- Arrêt of May 29, 2012

29/05/2012 - C-986-12

Case law

Summary

Samenvatting 1

Arrêt - Integral text

4 e kamer

het hof van beroep te Gent, vierde kamer, recht doende in correctionele zaken

Not. Nr. F.43.LA.39783/08

in de zaak van het openbaar ministerie

tegen:

Nr. V...... d.... S........ S.........,

bediende-verkoopster, geboren te ....... op .........,

wonende te ....................,

VERDACHT VAN :

Opzettelijk verwondingen of slagen te hebben toegebracht die voor deze een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge had,

met de omstandigheid dat het misdrijf werd gepleegd op een minderjarige of op een persoon uit hoofde van zijn lichaams- of geestestoestand niet bij machte was om in zijn onderhoud te voorzien, namelijk

1. aan L............ F............., geboren op ...................

te G........... op een niet nader te bepalen tijdstip of tijdstippen in de periode vanaf 5 mei 2008 tot en met 14 mei 2008

2. aan V...... E......... E............, geboren op ..................

te Gent op een niet nader te bepalen tijdstip op 23 of 24 januari 2008

* * * * * * * * * *

WAARBIJ ZICH HEBBEN GEVOEGD ALS BURGERLIJKE PARTIJEN :

- P........ V...... E.........., wonende te .................. in eigen naam

M............... M..............., wonende te ..................... in eigen naam

P.......... V....... E ........ M............. M............, beiden voornoemd, namens de huwgemeenschap,

- S....... L............, wonende te ......................... in eigen naam

E.............. G................, wonende te .................... in eigen naam

S......... L.............. - E............. G.............., beiden voornoemd, in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers over de persoon en de goederen van hun minderjarige zoon F.......... L.................., geboren op ................, wonende te ..........................

A..........-M............. G.............., wonende te ................. grootmoeder van F.............., in eigen naam

M......... S............., wonende te .................., grootmoeder van F.........., in eigen naam,

* * * * * * * * * *

Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, 19° correctionele kamer, met 3 rechters, dd. 17 maart 2010, rechtdoende op tegenspraak, werd als volgt beslist:

STRAFRECHTELIJK

Ontslaat S........ V.... d.... S................. van rechtsvervolging voor de feiten 1 en 2.

Beveelt de overmaking van het overtuigingsstuk neergelegd ter correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg alhier onder het nummer 2008 6350 aan het Openbaar Ministerie teneinde te handelen als naar recht.

Laat de kosten, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, ten laste van de Staat, tot heden begroot op 1.502,34 EUR.

BURGERRECHTELIJK

Verklaart zich niet bevoegd te statueren over de eis van de burgerlijke partijen gelet op de vrijspraak van de beklaagde voor de feiten 1 en 2.

Laat de gebeurlijke kosten gevallen aan de zijde van de burgerlijke partij ten haren laste.

* * * * * * * * *

Tegen alle beschikkingen van voormeld vonnis werd hoger beroep ingesteld:

- door de burgerlijke partijen, P...... V...... E........... en M........... M............., beiden optredende in eigen naam en namens de huwgemeenschap, op 31 maart 2010;

- door de burgerlijke partijen, S....... L........... en E.............. G..............., beiden optredende in eigen naam en in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers over de persoon en de goederen van hun minderjarige zoon, F......... L............ (° ................), A.......-M.......... G............ (grootmoeder van F........., in eigen naam), M.......... S........... (grootmoeder van F................., in eigen naam), op 31 maart 2010;

- door het Openbaar Ministerie, tegen de beklaagde voornoemd, op 31 maart 2010.

* * * * * * * * *

* * * * * * *

* * * * *

* * *

*

Bij arrest van deze kamer van het Hof, dd. 7 juni 2011 (nr. C/1008/11), rechtdoende op tegenspraak, werd als volgt beslist:

Verklaart de hoger beroepen ontvankelijk, doch vooraleer er ten gronde over te oordelen:

HEROPENT de debatten:

Stelt de zaak op de openbare terechtzitting van DINSDAG 6 SEPTEMBER 2011 om 11.30 uur voor het horen van de geneesheer-gerechtsdeskundige, Professor Dr. M. Piette.

Verzoekt het Openbaar Ministerie de geneesheer-gerechtsdeskundige voornoemd met dienstadres te 9000 Gent, Jozef Kluyskensstraat 29, Labo voor Gerechtelijke Geneeskunde, te dagvaarden, teneinde op diezelfde voormelde terechtzitting te verschijnen om te worden gehoord.

Houdt de beslissing omtrent de kosten inmiddels aan.

* * * * * * * * * * *

* * * * * * * * *

* * * * * * *

* * * * *

* * *

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

Gehoord ter openbare terechtzitting dd. 24 oktober 2011 in het Nederlands:

- de burgerlijke partij, P....... V...... E........ en M.......... M........., elk optredende in eigen naam en samen namens de huwgemeenschap in hun eisen, vertegenwoordigd door meester Filip De Reuse, advocaat te Roeselare;

- de burgerlijke partij, S....... L.............. en E............. G..................., elk optredende in eigen naam en samen namens de huwgemeenschap en in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers over de persoon en de goederen van hun minderjarige zoon F........ L......... (° ..................), in hun eisen, vertegenwoordigd door meester Christine Mussche, advocaat te Merelbeke;

- de burgerlijke partij, A......-M....... G...................., in haar eis, bijgestaan door meester Christine Mussche, advocaat te Merelbeke;

- de burgerlijke partij, M........ S............, in haar eis, vertegenwoordigd door meester Christine Mussche, advocaat te Merelbeke;

- Advocaat-generaal E. Coppens in zijn vordering;

- de beklaagde, S...... V..... d... S.........., in haar middelen van verdediging, bijgestaan door meester Pierre Steenhaut, advocaat te Gent.

* * * * * * * * * *

De hoger beroepen zijn regelmatig naar tijd en vorm.

* * * * * * * * * *

Op strafrechtelijk gebied :

1. Vooreerst herinnert Het Hof aan het in strafzaken fundamenteel beginsel, nl. dat een beklaagde niet kan gestraft worden wanneer zijn schuld met betrekking tot het hem ten laste gelegde feit niet met zekerheid vaststaat.

Wat betreft de beoordeling van diezelfde schuldvraag houdt het gegeven dat de rechter aan bepaalde verklaringen, meer geloof hecht dan aan andere geen motiveringsgebrek in de zin van art. 149 Gecoördineerde Grondwet in.

Met betrekking tot het begrip ‘zekerheid' benadrukt het Hof dat:

• de rechter volgens zijn innerlijke overtuiging de schuld van een beklaagde beoordeelt;

• diezelfde innerlijke overtuiging als leidmotief van de strafrechtelijke besluit-vorming te omschrijven is als het resultaat van de vrije bewijswaardering door de rechter;

• de rechter in beginsel volkomen vrij de bewijswaarde beoordeelt die hij aan een bepaald bewijselement toekent, met dien verstande evenwel dat het moet gaan om op regelmatige wijze ingewonnen en verkregen bewijselementen, die daarenboven aan de tegenspraak van partijen werden onderworpen;

• in strafzaken vermoedens van feitelijke aard als bewijsmiddelen kunnen dienen (Cass., 20 mei 1980, Arr. Cass., 1979-1980, 1165) waarbij evenwel dient opgemerkt te worden dat artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek in strafzaken niet van toepassing zijn (Cass., 18 juni 1985, Arr. Cass., 1984-85, nr. 633; Cass., 28 mei 1986, Arr. Cass., 1985-86, nr. 605; Cass., 11 mei 1988, Arr. Cass., 1987-88, nr. 566).

Tevens past het partijen te wijzen op een tweetal algemene rechtsprincipes die het Belgisch Strafrecht beheersen, namelijk:

• dat een beklaagde zijn onschuld niet hoeft te bewijzen, nu men onschuldig is tot het tegendeel bewezen is;

• dat de minst redelijke twijfel omtrent de schuld van een beklaagde hem ten goede moet komen.

Het louter samenvallen van feiten of gebeurtenissen maken slechts vermoedens uit als er tussen hen met zekerheid een verband kan worden gelegd (Cass., veren. kam., 23 december 1998, www.juridat.be).

Tenslotte, betreffende het bewijs in strafzaken, dient er aan herinnerd te worden dat artikel 870 van Gerechtelijk Wetboek in strafzaken niet van toepassing is (Cass., 8 september 2004, Arr. Cass., 2004, 394, www.juridat.be). Het openbaar ministerie en de burgerlijke partij dragen de bewijslast.

2. Anders dan de eerste rechter is het Hof van oordeel dat de gegevens van het voorliggend strafdossier voldoende en met elkaar overeenstemmende vermoedens inhouden die toelaten met zekerheid te besluiten dat S...... V...... d.... S.......... wel degelijk schuldig is aan de feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen 1 en 2 in haren hoofde.

3. Hiernavolgende feitelijke gegevens, waartussen met zekerheid een verband kan worden gelegd, en die leiden tot het bestaan van elkaar overeenstemmende vermoedens zoals hierboven verstaan, zijn van belang bij de oordeelsvorming van het Hof.

3.1. De beklaagde voornoemd nam in oktober 2007 als onthaalmoeder de zorg waar van de toen vier maanden oude baby E........ V...... E........, kind van M........ M........ (die op dat ogenblik arts-pediater in opleiding was) en P...... V...... E........., burgerlijke partijen.

Op 23 januari 2008 werd de toen zes maanden oude E........ door haar moeder, M......... M............,met de wagen tot bij de beklaagde voornoemd gebracht waarna de moeder voornoemd vertrok naar het Z........................ D...................H...................., in het kader van haar opleiding als arts-pediater. M..................M.......... verklaarde dat E............. in normale doen was toen zij haar op voormelde dag bij de beklaagde voornoemd afzette.

Toen de vader, P......... V....... E.........., 's avonds omstreeks 18.00 uur E........ met de fiets ophaalde, zou E............ op het speeldeken gelegen hebben, en niet in de relax gezeten hebben; hetgeen hij verklaarde in zijn verhoor van 30 januari 2008 (zie strafdossier, OK II , stuk 6 e.v.) . De beklaagde voornoemd stelt daarentegen in haar verhoor op 19 februari 2008 dat E........... niet op het speeldeken lag maar wel degelijk in haar relax zat (zie strafdossier, OK II, stuk 22 e.v.). Zij voegde er aan toe dat zij en haar partner gezien hadden dat het kind zichzelf, omstreeks 16.00 uur, nog stevig afstootte in haar relax en levendig speelde met de speeltjes in haar relax. De toenmalige partner van de beklaagde voornoemd bevestigde dit in zijn verhoor op 5 maart 2009 (zie strafdossier, OK II, stuk 95 e.v.).

Volgens de vader, P....... V....... E........, deelde de beklaagde voornoemd hem bovendien mee dat E......... nogal lastig was geweest en dat zij tegen de middag plots een hevige schreeuw afkomstig van E......... had gehoord, waardoor zij naar het speeldeken ging kijken om daarop vast te stellen dat E........... opnieuw rustig was. De beklaagde voornoemd zou de vader voornoemd tevens gezegd hebben dat ook haar man had opgemerkt dat het kind nogal stil was en niet lachte zoals het gewoonlijk doet als hij thuis komt. Zij schreef dit gedrag toe aan het krijgen van tandjes.

De vader voornoemd verklaarde dat E........ huilde toen hij, samen met de onthaal-moeder, E......... aankleedde en haar in de maxi-cosy op de fiets zette, maxi-cosy die door middel van een daartoe ontworpen systeem op die fiets rustte. Haar gehuil verontrustte de vader voornoemd niet omdat E.......... zich nooit graag in de maxi-cosy liet zetten.

Hij verklaarde niet gevallen te zijn op weg naar huis, en tevens dat de beklaagde voornoemd hem de dag erop, hetzij op 24 januari 2008, nogmaals meedeelde dat het lastig zijn vermoedelijk van de tandjes kwam, waarover zij het met haar moeder zou gehad hebben.

In tegenstelling tot hetgeen de vader voornoemd in zijn verhoor verklaarde, stelde de beklaagde voornoemd in haar verhoor op 19 februari 2008 dat er op 23 januari 2008 aan E........ niets op te merken was, met uitzondering van die paar minuten huilen terwijl ze op de speelmat zat. In dat verhoor stelde de beklaagde voornoemd dat de ouders haar hadden meegedeeld dat E......... de laatste tijd wat last had van haar tandjes, mededeling die door die ouders evenwel ten stelligste wordt ontkend (zie verder).

Integendeel, de vader voornoemd merkte in zijn verhoor van 30 januari 2008 op dat het de beklaagde voornoemd was die hem over het krijgen van tandjes had aangesproken (en m.a.w. niet andersom).

Volgens de vader, P....... V..... E........, was E.......... de nacht van 23 op 24 januari 2008 zeer onrustig. Telkens ze werd opgenomen, huilde ze hevig. De ouders zouden telefonisch contact met elkaar gehad hebben (nu de moeder in het kader van haar opleiding niet thuis was).

De volgende ochtend bracht de vader voornoemd E........ opnieuw met de fiets naar de onthaalmoeder, nadat de beide ouders geoordeeld hadden dat E......... wel een ziekte zou hebben die nog diende door te breken zodat zij beslisten een afwachtende houding aan te nemen. Zij zouden wel aan de beklaagde voornoemd gevraagd hebben om hen te contacteren mochten er zich problemen voordoen.

De beklaagde voornoemd zag die ochtend bij het verluieren van E........... dat er een zwelling was aan haar rechterbeentje dat niet meer bewoog. Ze verwittigde via een dokter in het UZ de moeder van E..........

De beklaagde voornoemd verklaarde dat ze de ouders onmiddellijk zou hebben gewaarschuwd en hen zou gemeld hebben dat er iets niet klopte met de beentjes van E.........., waarop de moeder, M......... M........., zou gereageerd hebben door te zeggen dat het wel haar tandjes zouden zijn en dat de beklaagde voornoemd een zetpil diende te geven.

De moeder, M........... M..........., ontkent in haar regelmatig ter terechtzitting van het Hof van 24 oktober 2011 neergelegde beroepsconclusie ten stelligste dat ze dat zou gezegd hebben. Zij stelt dat zij als (kinder-)arts in opleiding bij de mededeling ivm de beentjes van E........... eerder dacht aan een eventuele ontsteking van het heupgewricht.

De moeder voornoemd kwam dan op de middag om 13.15 uur, vanuit het Zeepreventorium in De Haan alwaar ze de vorige dag en nacht van dienst was geweest, haar dochter, E.........., opzoeken en deed als arts (in opleiding) een klinisch onderzoekje waarna ze E.......... meenam voor een doorgedreven onderzoek naar het UZ te Gent.

In het UZ Gent werd bij E........... een verplaatste dwarse boven(dij)beenfractuur vastgesteld.

De door de onderzoeksrechter op 24 september 2008 aangestelde wetsgeneesheer, Prof. Dr. M. Piette, stelde vast dat:

- het oplopen van voormelde fractuur door lopen en/of vallen uitgesloten is daar E.......... nog maar net spontaan kon zitten;

- spontaan breken van een been door tussen tralies van het kinderpark te geraken weinig waarschijnlijk is;

- tijdens de ziekenhuisopname een aantal biomedische tests werden gedaan waardoor de aanwezigheid van een aangeboren of verworven bloedziekte niet kon aangetoond worden;

- een zeker mechanische kracht nodig is om het dijbeen te breken, hetzij onrechtstreekse door hefboomwerking of val, hetzij door een rechtstreeks impact ter hoogte van het dijbeen zelf;

- er geen huidletsels ter hoogte van de fractuurhaard werden vermeld, waardoor een breuk ten gevolge van een rechtstreeks impact ter hoogte van het dijbeen weinig waarschijnlijk is.

De voornoemde wetsgeneesheer verwijst naar courante pediatrische literatuur waarbij een femurfractuur bij een kind jonger dan 1 jaar als verdacht voor een niet-accidentele fractuur wordt beschouwd.

Dergelijke onrechtstreekse breuk door hefboomwerking of val zou een ernstige hoeveelheid kracht vereisen, die blijkbaar zou overeenstemmen met een val van een hoogte van één meter of meer of een druk van een aantal kilogrammen.

De beklaagde voornoemd deelde op 25 januari 2008 het voorval met E.......... mee aan Kind en Gezin, instelling die haar bij de aanvang van haar activiteiten als onthaalmoeder een attest van toezicht had verstrekt.

3.2. De beklaagde voornoemd zorgde sedert 5 mei 2008 eveneens voor de toen vijf maanden oude baby, F..... L........, die meestal gedurende halve dagen bij haar kwam. F....... L............. is het kind van de burgerlijke partijen, E........ G.................. en haar toenmalige partner, S........ L......................

Op woensdag 14 mei 2008 werd F....... door zijn moeder E........ G................ afgehaald. Zij verklaarde dat hij heel stil op een speeltapijt lag en naar boven staarde. Eenmaal thuis begon hij te braken en te kreunen van de pijn, en hij zou al een tweetal weken niet in zijn normale doen zijn geweest. Diezelfde dag nog liet de moeder voornoemd F........ onderzoeken door een kinderarts, die haar en F......... doorverwezen naar het Sint-Lucas ziekenhuis, en uiteindelijk werd F................. geopereerd in het UZ te Gent.

Nu een arts de moeder voornoemd gevraagd had of er misschien een kindje met een blokje op het hoofdje van F....... had geklopt, belde ze op donderdag 15 mei 2008 naar de beklaagde voornoemd die haar daarop meedeelde dat ze F....... op 14 mei 2008 hevig had horen huilen, zij daarop ging kijken naar de speelmat is gaan kijken, en daar een ander kindje, nl. I....... J......, naast F......... zag zitten met een muziekdoosje in de hand.

De moeder voornoemd was verbaasd dat de beklaagde voornoemd haar dat niet eerder, hetzij op woensdag 14 mei 2008, had meegedeeld.

Op vrijdag 16 mei 2008, net voor F........ diende geopereerd te worden, zouden de artsen haar dan meegedeeld hebben dat de letsels toch niet afkomstig zouden zijn van het slaan met een blokje maar eerder voortkwamen uit hevig schudden.

De beklaagde voornoemd verklaarde in haar verhoor van 10 juli 2008 (zie strafdossier, OK I, stuk 40 e.v.) dat F........ op woensdag 14 mei 2008 zijn fruitpap zou uitgebraakt hebben en die dag bijzonder stil was, alsook dat hij minder zou geweend hebben dan anders. Het is pas nadat zij via E......... G..................., de moeder, hoorde dat de artsen zich afvroegen of iemand op het hoofdje van F......... zou geklopt hebben dat zij dacht aan I.......-J....... en zich de bedenking omtrent het muziekdoosje maakte. I.........-J.......... zou nogal gemakkelijk met speelgoedjes op de andere kindjes kloppen.

De moeder voornoemd verklaarde tevens dat de beklaagde voornoemd haar pas de dag nà 14 mei 2008, inlichtte van het gevoel dat zij had dat er iets niet klopte. Zij zou dat pas gezegd hebben nadat de moeder voornoemd haar meedeelde dat F........ gehospitaliseerd werd. Blijkbaar zou de beklaagde voornoemd op 14 mei 2008 zelfs de temperatuur van F.......... gemeten hebben, hetgeen zij allemaal niet zou verteld hebben aan de moeder voornoemd op het ogenblik dat deze haar kind, in de vroege namiddag van 14 mei 2008, afhaalde.

Met al het voorgaande geconfronteerd herinnert de beklaagde voornoemd zich niet meer dat zij de temperatuur van F............... zou gemeten hebben.

In het heen- en weer schriftje van F..........staat op voormelde dag enkel het toedienen van de fruitpap om 15.15 uur. Omtrent het braken, het bijzonder stil zijn, het wenen en het nemen van de temperatuur staat niets opgeschreven. De vorige dagen stond er nochtans heel wat over het wenen van F........... in datzelfde schriftje (zie strafdossier, OK I, stuk 24 e.v.).

Geconfronteerd met de afwezigheid van voormelde info (braken, bijzonder stil zijn, ...) in het heen- en weerschriftje, verklaarde de beklaagde voornoemd dat zij het deels uitbraken van de fruitpap niet zal opgeschreven hebben omdat de moeder voornoemd F..........al kwam ophalen omstreeks 16.00 uur.

De door de onderzoeksrechter op 2 juni 2008 aangestelde wetsgeneesheer, Prof. Dr. M. Piette, stelde vast dat:

- de behandelende artsen diverse subdurale bloedingen hadden vastgesteld, evenwel van verschillende ouderdom, en dit naast enkele subdurale hematomen van ten hoogste drie weken oud en een acuut (m.a.w. zeer recent) subduraal hematoom;

- de behandelende artsen tevens retinale bloedingen vaststelden;

- voormelde artsen ter hoogte van de subdurale ruimtes vochtophopingen hadden vastgesteld;

- gelet op het explosief braken beslist werd om F.......... te opereren (bilaterale trepanatie) teneinde de intracraniële drukken te doen dalen.

De wetsgeneesheer voornoemd stelt dat subdurale hematomen en retinale bloedingen bij een kind dat nog niet kan lopen meestal van traumatische oorsprong zijn als er geen andere aangeboren of congenitale ziekten kunnen aangetoond worden. De oorzaak kan te wijten zijn aan een impact met deceleratie of acceleratie van het hoofd, zijnde het hoofdje dat van rust plots naar voor of achteren worden gebracht, of aan het heen- en weer schudden van het kind zelf (shaken infant).

Op 3 maart 2009 lichtte de beklaagde voornoemd Kind en Gezin in omtrent het voorval met F.......... Eerder had zij Kind en Gezin niet ingelicht. Het inlichten van Kind en Gezin was één van de voorwaarden die de onderzoeksrechter de beklaagde voornoemd oplegde toen hij haar op 2 maart 2009 in vrijheid stelde.

Op 24 maart 2009 besliste Kind en Gezin haar erkenning (eigenlijk haar attest van toezicht voor zelfstandig onthaalmoeder) in te trekken.

3.3. De gegevens, nl.: dat de wetsgeneesheer voornoemd uitsluit dat E......... zelf de letsels veroorzaakte (a), dat diezelfde wetsgeneesheer voornoemd tot het besluit komt dat een zekere mechanische kracht nodig is om de letsels te kunnen veroorzaken (b), dat de verklaring van de vader, P...... V...... E......,g eloofwaardig en consistent is en op geen enkel ogenblik in strijd is met de verklaring van zijn echtgenote (c), dat die verklaring derhalve geloofwaardig is (d), dat de verklaringen van de beklaagde voornoemd omtrent de plaats van aantreffen van E....... op de avond van 23 januari 2008, op het ogenblik dat E....... werd opgehaald, ongeloofwaardig zijn, gelet op voormelde consistente verklaring van de vader voornoemd (e), dat de verklaringen van de beklaagde voornoemd omtrent de tandjes gezien de tegenstrijdige beweringen van de ouders daaromtrent tevens leugenachtig en ongeloofwaardig zijn te meer het zeer ongeloofwaardig is dat een pediater, weliswaar in opleiding, bij het horen dat de beentjes niet in orde zijn, dergelijke klinisch beeld zou wijten aan het doorkomen van tandjes (f), houden voldoende en met elkaar overeenstemmende vermoedens in op basis waarvan met zekerheid dient besloten te worden dat de beklaagde voornoemd E........... op 23 januari 2008 op zo'n manier manipuleerde met de door haar opgelopen kwestieuze letsels tot gevolg. Dat de beklaagde voornoemd hierbij opzettelijk heeft gehandeld vindt voldoende steun in de vaststelling dat de dwarse dijbeenfractuur door een grote mechanische kracht werd veroorzaakt (zie a. hierboven) alsook uit het gegeven dat haar verklaringen omtrent eventuele oorzaken van diezelfde letsels en het verloop van voormelde dag leugenachtig en ongeloofwaardig zijn (zie b. hierboven).

3.4. Wat F...... L......... betreft, dringt dezelfde conclusie zich op. De gegevens, nl.: dat de wetsgeneesheer voornoemd benadrukt dat de subdurale hematomen een acute component vertoonden (a), dat dezelfde wetsgeneesheer bevestigt dat dergelijke letsels meestal een traumatische oorsprong hebben (b), dat F........ de dagen voor het vaststellen van de acute component in de bloedingen bij de moeder en andere familie maar ook bij de onthaalmoeder verbleef (c), dat de verklaringen van de moeder en van de andere familieleden omtrent de toestand van F........ voor 14 mei 2008 consistent, met elkaar coherent en geloofwaardig zijn (d), dat uit het onderzoek blijkt dat de beklaagde voornoemd haar verklaringen aanpaste aan de hand van informatie die haar aangereikt werd, onder meer betreffende I.......-J........., en tevens een aantal gegevens niet meldde, zoals blijkt uit het heen-en weerschriftje (f), houden voldoende en met elkaar overeenstemmende vermoedens in op basis waarvan met zekerheid dient besloten te worden dat de beklaagde voornoemd F....... op een niet nader te bepalen tijdstip of tijdstippen in de periode vanaf 5 mei 2008 tot en met 14 mei 2008 op zo'n manier manipuleerde met de door F........ opgelopen kwestieuze letsels tot gevolg.

Dat de beklaagde voornoemd hierbij opzettelijk heeft gehandeld vindt voldoende steun in de vaststelling dat in het verslag van de wetsgeneesheer voornoemd wordt gesteld dat dergelijke letsels een indicatie kunnen zijn van een impact met deceleratie of acceleratie van het hoofd en/of het hevig schudden met het kind alsook in de vaststelling dat in ditzelfde verslag wordt gesteld dat ook de retinale bloedingen een indicatie kunnen zijn van het hevig heen en weer schudden van het kind.

3.5. Met betrekking tot F........ wijst de beklaagde voornoemd er in haar regelmatig ter terechtzitting van het Hof van 24 oktober 2011 neergelegde beroepsconclusie op dat uit het verslag van de wetsgeneesheer voornoemd blijkt dat er twee bloedingen werden vastgesteld waarvan de oudste maximaal drie weken oud was, terwijl zij verder ook aanhaalt dat zij F......... op 14 mei 2008 nog maar amper tien dagen had opgevangen, volgens haar derhalve niet in de periode waarin de eerste bloedingen zouden zijn ontstaan.

Het Hof stelt vast dat uit de verklaring van de wetsgeneesheer voornoemd en de toelichting van zijn verslag ter terechtzitting van het Hof niet blijkt dat de oudere bloedingen met zekerheid te bepalen zijn op een datum die exact drie weken voor de datum van 14 mei 2008 ligt. De termijn van drie weken zou een maximumtermijn zijn en de oudere bloedingen zouden ook minder dan drie weken vóór de datum van 14 mei 2008 kunnen ontstaan zijn.

Eenzelfde bemerking dient gemaakt met betrekking tot de bewering van de ouders van F........, nl. dat hij op 14 mei 2008 reeds twee weken niet in zijn normale doen was. De beklaagde voornoemd leidt daaruit af dat F........ reeds voordat hij bij haar kwam niet goed was. Evenwel stelt het Hof vast dat uit de verklaringen van de ouders omtrent die periode van twee weken blijkt dat die ‘twee weken' niet als een exacte omschrijving van de verlopen tijdsspanne kan beschouwd worden nu objectieve referentiepunten ontbreken.

3.6. Met betrekking tot E........ haalt de beklaagde voornoemd in haar zelfde beroepsconclusie aan dat het gegeven dat E....... kon vervoerd worden op de fiets van haar vader, P...... V....... E......., dit uitsluit dat zij al voordien een fractuur zou hebben opgelopen. Het Hof stelt echter vast dat uit de verklaring van de vader voornoemd blijkt dat zij tijdens de rit in het zitje kon geïmmobiliseerd worden, zodat kan aanvaard worden dat ook haar beentjes tijdens de rit in rusttoestand waren en zij derhalve op dat ogenblik minder pijn heeft ervaren. Besluiten, zoals de beklaagde voornoemd het doet, dat daaruit blijkt dat zij voordien geen fractuur kon hebben opgelopen is dan ook onterecht.

4. M.a.w. anders dan voor de eerste rechter zijn de feiten voorwerp van de tenlasteleggingen 1 en 2 in hoofde van de beklaagde, S............ V..... d...... S............, voor het Hof ten genoegen van recht bewezen.

5. De door beklaagde voornoemd gepleegde feiten, voorwerp van de bewezen verklaarde tenlasteleggingen 1 en 2 in haren hoofde de uitwerking van een zelfde misdadig opzet, zodat voor ze samen bij toepassing van art. 65 van het Strafwetboek lastens haar slechts één bestraffing dient te worden opgelegd.

6. Ter beteugeling van de door de beklaagde voornoemd gepleegde feiten, voorwerp van de in haren hoofde door het Hof bewezen verklaarde tenlasteleggingen 1 en 2, komt de hiernavolgende bestraffing, bestaande uit een gevangenisstraf van vier maanden en een geldboete van 50,00 EUR verhoogd met de opdeciemen zoals hierna bepaald, of een vervangende gevangenisstraf van acht dagen, uit hoofde van de aangehouden misdrijven wetmatig en passend voor.

Voormelde bestraffing moet de beklaagde voornoemd tot het besef brengen van de ernst van de door haar gepleegde en bewezen verklaarde feiten.

Teneinde de verdere toekomst van de beklaagde voornoemd niet al te zwaar te hypothekeren en nu de tegen beklaagde voornoemd uitgesproken straf, te ondergaan als hoofdstraf, vijf jaar gevangenisstraf niet te boven gaat en aangezien zij nog over een blanco strafrechtelijk verleden beschikt en bovendien mag verwacht worden dat zij zich niet meer aan wetsovertreding zal schuldig maken, kan haar gewoon uitstel van tenuitvoerlegging van de hoofdgevangenisstraf en de geldboete verleend worden.

Uitstel dat van rechtswege zal herroepen worden ingeval gedurende de proeftijd een nieuw misdrijf gepleegd is dat veroordeling tot een criminele straf of hoofdgevangenisstraf van meer dan zes maanden zonder uitstel ten gevolge heeft gehad.

7. Voor het overige dient met betrekking tot de gerechtskosten, de vaste vergoeding, de bijdrageverplichting en de overtuigingsstukken te worden beslist zoals bepaald in het dictum van onderhavig arrest.

* * * * *

Op burgerrechtelijk gebied:

De bewezen verklaarde feiten voorwerp van de tenlasteleggingen 1 en 2 in hoofde van S...... V...... d..... S.............l staan in noodzakelijk oorzakelijk verband met de schadelijke gevolgen die de burgerlijke partijen, handelende in hun respectieve hoedanigheden, hebben geleden.

S......... V....... d....... S............. is alleen en uitsluitend aansprakelijk voor diezelfde door de burgerlijke partijen geleden schadelijke gevolgen, zodat zij dan ook gehouden is deze integraal te vergoeden.

Met betrekking tot de tenlastelegging 2, feit ten nadele van E........ V...... E.........:

Uit het deskundigenverslag van de wetsgeneesheer prof. Dr. M. Piette blijkt dat de letsels van E....... V....... E......... als geconsolideerd kunnen beschouwd worden. De wetsgeneesheer voornoemd stelt dat gezien de goede klinische evolutie na de breuk die bij E............ werd vastgesteld, en aan de hand van de courante literatuur een praktisch volledig herstel van de fysiologische functie van het lidmaat te verwachten is. Evenmin verwacht hij beduidende psychische stoornissen.

Betreffende de rechtsvordering van de burgerlijke partijen, P........ V........ E........ en M........... M........., handelende elk in eigen naam en namens de tussen hen bestaande huwgemeenschap:

1. Er worden door de burgerlijke partijen voornoemd en door S...... V..... d.... S......... in haar hoedanigheid van vergoedingsplichtige (in ondergeschikte orde) geen betwistingen gevoerd aangaande de schadeposten ‘morele schade ouders' (ten belope van 750,00 EUR per ouder) en ‘materiële schade' met uitzondering van de post "20% opzegvergoeding opvang" (die laatste post ten belope van 140,00 EUR). Deze schadeposten kunnen dan ook toegekend worden zoals hierna verder in onderhavig arrest weerhouden.

2. De vergoedingsplichtige voornoemd betwist de gevorderde schadepost omschreven als ‘20 % opzegvergoeding opvang'. Het contract (zie strafdossier, OK II, stuk 11) stipuleert o.m. dat : ‘indien een van de partijen aan de overeenkomst een einde wenst te stellen, moet er minstens 4 weken van tevoren opgezegd worden'. Het niet opzeggen wordt gesanctioneerd met een schadevergoeding begroot op 20 % van de dagprijs, en dit gedurende vier weken.

De burgerlijke partijen voornoemd bewijzen het bestaan van voormelde door hen gevorderde schadevergoeding niet. Zij tonen niet aan dat er in hoofde van de vergoedingsplichtige voornoemd geen opzegging, conform de contractuele voorwaarden, gebeurde zodat hun rechtsvordering uit dien hoofde dan ook als ongegrond dient te worden afgewezen.

3. In toepassing van artikel 162bis W. Sv. (ingevoegd door art. 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, B.S. 31 mei 2007) en art. 1022 Gerechtelijk Wetboek (ingevoegd door art. 7 van de wet van 21 april 2007 voormeld) alsmede de bepalingen van het K.B van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007, dient de door de burgerlijke partijen voornoemd gevorderde rechtsplegingsvergoeding ,zowel wegens de rechtspleging in eerste aanleg als wegens deze in beroep, te worden begroot op het basisbedrag van toepassing op de waarde van de toegekende vordering, zijnde voor de som van 400,00 EUR wegens de rechtspleging in eerste aanleg en 440,00 EUR wegens deze in beroep, hetzij samen 880,00 EUR. Er werden geen redenen aangevoerd om een ander bedrag dan het voorziene basisbedrag toe te kennen.

Met betrekking tot de tenlastelegging 1, feiten ten nadele van F....... L............:

Uit het deskundigenverslag van de wetsgeneesheer Prof Dr. M. Piette blijkt dat een volledige recuperatie van F.......L............ in de lijn der verwachtingen ligt, onder voorbehoud van een aantal zeldzame complicaties, vooral omdat F............ op geen enkel ogenblik het bewustzijn heeft verloren. De wetsgeneesheer voornoemd acht het op 14 augustus 2008 nog te vroeg om de letsels definitief te consolideren. Hij acht dit mogelijk binnen een zestal maanden (dat zou dan 14 februari 2009 geweest zijn).

Betreffende de rechtsvorderingen van de burgerlijke partijen, S...... L.........t en E......... G...................., elk handelende in eigen naam, alsook handelende samen en tenslotte in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers over de persoon en de goederen van hun minderjarige zoon F........ L...........

1. Er wordt door burgerlijke partijen voornoemd en door de vergoedingsplichtige voornoemd (in ondergeschikte orde) geen betwisting gevoerd over de gevorderde aanstelling van een geneesheer-gerechtsdeskundige om F........ L........... te onderzoeken, en ook niet over de schadepost ‘materiële schade' met uitzondering van de kosten voor de ziekenwagen (ten belope van 126,76 EUR) en de kosten opname op 15 juli 2008 (ten belope van 283,94 EUR). De vergoedingslichtige voornoemd gedraagt zich naar het oordeel van het Hof met betrekking tot de door de burgerlijke partij, E.......... G............., gevorderde aanstelling van een psychiater-deskundige wat haar persoon betreft.

2. De schadeposten die ter betwisting staan betreffen de morele schade die door de burgerlijke partijen S....... L......... en E.......... G........., wordt gevorderd, hetzij een.definitief bedrag van 2.500,00 EUR door S........ L.......... en een provisioneel bedrag van 5000,00 EUR door E........ G..........., en de door de beide burgerlijke partijen voornoemd gezamenlijk gevorderde materiële schade uit hoofde van de kosten van ziekenwagen en de opname op 15 juli 2008.

3. De rechter dient de schade ex aequo et bono te begroten als geen van de partijen elementen voor een nauwkeurige begroting verschaft of kan verschaffen (zie Cass., 8 februari 1979, R.W., 1979-1980, 969). Gelet op het niet voorhanden zijn van nauwkeurige gegevens omtrent de hoegrootheid van de morele schade in hoofde van de burgerlijke partij, S....... L........, kan die schade ex aequo et bono begroot worden op 750,00 EUR. De toekenning van voormeld bedrag houdt naar het oordeel van het Hof een passende en algehele vergoeding in voor alle geleden en gekende morele schade in hoofde van de burgerlijke partij voornoemd. S....... L................

4. In hoofde van de burgerlijke partij, E............. G............, kan rekening houdend met de ernst van de feiten en de impact van die feiten op voornoemde- zoals dat onder meer blijkt uit het attest dd. 16 februari 2010 van de dienst psychiatrie van het UZ Gent (zie stuk 1, stukkenbundel van de burgerlijke partijen voornoemd, zoals regelmatig neergelegd ter terechtzitting van 17 februari 2010 van de eerste rechter), terwijl voor het overige zich met betrekking tot de persoon van de burgerlijke partij voornoemd geneeskundig -psychiatrisch -deskundigenonderzoek opdringt.

Gelet op al het voorgaande is het Hof van oordeel dat de door de burgerlijke partij voornoemd gevorderde morele schadevergoeding in de concrete omstandigheden dient begroot te worden op een provisioneel bedrag van 750,00 EUR.

5. De vergoedingsplichtige voornoemd houdt voor dat er geen duidelijkheid heerst omtrent de eventuele tussenkomst van de mutualiteit aangaande het vervoer met de ziekenwagen en de kosten van opname op 15 juli 2008 (daarmee bedoelt de vergoedingsplichtige voornoemd de opname op 9 juli 2008 daar zij in haar beroeps-conclusie het bedrag van 283,94 EUR weerhoudt, zijnde het bedrag dat verschuldigd was voor de opname op 9 juli 2008, en niet voor de opname van 15 juli 2008).

Het Hof stelt vast dat de verantwoordingsstukken voor voormelde kosten voorliggen (zie stukken 2 en 5, stukkenbundel van de burgerlijke partijen voornoemd). Deze stukken betreffen facturen van de zorgverstrekkers zelf gericht aan F....... L........, buiten derde-betalingsregeling, en kunnen dan ook geacht worden een exacte weergave te zijn van de netto-bedragen die door de burgerlijke partijen voornoemd dienden betaald te worden. Ook die schadeposten dienen derhalve toegekend te worden.

De door de beide burgerlijke partijen voornoemd gezamenlijk gestelde rechtsvordering met als voorwerp de door hen geleden materiële schade is dan ook gegrond voor een provisioneel bedrag van 2589,85 EUR.

Betreffende de rechtsvordering van de burgerlijke partij, A.....-M........ G.............:

De rechtsvordering van de burgerlijke partij, A.....-M........ G........., grootmoeder van F....... L..................., uit hoofde van gemengde morele en materiële schade, bedraagt 750,00 EUR, waartegen de vergoedingsplichtige voornoemd aanbiedt een bedrag van 250,00 EUR te betalen.

Ook hier dient de rechter de schade ex aequo et bono te begroten als geen van de partijen elementen voor een nauwkeurige begroting verschaft of kan verschaffen.

Gelet op het niet voorhanden zijn van nauwkeurige gegevens omtrent de hoegrootheid van de gemengde morele en materiële schade in hoofde van de burgerlijke partij, A......-M..... G............, kan die schade ex aequo et bono begroot worden op 250,00 EUR.

De toekenning van voormeld bedrag houdt naar het oordeel van het Hof een passende en algehele vergoeding in voor de door de burgerlijke partij voornoemde geleden gemengde morele en materiële schade.

Betreffende de rechtsvordering van de burgerlijke partij, M....... S...............:

De vordering van de burgerlijke partij, M.......... S............, grootmoeder van F...... L................, uit hoofde van gemengde morele en materiële schade, bedraagt 750,00 EUR, waartegen de vergoedingsplichtige voornoemd aanbiedt een bedrag van 250,00 EUR te betalen.

Ook hier dient de rechter de schade ex aequo et bono te begroten als geen van de partijen elementen voor een nauwkeurige begroting verschaft of kan verschaffen.

Gelet op het niet voorhanden zijn van nauwkeurige gegevens omtrent de hoegrootheid van de gemengde morele en materiële schade in hoofde van de burgerlijke partij, M........ S................, kan die schade ex aequo et bono begroot worden op 250,00 EUR.

De toekenning van voormeld bedrag houdt naar het oordeel van het Hof een passende en algehele vergoeding in voor de door de burgerlijke partij voornoemde geleden gemengde morele en materiële schade.

Wat betreft de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van de burgerlijke partijen, S....... L.............. en E........ G..........., handelende in hun respectieve hoedanigheden, en A.......-M........ G............ en M...... S......... deze beiden handelende in eigen naam:

a. De rechter legt de rechtsplegingsvergoeding ambtshalve op (zie Cass., 19 november 2008, AR P.08.0807.F.J.T 2009, 27, (verkort)), noot, Pas. 2008, 2982 en T. Strafrecht, 2010, 30).

Uit de combinatie van de artikelen 162 en 162 bis van het Wetboek van Strafvordering volgt dat, niettegenstaande de partijen geen omstandige opgave hebbe ingediend van hun kosten, de strafrechter die uitspraak doet over de burgerrechtelijke rechts-vordering, de rechtsplegingsvergoeding in zijn vonnis mag begroten.

b. Nu de beslissing met betrekking tot de rechtsvordering van de burgerlijke partijen, S....... L.............. en E...... G.......... - die beiden door dezelfde raadsman worden bijgestaan - met betrekking tot de door hen gezamenlijk gevorderde materiële schade een provisioneel karakter heeft, welk besluit zich eveneens opdringt met betrekking tot de beslissing aangaande de door hen beiden handelende qualitate qua gestelde rechtsvordering alsook met betrekking tot de door de burgerlijke partij, E....... G.......... ,in eigen naam gestelde rechtsvordering wat de door haar geleden morele schade betreft, dan dient de beslissing met betrekking tot verschuldigde rechtsplegingsvergoeding in hunnen hoofde te worden aangehouden.

Immers, nu de rechtsvorderingen van de burgerlijke partijen voornoemd handelende in hun respectieve hoedanigheden nog geen definitieve begroting toelaat, zal er met betrekking tot de hen toekomende rechtsplegingsvergoeding slechts kunnen beslist worden tegelijk met de beslissing ten gronde met als voorwerp de definitieve begroting van diezelfde rechtsvorderingen.

c. In toepassing van artikel 162bis W. Sv. (ingevoegd door art. 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, B.S. 31 mei 2007) en art. 1022 Gerechtelijk Wetboek (ingevoegd door art. 7 van de wet van 21 april 2007 voormeld) alsmede de bepalingen van het K.B van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtspleging-vergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007, kunnen aan de burgerlijke partijen, A.......-M...... G......... en M....... S......., beiden handelende in eigen naam en gelet op het definitief karakter van de in hoofde van ieder weerhouden beslissing omtrent de door ieder van hen gestelde rechtsvordering , de volgende bedragen ten titel van rechtsplegingsvergoeding wegens de rechtspleging in eerste aanleg als wegens deze in beroep worden toegekend; hetzij aan ieder van hen wegens de rechtspleging in eerste aanleg de som van 220,00 EUR en wegens de rechtspleging in beroep van dezelfde som 220,00 EUR.

d. De beslissing met betrekking tot de interesten en de ‘overige' kosten in hoofde van de burgerlijke partijen, S....... L........ en E........ G........., handelende in hun respectieve hoedanigheden, dient te worden aangehouden.

Wat de ‘overige' kosten in hoofde van de burgerlijke partijen, M...... G....... en M..... S........., dient te worden beslist zoals bepaald in het dictum van onderhavig arrest.

OP DEZE GRONDEN

HET HOF, recht doende op tegenspraak.

Gelet op de door de eerste rechter aangehaalde wetsartikelen, met uitzondering van artikel 191 van het Wetboek van Strafvordering.

En gelet op;

- de artikelen 11, 12, 16, 24, 31, 34, 35, 36, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935;

- de artikelen 1, 2, 3, 25, 38, 40, 41, 100 ter, 392, 398 1° lid, 399 1°lid en 405bis, 3° (zoals gewijzigd bij artikel 10 van de Wet van 26.11.2011, B.S 23.01.2012) van het Strafwetboek;

- de artikelen 162, 162bis, 190, 195, 211 en 211 bis van het Wetboek van Strafvordering;

- de artikelen 1, 8 en 14 van de wet van 29 juni 1964, zoals gewijzigd, betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie;

- de artikelen 28-29 lid 1 van de wet van 1 augustus 1985, zoals gewijzigd;

- artikel 36 van de Wet van 7 februari 2003, zoals gewijzigd door artikel 2 van de wet van 28 december 2011;

- artikel 1 van het K.B. van 31 oktober 2005;

- artikel 6 van de Programmawet (II) van 27 december 2006, zoals gewijzigd;

- de artikelen 1017 en 1022 van het Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 379, 2° lid en 1382 e.v. van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 2 van het KB van 26 oktober 2007.

alle voormelde wetsbepalingen ter terechtzitting van heden door de heer Voorzitter aangehaald.

Verklaart de hoger beroepen ontvankelijk, en erover beslissende met eenparigheid van stemmen:

Op strafrechtelijk gebied:

Hervormt het bestreden vonnis, en opnieuw wijzende:

 verklaart de feiten voorwerp van de tenlasteleggingen 1 en 2 in hoofde van de beklaagde, S....... V..... d.... S........, ten genoegen van recht bewezen.

 veroordeelt de beklaagde, S...... V..... d.. S.........., wegens de gezamenlijk in haren hoofde bewezen tenlasteleggingen 1 en 2 tot een HOOFD-GEVANGENISSTRAF van VIER MAANDEN en een GELDBOETE van VIJFTIG EUR (50,00 EUR);

 verhoogt de geldboete met 45 opdeciemen, aldus gebracht op TWEEHONDERD EN VIJFENZEVENTIG;

 beveelt dat bij gebrek aan betaling binnen de termijn bepaald bij artikel 40 van het Strafwetboek, de geldboete zal kunnen vervangen worden door een gevangenisstraf van ACHT DAGEN;

 verleent aan de beklaagde voornoemd gewoon uitstel van tenuitvoerlegging voor de haar opgelegde hoofdgevangenisstraf van VIER MAANDEN en de geldboete van VIJFTIG EUR, verhoogd met 45 opdeciemen, aldus gebracht op TWEEHONDERD EN VIJFENZEVENTIG EUR alsook voor de vervangende gevangenisstraf van ACHT DAGEN,en dit gedurende een termijn van DRIE JAAR te rekenen vanaf heden;

 verplicht de beklaagde, S..... V.... d..... S....., een bedrag van VIJFENTWINTIG EUR, verhoogd met 50 opdeciemen, aldus gebracht op 150,00 EUR te betalen bij wijze van bijdrage tot de financiering van het bijzonder fonds tot hulp van slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en occasionele redders.

 legt de beklaagde, S...... V.... d.. S......., tevens een vergoeding op van 32,27 EUR in uitvoering van artikel 91 van het KB van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken,zoals gewijzigd;

 beveelt de overmaking van de overtuigingstukken neergelegd ter correctionele griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent onder de nummers 20086350, 20086349, 20086293 en 20086292 aan het openbaar ministerie teneinde verder te handelen als naar recht.

Veroordeelt de beklaagde, S...... V..... d.. S........., tot de kosten in beide aanleggen gevallen aan de zijde van het Openbaar Ministerie, in eerste aanleg te begroten op 1.502,34 EUR en in hoger beroep op 248,42 EUR.

* * * * * * * * * * *

* * * * * * * * *

* * * * * * *

* * * * *

* * *

*

*

Op burgerrechtelijk gebied:

Hervormt het bestreden vonnis, en opnieuw wijzende:

Ten aanzien van de rechtsvorderingen van de burgerlijke partijen, P...... V..... E..... en M........ M.......:

Veroordeelt S...... V.... d... S......, tot betaling ten titel van vergoeding wegens morele schade aan elk van de burgerlijke partijen, P...... V.... E..... en M..... M......, van de som van 750,00 EUR, meer de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 23 januari 2008 tot heden ,meer de verwijlinteresten aan dezelfde wettelijke interestvoet op het geheel, zijnde de hoofdsom vermeerderd met de toegekende vergoedende interesten, en dit vanaf heden tot de dag der algehele betaling.

Veroordeelt S..... V.... d... S......... tot betaling ten titel van vergoeding wegens materiële schade aan de burgerlijke partijen, P..... V.... E...... en M...... M......, optredend namens de tussen hen bestaande huwgemeenschap, van de som van 37,43 EUR, meer de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 23 januari 2008 tot heden ,meer de verwijlinteresten aan dezelfde wettelijke interestvoet op het geheel, zijnde de hoofdsom vermeerderd met de toegekende vergoedende interesten, en dit vanaf heden tot de dag der algehele betaling.

Wijst het meer en/of anders gevorderde af als ongegrond.

Veroordeelt S..... V.... d..... S....., tot betaling aan de burgerlijke partijen, P..... V..... E..... en M....... M......, gezamenlijk, ten titel van rechtsplegingsvergoeding wegens de rechtspleging in eerste aanleg van de som van 440,00 EUR en wegens deze in hoger beroep van dezelfde som van 440,00 EUR, hetzij samen 880,00 EUR. 880,00 EUR.

Veroordeelt S..... V.... d.... S....... tot de ‘overige' kosten van beide aanleggen, gevallen aan de zijde van de burgerlijke partijen, P..... V..... E...... en M....... M........

Ten aanzien van de rechtsvorderingen van de burgerlijke partijen, S...... L...... en E........ G.........:

Veroordeelt S...... V..... d... S......., tot betaling aan de burgerlijke partij, S.... L........, in eigen naam ten titel van morele schade van de som van 750,00 EUR meer de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 14 mei 2008 tot heden, meer de verwijlinteresten aan dezelfde wettelijke interestvoet op het geheel, zijnde de hoofdsom vermeerderd met de toegekende vergoedende interesten, en dit vanaf heden tot de dag der algehele betaling.

Veroordeelt S...... V..... d... S...... tot betaling aan de burgerlijke partij, E..... G.............., in eigen naam ten titel van morele schade van de provisionele som van 750,00 EUR.

EN, alvorens verder ten gronde te oordelen omtrent de rechtsvordering van de burgerlijke partij, E....... G............, handelende in eigen naam:

beveelt geneeskundig-deskundigenonderzoek, en stelt daartoe als deskundige aan:

Dr. Guido Sieben, geneesheer-psychiater,

wonende te 9000 Gent, K. Albertlaan 29,

met als opdracht:

E........ G.........., wonende te .........................., te onderzoeken:

• de aard van de fysieke en vooral psychische letsels (-gevolgen) in hoofde van E...... G........ ten gevolge van de feiten waarvan haar zoon F...... het slachtoffer is, voorwerp van de bewezen verklaarde tenlastelegging 1 in hoofde van S....... V.... d.... S........, en de eventueel ondergane behandeling te beschrijven, met aandacht voor een eventuele vooraf bestaande toestand in hoofde van E........ G..........;

• zijn oordeel te geven nopens de aard, de duur en de evolutie van het genezingsproces en, in voorkomend geval, de duur van de hospitalisatie alsmede over de ernst van de geleden pijnen;

• zijn advies te geven over de duur en de graden van de tijdelijke, volledige en gedeeltelijke invaliditeit en/of arbeidsongeschiktheid en de weerslag ervan op de beroepsactiviteit en/of op de andere levenssferen van E........ G..............;

• te bepalen of hulp van derden in deze periode nodig was/is in de huishouding of daarbuiten, rekening houdend met de bestaande en beschikbare hulpmiddelen;

• zijn advies te geven over het tijdstip waarop E..... G.............. redelijkerwijs, weze het gedeeltelijk, haar professionele en andere activiteiten kon hernemen en aan te geven of deze herneming van de activiteiten al dan niet met het leveren van meer-inspanningen gepaard ging;

• de datum van de consolidatie vast te stellen;

• de graad van blijvende invaliditeit en/of arbeidsongeschiktheid te bepalen, de weerslag ervan op de beroepsactiviteit en/of op de andere levenssferen van E....... G........, hierbij rekening houdend met zowel de eventuele vooraf bestaande toestand als met het beroep van E....... G..................;

• te bepalen of hulp van derden nodig is in de huishouding of daarbuiten, rekening houdend met de bestaande en beschikbare hulpmiddelen;

• vast te stellen of de opgelopen letsels na de consolidatie nog medicatie en/of medische of paramedische behandelingen noodzaken of louter op comfort gericht zijn; desgevallend de aard en de termijn ervan te bepalen en de omvang van de eraan verbonden kosten te ramen;

• alle eventuele andere elementen die kunnen bijdragen tot de volledige voorlichting van het Hof om ten gronde te beslissen ter kennis te brengen en te antwoorden op alle nuttige vragen van de partijen;

Zegt dat onderhavig arrest door de griffier binnen de vijf dagen bij gerechtsbrief ter kennis zal worden gebracht aan de deskundige voornoemd en per gewone brief aan de partijen en hun raadslieden.

Zegt dat de deskundige voornoemd over een termijn van acht dagen na de kennisgeving van dit arrest beschikt om desgewenst de opdracht met behoorlijk omklede redenen te weigeren (cfr. art. 972 §1 al. 3 van het Gerechtelijk Wetboek).

Zegt dat de deskundige voornoemd en de partijen zich naar aanleiding van het deskundig onderzoek verder dienen te gedragen naar de bepalingen van de artikelen 962 tot 991bis van het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd door de artikelen 20 tot 37 van de Wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen betreffende Justitie (II), B.S. 15 januari 2010, in werking getreden op 25 januari 2010);

Stelt vast dat niet alle partijen om een installatievergadering hebben verzocht en acht een installatievergadering niet noodzakelijk:

BEPAALT DAT ALS VOLGT DIENT TE WORDEN GEHANDELD:

 de voornoemde deskundige dient alle correspondentie aan de partijen aangetekend, en aan hun raadslieden alsmede aan de verder in onderhavig arrest met de opvolging en controle van de deskundige werkzaamheden aangewezen rechter per gewone brief te versturen;

voor wat betreft de correspondentie te voeren ná de mededeling van de plaats, de dag, en het uur van de aanvang van de deskundige werkzaamheden, (behoudens wat betreft de mededeling van het eindverslag, waarover verder meer) kan de deskundige eventueel door de partijen worden vrijgesteld van de verplichting om per aangetekende post te corresponderen;

 de deskundige dient binnen een termijn van acht dagen na de kennisgeving van dit arrest - en voor zover hij de opdracht niet weigert - de partijen, hun raadslieden alsmede de verder in onderhavig arrest met de opvolging en controle van de deskundige werkzaamheden aangewezen rechter schriftelijk op de hoogte te brengen van zijn aanvaarding van de opdracht;

 samen met de hiervoor vermelde schriftelijke kennisgeving van aanvaarding van de opdracht, maakt de deskundige aan dezelfde geadresseerden schriftelijk een raming over van de algemene kostprijs van het deskundigenonderzoek of minstens van de manier waarop en de tarieven waaraan zijn kosten en ereloon, alsmede de kosten en het ereloon van de eventuele technische raadgevers zullen berekend worden;

 de deskundige mag daarna wachten op de kennisgeving van de consignatie van het voorschot door de griffier, zoals verder in onderhavig arrest bepaald;

 binnen een termijn van vijftien dagen nadat hem/haar door de griffier werd kennis gegeven van de consignatie van het voorschot, dient de deskundige zelf de plaats, de dag, en het uur te bepalen waarop hij zijn werkzaamheden zal aanvatten;

 binnen dezelfde voormelde termijn dient hij die gegevens schriftelijk aan de partijen, hun raadslieden en aan de rechter mede te delen;

 de partijen dienen ten laatste bij de aanvang van de werkzaamheden van de deskundige - maar liever iets vroeger - een geïnventariseerd dossier met alle relevante stukken aan de voornoemde deskundige over te maken, conform artikel 972 bis §1 al. 2 Gerechtelijk Wetboek (en deze op hetzelfde voormelde ogenblik eveneens mede te delen aan alle wederpartijen - voor zover dit nog niet vroeger zou gebeurd zijn);

 de deskundige zal in de loop van zijn opdracht zelf bepalen of het noodzakelijk is om al dan niet een beroep te doen op technische raadgevers;

 alle verrichtingen dienen tegen¬sprekelijk te gebeuren en alle partijen dienen opgeroepen te worden om daar deel aan te nemen, tenzij de partijen de deskundige hiervan zouden vrijstellen gelet op het uiterst technische karakter van sommige verrichtingen;

 zo snel mogelijk na de medische onderzoeken door de voornoemde deskundige en eventueel de door hem/haar aangewezen technische raadgever(s), dient de deskundige een voorverslag op te maken met hierin een antwoord op de door het Hof (en eventueel de partijen) gestelde vragen, dat aan alle partijen in voorlezing dient gestuurd te worden, met een termijn van één maand voor het formuleren van opmerkingen;

 het eindverslag dient elke opmerking van partijen na het toestu¬ren van het voorverslag te ontmoeten;

 het eindverslag dient door de deskundige op straffe van nietigheid te worden ondertekend en afgesloten te worden met de wettelijke eedformule: "ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb";

 de minuut van het met redenen omkleed eindverslag, voorzien van de eedformule en opgemaakt overeenkomstig de wettelijke voorschriften krachtens art. 978 §1 Gerechtelijk Wetboek dient, samen met de gedetailleerde staat van kosten en ereloon van de deskundige (en eventueel geraadpleegde technische raadgever(s)), conform artikel 990 Gerechtelijk Wetboek neergelegd te worden ter correctionele griffie van het Hof van beroep te Gent, met afschrift per aangetekend schrijven aan partijen en per gewone brief aan de raadslieden.

Stelt het voorschot van de gerechtsdeskundige in de huidige stand van het geding (artikel 972 § 2 Gerechtelijk Wetboek) vast op 1.250,00 EUR.

Veroordeelt de verweerster, S.......... V...... d...... S........., om voormeld bedrag binnen de maand na de datum van uitspraak van huidig arrest te consigneren op de rekening 679-2008361-73 van de griffie van het Hof van Beroep te Gent (met uitdrukkelijke vermelding van de referte "desk .../BB/..."), onder voorbehoud van verdere beoordeling, en waarbij aan de partijen wordt opgemerkt dat - conform artikel 987 al. 2 Gerechtelijk Wetboek - ingeval de hiervoor aangewezen partij niet tot de uitvoering van de consignatie overgaat, de meest gerede partij het voorschot in consignatie kan geven.

Zegt dat de uitvoering van deze consignatie door de griffier binnen de vijf dagen bij gewone brief ter kennis zal worden gebracht aan de deskundige.

Bepaalt dat van voormeld voorschot de som van 750,00 EUR door de griffie onmiddellijk aan de aangestelde gerechtsdeskundige mag vrijgegeven worden.

Wijst aan als rechter die overeenkomstig artikel 973 §§ 1 en 2 Gerechtelijk Wetboek de deskundige werkzaamheden zal volgen en controleren en door wie alle betwistingen die in de loop van het deskundigenonderzoek, met betrekking tot dit onderzoek, ontstaan tussen de partijen onderling of tussen de partijen en de deskundige , met inbegrip van het verzoek tot vervanging van de deskundige en van elke betwisting aangaande de uitbreiding of de verlenging van de opdracht zullen worden beoordeeld en beslecht : raadsheer Jan Doom, raadsheer in het Hof van Beroep te Gent, of, bij diens verhindering, de rechter die zal worden aangewezen door de eerste Voorzitter door het Hof van beroep te Gent;

BEPAALT DE TERMIJN VOOR HET NEERLEGGEN VAN HET EINDVERSLAG OP ZES MAANDEN VANAF DE DATUM WAAROP DE DESKUNDIGE KENNIS HEEFT GEKREGEN VAN DE CONSIGNATIE VAN HET VOORSCHOT.

Ten overvloede wordt de deskundige er op gewezen dat, overeenkomstig artikel 974 § 2 Gerechtelijk Wetboek enkel de rechter de termijn voor de indiening van het eindverslag kan verlengen. Hiertoe dient de deskundige zich te wenden tot de voornoemde rechter, gelast met de opvolging en controle van de deskundige werkzaamheden, die het betreffende verzoek tot verlenging zal behandelen in raadkamer.

Zegt dat het de deskundige verboden is een rechtstreekse betaling van een partij in het geding te aanvaarden (artikel 509quater van het Strafwetboek: "Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van tweehonderd euro tot vijftienhonderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft de deskundige die, wetende dat een rechtstreekse betaling niet toegelaten is, deze toch aanvaardt van een partij in het geding.") ;

Houdt de beslissing nopens de definitieve begroting van de schadevergoeding van de burgerlijke partij, E........ G............, de verschuldigde intresten en vergoeding van de kosten, daarin begrepen de rechtsplegingsvergoeding, aan.

Stelt de verdere behandeling ten gronde van de rechtsvordering van de burgerlijke partij, E........ G.........., onbepaald uit louter met het oog op de (her-toebedeling voor) verdere behandeling ervan.

Veroordeelt S....... V...... S......., tot betaling ten titel van vergoeding wegens materiële schade aan de burgerlijke partijen, S..... L....... en E...... G........., zoals zij samen handelen, van de provisionele som van 2.589,85 EUR.

Veroordeelt S........ V.... S....... tot betaling ten titel van vergoeding van gemengde materiële en morele schade, de provisionele som van 5.000,00 EUR aan de burgerlijke partijen, S....... L........ en E...... G........., handelende in hun hoedanigheid van ouders wettelijke vertegenwoordigers over de persoon en de goederen van hun minderjarige zoon, F....... L.........

Beveelt bij toepassing van artikel 379,2°lid van het Burgerlijk Wetboek, zoals laatst gewijzigd bij artikel 3 van de Wet van 13 februari 2003, dat voormeld aan de minderjarige, F...... L..........., toegekend provisioneel bedrag zal geplaatst worden op een rekening die op naam van de minderjarige is geopend en die, behoudens het recht op wettelijk genot, onbeschikbaar zal zijn tot het tijdstip van zijn meerderjarigheid.

EN, alvorens verder ten gronde te oordelen omtrent de rechtsvordering van de burgerlijke partijen, S....... L....... en E....... G........, handelende in hun hoedanigheid van ouders wettelijke vertegenwoordigers over de persoon en de goederen van hun minderjarige zoon, F....... L.........

BEVEELT geneeskundig-deskundigenonderzoek, en stelt daartoe als deskundige aan:

Dr. Xavier Janssens, wonende te 9000 Gent, Meersstraat 142,

met als opdracht:

F......L......., wonende te .......... te onderzoeken:

• de aard van de letsels in hoofde van F....... L........ ten gevolge van de feiten voorwerp van de bewezen verklaarde tenlastelegging 1 in hoofde van S....... V..... d.... S..........l, en de eventueel ondergane behandeling te beschrijven;zijn oordeel te geven nopens de aard, de duur en de evolutie van het genezingsproces en, in voorkomend geval, de duur van de hospitalisatie alsmede over de ernst van de geleden pijnen;

• de datum van de consolidatie vast te stellen ;

• de graad van een eventueel blijvende invaliditeit te bepalen;

• vast te stellen of de opgelopen letsels na de consolidatie nog medicatie en/of medische of paramedische behandelingen noodzaken of louter op comfort gericht zijn; desgevallend de aard en de termijn ervan te bepalen en de omvang van de eraan verbonden kosten te ramen;

• alle eventuele andere elementen die kunnen bijdragen tot de volledige voorlichting van het Hof om ten gronde te beslissen ter kennis te brengen en te antwoorden op alle nuttige vragen van de partijen.

Zegt dat onderhavig arrest door de griffier binnen de vijf dagen bij gerechtsbrief ter kennis zal worden gebracht aan de deskundige voornoemd en per gewone brief aan de partijen en hun raadslieden.

Zegt dat de deskundige voornoemd over een termijn van acht dagen na de kennisgeving van dit arrest beschikt om desgewenst de opdracht met behoorlijk omklede redenen te weigeren (cfr. art. 972 §1 al. 3 Gerechtelijk Wetboek).

Zegt dat de deskundige voornoemd en de partijen zich naar aanleiding van het deskundig onderzoek verder dienen te gedragen naar de bepalingen van de artikelen 962 tot 991bis van het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd door de artikelen 20 tot 37 van de Wet van 30 december 2009 houdende diverse bepalingen betreffende Justitie (II), B.S. 15 januari 2010, in werking getreden op 25 januari 2010);

Stelt vast dat niet alle partijen om een installatievergadering hebben verzocht en acht een installatievergadering niet noodzakelijk:

BEPAALT DAT ALS VOLGT DIENT TE WORDEN GEHANDELD:

 de voornoemde deskundige dient alle correspondentie aan de partijen aangetekend, en aan hun raadslieden alsmede aan de verder in onderhavig arrest met de opvolging en controle van de deskundige werkzaamheden aangewezen rechter per gewone brief te versturen;

voor wat betreft de correspondentie te voeren ná de mededeling van de plaats, de dag, en het uur van de aanvang van de deskundige werkzaamheden, (behoudens wat betreft de mededeling van het eindverslag, waarover verder meer) kan de deskundige eventueel door de partijen worden vrijgesteld van de verplichting om per aangetekende post te corresponderen;

 de deskundige dient binnen een termijn van acht dagen na de kennisgeving van dit arrest - en voor zover hij de opdracht niet weigert - de partijen, hun raadslieden alsmede de verder in onderhavig arrest met de opvolging en controle van de deskundige werkzaamheden aangewezen rechter schriftelijk op de hoogte te brengen van zijn aanvaarding van de opdracht;

 samen met de hiervoor vermelde schriftelijke kennisgeving van aanvaarding van de opdracht, maakt de deskundige aan dezelfde geadresseerden schriftelijk een raming over van de algemene kostprijs van het deskundigenonderzoek of minstens van de manier waarop en de tarieven waaraan zijn kosten en ereloon, alsmede de kosten en het ereloon van de eventuele technische raadgevers zullen berekend worden;

 de deskundige mag daarna wachten op de kennisgeving van de consignatie van het voorschot door de griffier, zoals verder in onderhavig arrest bepaald;

 binnen een termijn van vijftien dagen nadat hem/haar door de griffier werd kennis gegeven van de consignatie van het voorschot, dient de deskundige zelf de plaats, de dag, en het uur te bepalen waarop hij zijn werkzaamheden zal aanvatten;

 binnen dezelfde voormelde termijn dient hij die gegevens schriftelijk aan de partijen, hun raadslieden en aan de rechter mede te delen;

 de partijen dienen ten laatste bij de aanvang van de werkzaamheden van de deskundige - maar liever iets vroeger - een geïnventariseerd dossier met alle relevante stukken aan de voornoemde deskundige over te maken, conform artikel 972 bis §1 al. 2 Gerechtelijk Wetboek (en deze op hetzelfde voormelde ogenblik eveneens mede te delen aan alle wederpartijen - voor zover dit nog niet vroeger zou gebeurd zijn);

 de deskundige zal in de loop van zijn opdracht zelf bepalen of het noodzakelijk is om al dan niet een beroep te doen op technische raadgevers;

 alle verrichtingen dienen tegen¬sprekelijk te gebeuren en alle partijen dienen opgeroepen te worden om daar deel aan te nemen, tenzij de partijen de deskundige hiervan zouden vrijstellen gelet op het uiterst technische karakter van sommige verrichtingen;

 zo snel mogelijk na de medische onderzoeken door de voornoemde deskundige en eventueel de door hem/haar aangewezen technische raadgever(s), dient de deskundige een voorverslag op te maken met hierin een antwoord op de door het Hof (en eventueel de partijen) gestelde vragen, dat aan alle partijen in voorlezing dient gestuurd te worden, met een termijn van één maand voor het formuleren van opmerkingen;

 het eindverslag dient elke opmerking van partijen na het toesturen van het voorverslag te ontmoeten;

 het eindverslag dient door de deskundige op straffe van nietigheid te worden ondertekend en afgesloten te worden met de wettelijke eedformule: "ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb";

 de minuut van het met redenen omkleed eindverslag, voorzien van de eedformule en opgemaakt overeenkomstig de wettelijke voorschriften krachtens art. 978 §1 Gerechtelijk Wetboek dient, samen met de gedetailleerde staat van kosten en ereloon van de deskundige (en eventueel geraadpleegde technische raadgever(s)), conform artikel 990 Gerechtelijk Wetboek neergelegd te worden ter correctionele griffie van het Hof van beroep te Gent, met afschrift per aangetekend schrijven aan partijen en per gewone brief aan de raadslieden.

Stelt het voorschot van de gerechtsdeskundige in de huidige stand van het geding (artikel 972 § 2 Gerechtelijk Wetboek) vast op 1.250,00 EUR.

Veroordeelt de verweerster, S...... V..... d.... S........, om voormeld bedrag binnen de maand na de datum van uitspraak van huidig arrest te consigneren op de rekening 679-2008361-73 van de griffie van het Hof van Beroep te Gent (met uitdrukkelijke vermelding van de referte "desk .../BB/..."), onder voorbehoud van verdere beoordeling, en waarbij aan de partijen wordt opgemerkt dat - conform artikel 987 al. 2 Gerechtelijk Wetboek - ingeval de hiervoor aangewezen partij niet tot de uitvoering van de consignatie overgaat, de meest gerede partij het voorschot in consignatie kan geven.

Zegt dat de uitvoering van deze consignatie door de griffier binnen de vijf dagen bij gewone brief ter kennis zal worden gebracht aan de deskundige.

Bepaalt dat van voormeld voorschot de som van 750,00 EUR door de griffie onmiddellijk aan de aangestelde gerechtsdeskundige mag vrijgegeven worden.

Wijst aan als rechter die overeenkomstig artikel 973 §§ 1 en 2 Gerechtelijk Wetboek de deskundige werkzaamheden zal volgen en controleren en door wie alle betwistingen die in de loop van het deskundigenonderzoek, met betrekking tot dit onderzoek, ontstaan tussen de partijen onderling of tussen de partijen en de deskundige , met inbegrip van het verzoek tot vervanging van de deskundige en van elke betwisting aangaande de uitbreiding of de verlenging van de opdracht zullen worden beoordeeld en beslecht : raadsheer Jan Doom, raadsheer in het Hof van Beroep te Gent, of, bij diens verhindering, de rechter die zal worden aangewezen door de eerste Voorzitter door het Hof van beroep te Gent.

BEPAALT DE TERMIJN VOOR HET NEERLEGGEN VAN HET EINDVERSLAG OP ZES MAANDEN VANAF DE DATUM WAAROP DE DESKUNDIGE KENNIS HEEFT GEKREGEN VAN DE CONSIGNATIE VAN HET VOORSCHOT.

Ten overvloede wordt de deskundige er op gewezen dat, overeenkomstig artikel 974 § 2 Gerechtelijk Wetboek enkel de rechter de termijn voor de indiening van het eindverslag kan verlengen. Hiertoe dient de deskundige zich te wenden tot de voornoemde rechter, gelast met de opvolging en controle van de deskundige werkzaamheden, die het betreffende verzoek tot verlenging zal behandelen in raadkamer.

Zegt dat het de deskundige verboden is een rechtstreekse betaling van een partij in het geding te aanvaarden (artikel 509quater van het Strafwetboek: "Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van tweehonderd euro tot vijftienhonderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft de deskundige die, wetende dat een rechtstreekse betaling niet toegelaten is, deze toch aanvaardt van een partij in het geding.") ;

Houdt de beslissing nopens de definitieve begroting van de schadevergoeding van de burgerlijke partij, E........ G............., de verschuldigde intresten en vergoeding van de kosten, daarin begrepen de rechtsplegingsvergoeding, aan.

Stelt de verdere behandeling ten gronde van de rechtsvordering van de burgerlijke partijen, S........L........ en E......... G.........., handelende in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers over de persoon en de goederen van hun minderjarige zoon F.......L........., onbepaald uit louter met het oog op de (her-toebedeling voor) verdere behandeling ervan.

Veroordeelt S....... V....... d..... S......., tot betaling aan de burgerlijke partij, A.....-M...... G..........., ten titel van vergoeding wegens gemengde morele en materiële schade van de som van 250,00 EUR, meer de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 14 mei 2008 tot heden meer de verwijlinteresten aan dezelfde wettelijke interestvoet op het geheel, zijnde de hoofdsom vermeerderd met de toegekende vergoedende interesten, en dit vanaf heden tot de dag der algehele betaling.

Veroordeelt S........ V...... d... S......., tot betaling aan de burgerlijke partij, M..... S........., ten titel van vergoeding wegens gemengde morele en materiële schade van de som van 250,00 EUR, meer de vergoedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 14 mei 2008 tot heden meer de verwijlinteresten aan dezelfde wettelijke interestvoet op het geheel, zijnde de hoofdsom vermeerderd met de toegekende vergoedende interesten, en dit vanaf heden tot de dag der algehele betaling.

Veroordeelt S...... V..... d...... S....... tot betaling ten titel van rechtsplegings-vergoeding:

 aan de burgerlijke partij, A.....-M....... G........., wegens de rechtspleging eerste aanleg de som van 150,00 EUR en wegens deze in beroep van de som van 165,00 EUR, hetzij samen 315,00 EUR;

 aan de burgerlijke partij, M........ S........., wegens de rechtspleging eerste aanleg de som van 165,00 EUR en wegens deze in beroep van dezelfde som van 220,00 EUR, hetzij samen 315,00 EUR.

* * * * * * * * * * *

* * * * * * * * *

* * * * * * *

* * * * *

* * *

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

Dit arrest is gewezen door de vierde correctionele kamer van het Hof van beroep te Gent, samengesteld uit kamervoorzitter Chr. Van Damme, raadsheer C. Gassée en raadsheer A. Allaert,

en in openbare terechtzitting van 29 mei 2012 uitgesproken door kamervoorzitter Chr. Van Damme, in aanwezigheid van advocaat-generaal E. Coppens, met bijstand van Y. Henderickx, griffier.

Free keywords