- Arrêt of September 18, 2012

18/09/2012 - 2011-AR-2202

Case law

Summary

Samenvatting 1

De bekendmaking van een belastingreglement (daterend van 2004) moet overeenkomstig artikel 109 van de Nieuwe Gemeentewet zowel door de burgemeester als door de gemeentesecretaris ondertekend zijn. De medeondertekening door de gemeentesecretaris is een substantiële vormvereiste. Zonder die handtekening is het belastingreglement onbestaande. De aanslagen die erop gesteund zijn, zijn nietig.


Arrêt - Integral text

Hof van beroep

te Gent

5e kamer

________

terechtzitting

van

18-09-2012

BELASTINGEN

Nr.2011/AR/2202

in de zaak van:

De Stad OOSTENDE, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, met kantoren te 8400 OOSTENDE, Vindictivelaan 1,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. ZAGHEDEN Médhi loco

mr. MAUS Michel, advocaat te 8310 BRUGGE, Baron Ruzettelaan 5 bus 3

tegen:

N.V. RESIDENTIE MARRIA,

met maatschappelijke zetel te 2870 PUURS, Kalfortdorp 62 bus 31, ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0427.183.545,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. ALEXANDER Carl, advocaat te 8000 BRUGGE, Zwijnstraat 3a

spreekt het Hof het volgend arrest uit:

1. De procedure

Bij verzoekschrift van 25 juli 2011 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, op 16 maart 2011 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd als volgt uitspraak gedaan:

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en gegrond.

Vernietigt de bestreden heffingen ingekohierd voor het aanslagjaar 2008 onder de artikelen 000.413 en 000.413 voor de woningen gelegen te ..................

Veroordeelt verweerster tot de gedingkosten aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van eiseres begroot op 650,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het hof te bekomen dat het zegt voor recht dat de bestreden aanslagen correct en terecht werden geheven.

De appellante vraagt ook dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis, met dien verstande dat op de openbare terechtzitting van 19 juni 2012 verduidelijkt werd dat niet tweemaal de aanslag met kohierartikel 000.413 — zoals, kennelijk per vergissing, in het bestreden vonnis vermeld — maar enerzijds de aanslag met kohierartikel 000.412 en anderzijds de aanslag met kohierartikel 000.413 zouden moeten worden vernietigd. De geïntimeerde vraagt tevens dat het hof de appellante zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep.

2. De feitelijke gegevens

De geïntimeerde is sinds 15 december 2005 eigenaar van een onroerend goed gelegen aan de ......................., gekend als ‘de villa N.........'.

De gemeenteraad van de appellante heeft op 23 december 2004 voor de dienstjaren 2005 tot 2009 een reglement goedgekeurd tot heffing van een belasting op woningen en/of gebouwen die beschouwd worden als onbewoonbaar, ongeschikt, verwaarloosd, leegstaand, of onafgewerkt.

Op 7 december 2006 heeft de appellante aan de geïntimeerde laten weten dat haar huisvestingdienst heeft vastgesteld dat in dat onroerend goed twee woongelegenheden leegstonden:

- deze op de benedenverdieping;

- deze op de eerste en tweede verdieping.

Bij de brief werd een akte van vaststelling gevoegd. Ook werd gemeld dat in bepaalde gevallen vrijstelling van belasting kon worden verkregen.

Op 2 januari 2007 heeft de geïntimeerde een aanvraag ingediend tot vrijstelling van belasting wegens grondige renovatiewerken.

Op 7 februari 2007 moet de geïntimeerde ook laten weten hebben niet akkoord te kunnen gaan met de opname van de twee woongelegenheden in de inventaris van leegstaande woningen en/of gebouwen.

Op 14 februari 2007 heeft de appellante voor de twee woongelegenheden laten weten dat de inventarisatie behouden bleef maar dat aan de geïntimeerde twee jaar vrijstelling van de gemeentelijke belasting werd verleend te rekenen vanaf 6 december 2006. Er staat verder: Indien, op het einde van de periode van vrijstelling, de woongelegenheden niet zijn geschrapt uit de inventaris van leegstaande woningen en/of gebouwen, of u niet in aanmerking komt voor een aanvullende vrijstelling, zoals omschreven in hoofdstuk 6 van de geldende belastingverordening, vervalt de vrijstelling en wordt de belasting verschuldigd voor het lopende dienstjaar.

Op 25 februari 2007 heeft de geïntimeerde een bouwaanvraag met plannen ingediend voor de verbouwing van de betreffende woongelegenheden.

Op 4 oktober 2007 heeft de stedelijke commissie A.be (Actieplan Bouwkundig Erfgoed) een negatief advies uitgebracht.

In september 2007 volgde ook een negatief advies van de brandweer en van de riolendienst.

De dienst stedenbouwkundige vergunningen van de appellante heeft op 19 september 2008 aan de architect van de geïntimeerde kennis gegeven van die negatieve adviezen en een reeks opmerkingen opgesomd, met vraag om aan de opmerkingen te voldoen.

Binnen de hoger vermelde termijn van twee jaar waarvoor de vrijstelling van belasting was toegekend, was de renovatie nog niet aangevat.

Op 20 april 2009 heeft de appellante op naam van de geïntimeerde voor elk van de genoemde woongelegenheden een aanslag gevestigd in de belasting op onbewoonbare, ongeschikte, verwaarloosde, leegstaande en onafgewerkte gebouwen voor het dienstjaar 2008 onder de kohierartikels 000412 en 000413, telkens voor een bedrag van 1.250,00 euro.

Op 26 mei 2009 heeft de geïntimeerde tegen die aanslagen een bewaarschrift ingediend.

In zijn beslissing van 26 oktober 2009 wees het college van burgemeester en schepenen van de appellante het bezwaar af als ongegrond. Van die beslissing werd kennis gegeven aan de geïntimeerde met een brief van 26 november 2009.

Met een verzoekschrift van 26 februari 2010 stelde de geïntimeerde haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge.

De vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge heeft in zijn vonnis van 16 maart 2011, zoals hoger vermeld, de vordering van de geïntimeerde gegrond verklaard. Meer bepaald werd vastgesteld dat niet voldaan was aan de verplichting om de bekendmaking van het belastingreglement door de gemeentesecretaris te ondertekenen.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. De betwistingen

De appellante stelt dat de eerste rechter ten onrechte geoordeeld heeft dat zij bij de bekendmaking van het belastingreglement artikel 112 van de Nieuwe Gemeentewet heeft geschonden. Volgens de appellante werd volledig voldaan aan de vereisten van de artikelen 112 en 114 van de Nieuwe Gemeentewet en aan de artikelen 1, 2 en 3 van het KB van 14 oktober 1991 betreffende de aantekeningen in het register voor de bekendmaking van reglementen en verordeningen van de gemeenteoverheden. Zij benadrukt het verschil tussen de bekendmaking van het belastingreglement (dat volgens het genoemde artikel 112 slechts door de burgemeester moet gedaan worden) en het opnemen van de bekendmaking in een speciaal daartoe bestemd register (waarvoor burgemeester en secretaris moeten tekenen).

De geïntimeerde van haar kant roept in dat ook de bekendmaking van het belastingreglement door zowel de burgemeester als de secretaris moet worden ondertekend en wel op grond van artikel 109 Nieuwe Gemeentewet.

Beoordeling

De appellante legt in dat verband de volgende stukken voor:

• haar stuk 2: de akte van bekendmaking nummer 19 van 28 december 2004 met betrekking tot het betreffende belastingreglement, ondertekend door de burgemeester van de appellante;

• haar stuk 3: de akte ‘getuigschrift van bekendmaking' nummer 19 van 28 december 2004 met betrekking tot het betreffende belastingreglement, ondertekend door de burgemeester van de appellante;

• haar stuk 4: een uittreksel uit het register van bekendmakingen met de inschrijving onder nummer 19 van het feit dat het betreffende belastingreglement op 28 december 2004 werd bekendgemaakt, ondertekend door zowel de burgemeester als de secretaris.

Het hof stelt vast dat de appellante terecht aanvoert dat de ondertekeningen voldoen aan de vereisten gesteld in de artikelen 112 en 114 van de Nieuwe Gemeentewet en aan de artikelen 1, 2 en 3 van het KB van 14 oktober 1991 betreffende de aantekeningen in het register voor de bekendmaking van reglementen en verordeningen van de gemeenteoverheden.

Artikel 112 van de Nieuwe Gemeentewet (dat op dat moment nog toepasselijk was) voorziet inderdaad dat het (slechts) de burgemeester is die voor bekendmaking moet zorgen.

Volgens artikel 3 van het KB van 14 oktober 1991 moeten de gemeentesecretaris en de burgemeester de aantekening van de bekendmaking van de reglementen en verordening in het register bedoeld in artikel 114 Nieuwe Gemeentewet ondertekenen; dat blijkt uit het stuk 4 van de appellante ook zo te zijn gebeurd.

Hoewel uit artikel 112 Nieuwe Gemeentewet niet kan afgeleid worden dat de gemeentesecretaris de akte van bekendmaking moet ondertekenen, moet dat evenwel afgeleid worden uit artikel 109 van diezelfde wet. Die wetsbepaling (toen ook nog toepasselijk) luidt immers als volgt:

De reglementen en verordeningen van de gemeenteraad en van het college van burgemeester en schepenen, de bekendmakingen, de akten en briefwisseling van de gemeente worden ondertekend door de burgemeester en medeondertekend door de secretaris (eigen onderstreping door het hof).

De tekst van die wet is duidelijk: ook de bekendmakingen (en niet alleen de aantekeningen van die bekendmakingen in het daartoe bedoeld register) moeten door burgemeester en secretaris worden ondertekend. Het staat dus vast dat de bekendmaking van het betreffende reglement, vermits het niet door de gemeentesecretaris werd ondertekend, onregelmatig is wegens schending van artikel 109 Nieuwe Gemeentewet.

In zijn arrest nummer 50005 van 28 oktober 1994 (Pardonge/Hastière - pp. 7-8) heeft de Raad van State aangenomen dat de medeondertekening door de secretaris een substantiële vormvereiste is vermits artikel 111 Nieuwe Gemeentewet bepaalt dat het college van burgemeester en schepenen de gemeentesecretaris kan machtigen de medeondertekening van bepaalde stukken op te dragen aan één of meer ambtenaren van de gemeente, waarbij die opdracht schriftelijk moet geschieden en de gemeenteraad daarvan op de hoogte moet worden gebracht tijdens zijn eerstvolgende vergadering. Het hof sluit zich daar bij aan.

Gelet op de schending van een substantiële vormvereiste moet, zoals de geïntimeerde aanvoert, de bekendmaking geacht worden onbestaande te zijn. Dat heeft tot gevolg dat het belastingreglement niet werd bekendgemaakt zoals nochtans voorzien door artikel 112 Nieuwe Gemeentewet. Het belastingreglement is derhalve niet geldig ingevoerd.

Bijgevolg zijn de bestreden aanslagen gesteund op een ongeldig belastingreglement en daarom nietig.

Het bestreden vonnis moet worden bevestigd, met dien verstande dat de materiële vergissing omtrent de vermelding van de kohierartikels — zie hoger — moet worden weggewerkt.

4. De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 2.500,01 tot 5.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 715,00 euro toepasselijk.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

gehoord in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies,

verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis, met dien verstande dat de vernietigde aanslagen aangeduid worden als deze met kohierartikel 000.412 en 000.413.

veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellante: nihil

- aan de kant van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 715,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op ACHTTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN TWAALF.

Aanwezig de Heren:

A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. Tillekaerts en D.Vandeputte, Raadsheren,

M. Vanderbeeken, griffier.

Free keywords

  • bekendmaking van een belastingsreglement