- Arrêt of February 25, 2013

25/02/2013 - 2011AR2083

Case law

Summary

Samenvatting 1

Arrêt - Integral text

2011/AR/2083

C. G., gerechtsdeurwaarder,

appellant,

tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 15.04.2011;

vertegenwoordigd door mr. D.M. D., advocaat

tegen

S. M., advocaat,

geïntimeerde

vertegenwoordigd door mr. L. R. loco mr. V. J., advocaat

1. De feiten

Appellant is gerechtsdeurwaarder met kantoor te ... Geïntimeerde is advocaat met kantoor te ... In het kader van zijn professionele activiteiten gaf geïntimeerde aan appellant in de periode van mei 2005 tot en met augustus 2009 namens zijn cliënten diverse opdrachten tot betekening. Appellant heeft deze opdrachten uitgevoerd. Op de betalingsverzoeken die appellant aan geïntimeerde richtte volgde geen reactie.

Met de brieven van 10 augustus 2009, 1 oktober 2009 en 12 november 2009 heeft appellant geïntimeerde in gebreke gesteld.

2. Voorafgaande rechtspleging

Appellant heeft op 22 april 2010 de dagvaarding uitgebracht waarbij hij betaling vorderde van een bedrag van 8.405, 51 EUR, te vermeerderen met de moratoire interesten vanaf 10 augustus 2009 en de gerechtelijke interesten.

Geïntimeerde vroeg de afwijzing van de vordering.

Met het bestreden vonnis werd de vordering afgewezen.

3. Eisen in hoger beroep

Appellant vraagt de hervorming van het bestreden vonnis en de toewijzing van de vordering.

Geïntimeerde vraagt de afwijzing van het hoger beroep.

4. Beoordeling

4.1. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het vonnis werd betekend op 8 juni 2011. Het hoger beroep dat werd aangetekend met het verzoekschrift dat ter griffie van dit hof werd neergelegd op 8 juli 2011 is tijdig en regelmatig naar de vorm.

Het hoger beroep is ontvankelijk.

4.2. De grond van het hoger beroep

4.2.1. Inventaris van stukken

Geïntimeerde voert aan dat de stukken waarvan appellant gebruik maakt niet behoorlijk werden geïnventariseerd.

Aan de syntheseconclusie van appellant is een gedetailleerde inventaris gehecht waarin alle gebruikte stukken zijn vermeld.

Appellant heeft op dit punt aan alle wettelijke verplichtingen voldaan.

4.2.2. De verjaring

Geïntimeerde, daarin gevolgd door de eerste rechter, stelt dat de vordering van appellant verjaard is en dit met toepassing van artikel 2272, eerste lid B.W. dat stelt dat de rechtsvordering van gerechtsdeurwaarders tot betaling van hun loon voor akten die zij betekenen en voor de opdrachten die zij uitvoeren, verjaart door verloop van een jaar.

Appellant tekent op dit punt hoger beroep aan.

Artikel 2272, eerste lid B.W. betreft enkel de rechtsvordering van de gerechtsdeurwaarder tegen zijn cliënt die zijn contractspartij is. De advocaat die namens zijn cliënt een gerechtsdeurwaarder opdracht geeft om een akte te betekenen, handelt hierbij als tussenpersoon. De advocaat heeft er zich jegens zijn cliënt toe verbonden om namens die laatste een gerechtsdeurwaarder te instrueren, waardoor een rechtstreekse contractuele band ontstaat tussen de cliënt enerzijds en de gerechtsdeurwaarder anderzijds. Voor zaken die behoren tot de monopoliebevoegdheid van de gerechtsdeurwaarder - zoals in casu - ontstaat geen lastgevingsverhouding tussen de gerechtsdeurwaarder en de advocaat.

Het ontbreken van een contractuele relatie tussen de advocaat en de gerechtsdeurwaarder laat de gerechtsdeurwaarder toe de advocaat aan te spreken op buitencontractuele basis. Appellant steunt zijn vordering o.m. op een aquiliaanse fout in hoofde van geïntimeerde.

De rechtsvordering tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid verjaart door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daar-voor aansprakelijke persoon (art. 2262bis §1 B.W.).

De dagvaarding dateert van 22 april 2010. De opdrachten waarvoor betaling wordt gevorderd dateren van tijdens de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de dagvaarding.

Het besluit is dat de vordering van appellant die steunt op de buiten-contractuele aansprakelijkheid van geïntimeerde niet verjaard is.

4.2.3. De aansprakelijkheid van de advocaat

Appellant stelt dat geïntimeerde een fout beging in de zin van artikel 1382 B.W.

Appellant stelt dat hij er steeds van is uitgegaan dat geïntimeerde de kosten verbonden aan zijn tussenkomst als gerechtsdeurwaarder zou betalen. Geïntimeerde heeft hem nooit laten weten dat hij niet voor de betaling van de kosten zou instaan en heeft hem nooit gevraagd om zich voor de betaling rechtstreeks tot de cliënt te richten. Hieruit kon appellant naar eigen zeggen rechtmatig afleiden dat geïntimeerde, als advocaat die de opdrachten verstrekte, voor de betaling zou instaan.

Het is gebruikelijk dat de advocaat zich door zijn cliënt laat provisioneren voor zijn ereloon en voor de kosten die met zijn optreden verband houden, waaronder de kosten verbonden aan de tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder die via de advocaat een opdracht ontvangt om zijn tussenkomst te verlenen en wiens contact met de cliënt nagenoeg steeds enkel via de advocaat verloopt, kan er rechtmatig op vertrouwen dat de advocaat van de cliënt de fondsen heeft ontvangen voor de betaling van zijn kosten. Dit impliceert dat de gerechtsdeurwaarder ervan uit kan gaan dat hij zelf geen initiatief dient te nemen om binnen de korte verjaringstermijn zelf betaling te bekomen van de cliënt die zijn contractspartij is.

De advocaat die zich door zijn cliënt niet laat provisioneren voor de betaling van de gerechtsdeurwaarderskosten, dient dit aan de gerechts-deurwaarder te melden zodat die laatste zich voor de betaling rechtstreeks tot de cliënt kan richten.

De advocaat die niet voor de gerechtsdeurwaarderskosten werd geprovisioneerd maar dit niet aan de gerechtsdeurwaarder laat weten, creëert tegenover deze laatste een valse schijn van kredietwaardigheid. Door niets te melden laat de advocaat de gerechtsdeurwaarder in de waan dat hijzelf maatregelen heeft genomen om via een provisie de betaling van de gerechtsdeurwaarderskosten te verzekeren, zodat de gerechtsdeurwaarder zelf op dit punt niets dient te ondernemen en betaling van zijn kosten via de advocaat kan afwachten. Een dergelijk handelen vormt aan de zijde van de advocaat minstens een inbreuk op de zorgvuldigheidsnorm, temeer nu de advocaat uiteraard precies kan inschatten wat de juridische gevolgen zijn indien de gerechtsdeurwaarder zich niet binnen de verjaringstermijn van een jaar richt tot de cliënt op wiens verzoek werd betekend.

Uit de gegevens die worden voorgelegd, blijkt dat geïntimeerde aan appellant nooit heeft laten weten dat hij niet zou instaan voor de kosten verbonden aan de opdrachten die hij de gerechtsdeurwaarder verstrekte. Noch op het ogenblik dat de opdracht werd gegeven, noch nadien en op het ogenblik dat geïntimeerde door appellant in kennis werd gesteld van de uitvoering van de opdracht en het met de opdracht verband houdende betalingsverzoek voor de gerechtsdeurwaarderskosten ontving, heeft geintimeerde appellant laten weten dat hij in het betreffende dossier niet voor de betaling zou instaan en dat appellant zich hiervoor rechtstreeks tot de cliënt diende te richten. Op de gegroepeerde kostenstaten die de gerechtsdeurwaarder de advocaat nadien periodiek richtte, werd van de zijde van geïntimeerde evenmin gereageerd.

Een dergelijke handelwijze strookt niet met de handelwijze van een normaal zorgvuldig advocaat en staat in oorzakelijk verband tot de schade die appellant heeft geleden doordat hem de mogelijkheid werd ontnomen om zelf betaling van de cliënten te bekomen.

De bewering aan de zijde van geïntimeerde dat appellant hem de betalingsverzoeken voor de gerechtsdeurwaarderskosten slechts na verloop van een lange tijd liet toekomen, is in strijd met de gegevens van het dossier. (stuk 2 a t.e.m. z en aa t.e.m. jj. dossier appellant). Hieruit blijkt dat appellant geïntimeerde steeds onmiddellijk na de uitvoering van de opdracht een betalingsverzoek voor de kosten richtte.

De vordering van appellant tot betaling van een bedrag van 8.377,06 EUR wordt toegewezen. Op dit bedrag worden vergoedende interesten toegekend vanaf 10 augustus 2009 zoals door appellant gevorderd.

Het hoger beroep is gegrond.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis.

Verklaart de hoofdvordering ontvankelijk en gegrond.

Veroordeelt geïntimeerde tot betaling aan appellant van een bedrag van ACHTDUIZEND DRIEHONDERDZEVENENZEVENTIG euro ZES cent (8.377,06 EUR), te vermeerderen met de vergoedende interesten vanaf 10 augustus 2009 en met de gerechtelijke interesten.

Veroordeelt geïntimeerde tot de gerechtskosten van beide aanleggen, aan de zijde van appellant vereffend op:

- dagvaarding en rolzetting: 223,54 EUR

- rolrecht hoger beroep: 186,00 EUR

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 990,00 EUR

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 990,00 EUR

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van VIJFENTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZEND DERTIEN door

G. Bresseleers: raadsheer dd. voorzitter

S. Reich: raadsheer

V. Peeters: raadsheer

L. Possemiers: griffier

Free keywords

  • Gerechtsdeurwaarder -advocaat

  • tussenpersoon

  • lastgeving (neen)

  • artikel 1382 BW

  • buitencontractuele aansprakelijkheid

  • verjaring (neen)