gebeurd.'(zie stuk 199 strafdossier),

‘... Ik heb ze geschud nadat ik ze had gevonden in haar park in een houding die ik alarmerend vond. Dan heb ik haar uit het parkje genomen en haar lichtjes geschud zoals ik daarjuist voordeed terwijl U filmde. Meer heb ik niet gedaan. Volgens mij was er reeds iets mis met Anaïs van daarvoor. Ik heb Anaïs zeker niet in die mate door elkaar geschud zoals aangegeven door de deskundige zodanig dat A............ een hersenletsel opliep. Daar ben ik zeker niet verantwoordelijk voor (zie stuk 206, strafdossier).

Overigens werden de verklaringen van de beklaagde voornoemd, inclusief deze van haar videoverhoor, geanalyseerd door een klinisch psychologe, daartoe aangesteld door de onderzoeksrechter. Zij kwam in haar verslag van 2 januari 2008 tot de conclusie dat er consistentie is tussen de verklaringen naar aanleiding van het videoverhoor en de andere verklaringen van beklaagde voornoemd en dat er tevens consistentie is met verklaringen van de andere actoren in het dossier. Zij stelt in haar besluiten onder meer:

‘... Vooral de handelingen die plaatsvonden vanaf het ogenblik dat A........ haar middagdut gedaan had tot op het ogenblik van het vertrek van A....... met de hulpdiensten worden op geloofwaardige wijze beschreven. ....'.

4.4. Het argument van de burgerlijke partijen voornoemd dat alleen het hematoom dat is ontstaan op 8 september 2006, gevolg van een ‘shaken-baby'- incident, van belang is, steunt op een verkeerde premisse. Dr. R. Bilo dateert het hematoom/de andere bloedingen niet op 8 september 2006 maar stelt dat datering aan de hand van de medische beeldvorming, zoals verricht, en de onderzoeken, zoals verricht, moeilijk, zelf onmogelijk is. M.a.w. Dr. R. Bilo kleeft geen datum, ook niet de datum van 8 september 2006, op het incident dat geleid heeft tot bloedingen in hoofd en ogen. Uit zijn schrijven blijkt dat er, volgens hem, niet kan gesproken worden over een ‘oud' subduraal hematoom en ‘recente' subarachnoïdale/retinale bloedingen. Zoals hierboven reeds gesteld, is er geen zekerheid over het tijdstip/de tijdstippen van een eventueel/eventuele ‘shaken-baby'-incident/incidenten.

5. Voormelde principes vermeld onder randnummer 4.2.van onderhavig arrest in overweging genomen, en gelet op al hetgeen onder de andere randnummers werd vastgesteld en overwogen, is het Hof van oordeel in gemoede te moeten besluiten dat er geen enkele zekerheid is omtrent de schuld van de beklaagde voornoemd aan het haar ten laste gelegde feit, voorwerp van de tenlastelegging in haren hoofde.

Zoals de eerste rechter, dient ook door het Hof aan beklaagde voornoemd ontslag van rechtsvervolging te worden verleend voor wat betreft het haar ten laste gelegde feit, zowel in hoofdorde als in subsidiaire orde. Evenwel grondt het Hof dit ontslag op een gebrek aan bewijs van het haar ten laste gelegde feit, eerder dan op basis van twijfel.

Het bewijs van de constitutieve bestanddelen van de tenlastelegging in hoofde van de beklaagde voornoemd werd niet geleverd.

Op burgerrechtelijk gebied:

Gezien de te bevestigen vrijspraak van C........ R........ is de oordeelkundige beslissing van de eerste rechter met betrekking tot de rechtsvordering van de burgerlijke partijen , D........B.......- I...... V........., handelende in hun respectieve hoedanigheden te bevestigen.

* * * * * * * * * *

OP DEZE GRONDEN

HET HOF, recht doende op tegenspraak

En gelet op:

- artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935;

- de artikelen 190 en 211 van het Wetboek van Strafvordering;

alle voormelde wetsbepalingen ter terechtzitting van heden door de heer Voorzitter aangehaald.

Verklaart de hoger beroepen ontvankelijk en erover beslissende:

Op strafrechtelijk gebied:

Bevestigt het bestreden vonnis, waarbij aan de beklaagde, C......... R........, ontslag van rechtsvervolging (weliswaar op deels andere gronden) werd verleend in hoofde van beklaagde, in al zijn beschikkingen.

Laat de kosten in hoger beroep, gevallen aan de zijde van het Openbaar Ministerie, ten laste van de Staat.

Op burgerrechtelijk gebied:

Bevestigt het bestreden vonnis.

Verwijst de burgerlijke partijen, D...... B......en I...... V................, optredend in hun eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers over de persoon en de goederen van A......., E......... en I........... B........., tot hun eigen kosten van hun hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door de vierde correctionele kamer van het Hof van beroep te Gent, samengesteld uit kamervoorzitter Chr. Van Damme, raadsheer C. Gassée en raadsheer A. Allaert,

en in openbare terechtzitting van 29 mei 2012 uitgesproken door kamervoorzitter Chr. Van Damme, in aanwezigheid van advocaat-generaal E. Coppens, met bijstand van Y. Henderickx, griffier.

Free keywords