- Arrêt of March 11, 2013

11/03/2013 - 2010AR2641

Case law

Summary

Samenvatting 1

In het raam van een procedure van vereffening en verdeling behoort het, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 1212-1213 Ger. W., tot de taak van de boedelnotaris een staat van vereffening-verdeling op te stellen die het ontwerp van verdeling bevat en die op volledige

en nauwkeurige wijze de rechten en plichten van iedere partij aangeeft.

In principe worden enkel de betwistingen uitgedrukt in of voortvloeiend uit de beweringen en zwarigheden opgenomen in het proces-verbaal van de boedelnotaris, door de neerlegging ter griffie van de uitgifte van dit proces-verbaal bij de rechtbank aanhangig gemaakt.

De appellanten hebben de zwarigheid in verband met de vermomde schenkingen voor de boedelnotaris geformuleerd.

Een vermomde schenking is een schenking die gedaan wordt onder het mom van een handeling te bezwarende titel, waarin geveinsd wordt dat een tegenprestatie dient geleverd te worden, maar afgesproken wordt dat zulks in werkelijkheid niet moet gebeuren.

Verklaringen van partijen, zelfs opgenomen in notariële verkoopaktes, genieten geen authentieke bewijskracht. Dat betekent niet dat niet-authentieke vermeldingen in een authentieke akte geen bewijskracht zouden hebben.

Zij hebben wel integendeel dezelfde bewijskracht als de vermeldingen in een onderhandse akte en bewijzen bijgevolg het bestaan van de rechtshandelingen (hier de betaling van de verkoopprijs) die zij vaststellen tot bewijs van het tegendeel, dit ook en zelfs tegenover derden. Als erfgenamen die optreden krachtens een eigen recht zijn de appellanten te aanzien als derden.

Aan de appellanten behoort het het tegenbewijs te leveren van hun bewering dat de verkoopprijs bij elk van de hierboven bedoelde verkoopovereenkomsten niet werd betaald. De appellanten beweren, maar bewijzen niets.

Artikel 918 B.W. moet restrictief geïnterpreteerd worden, dit wil zeggen beperkt tot de limitatief in die wetsbepaling opgesomde gevallen. Het recht van inwoon valt daar niet onder. Uit niets blijkt dat het recht van inwoon hier geassimileerd zou moeten worden met een vruchtgebruik.

De staat van vereffening-verdeling blijft gehomologeerd.


Arrêt - Integral text

2010/AR/2641

1. L. H., geboren te ... op ... en wonende te ...;

2. R. V. D. B., geboren te ... op ... en wonende te ...;

appellanten,

beiden zijn verschenen noch in persoon, noch vertegenwoordigd door een advocaat;

tegen het vonnis van de 10e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout van 2 april 2010, aldaar gekend onder nr. A.R. 07/87/A;

tegen:

1. M. H., geboren te ... op ... en wonende te ...;

2. E. H., geboren te ... op ... en wonende te ...;

3. P. M., geboren te ... op ... en wonende ...;

4. S. H., geboren te ... op ... en wonende te ...;

5. R. V. O., geboren te ... op ... en wonende te 2820 ...;

6. C. V. O., geboren te ... op ... en wonende te ...;

7. L. H., voormeld;

8. R. V. D. B., voormeld;

geïntimeerden,

de eerste t.e.m. de zesde geïntimeerde in eigen naam en in hun hoedanigheid van rechtsopvolgers van wijlen L. H., geboren te ... op ... en overleden te ... op ..., die het geding vrijwillig hebben hervat;

de zevende en de achtste geïntimeerde in hun hoedanigheid van rechtsopvolgers van wijlen L. H., voormeld, die het geding vrijwillig hebben hervat;

de eerste en de tweede geïntimeerde zijn verschenen in persoon en werden bijgestaan door mr. Anneleen Wynants loco mr. Noël Devos, advocaat te 2440 Geel, Diestseweg 155, die tevens verschenen is voor de derde t.e.m. de zesde geïntimeerde;

de zevende en de achtste geïntimeerde zijn noch verschenen in persoon, noch vertegenwoordigd door een advocaat.

* * * * *

1. Wat de feitelijke achtergrond en het procesverloop in het verleden

betreft, verwijst het hof naar zijn tussenarresten van 16 april en 13 augustus 2012.

2. In uitvoering van die tussenarresten hebben de appellanten op 30 juli 2012 het nodige gedaan tot kantmelding in de registers van de hypo-theekbewaarder van het kantoor Turnhout II van hun vorderingen tot inkorting van de drie beweerde vermomde schenkingen.

3. Bij hun op 15 oktober 2012 ter griffie neergelegde "geactualiseerde syntheseconclusie" vorderden de appellanten:

- hun hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis teniet te doen;

- opnieuw te oordelen;

- te zeggen voor recht dat de drie betrokken verkoopovereenkomsten vermomde schenkingen zijn die onderhevig zijn aan inkorting;

- wijlen L. H. en de tweede appellante buiten de zaak te stellen;

- en de geïntimeerden te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

4. In hun op 21 november 2012 ter griffie neergelegde "synthesebesluiten na tweede heropening van de debatten" vorderen de eerste tot en met de zesde geïntimeerde:

- het bestreden vonnis van 2 april 2010 integraal te bevestigen;

- minstens de vorderingen van de appellanten af te wijzen als niet ontvankelijk;

- en de appellanten te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen.

5. Beoordeling

Voorafgaande opmerking

Op de vordering van de appellanten om de tweede appellante en wijlen L. H. buiten zake te stellen, wordt niet ingegaan. De burgerlijke rechtspleging kent geen buiten zake stelling. De tweede appellante was, is en blijft procespartij. Voor wijlen L. H., overleden op ... werd het geding vrijwillig hervat.

* * * * *

5.1. Bij tussenarrest van 16 april 2012 werd het hoger beroep van

de appellanten reeds ontvankelijk verklaard. Voor zover de appellanten thans nog vorderen hun hoger beroep ontvankelijk te verklaren, heeft die vordering bijgevolg geen voorwerp meer. Enkel de gegrondheid van het hoger beroep van de appellanten is nog aan de orde.

5.2. Aangaande de ontvankelijkheid van de resterende vorderingen van de appellanten

5.2.1. In dat verband moet in eerste orde de kwestie van de ontvankelijkheid van de (resterende) vorderingen van de appellanten worden onderzocht. De appellanten vorderen thans nog uitsluitend de inkorting van de verkoopovereenkomsten van 30 september 1982, 22 oktober 1993 en 16 februari 1996 op grond van de artikelen 920 e.v. B.W.

5.2.2. Die vorderingen van de appellanten werden op 30 juli 2012 gekantmeld in de registers van de bevoegde hypotheekbewaarder. De ontvankelijkheid van de vorderingen van de appellanten komt op dat punt niet meer in het gedrang.

5.2.3. De eerste t.e.m. de zesde geïntimeerde betwisten niettemin de ontvankelijkheid van de resterende vorderingen van de appellanten omdat die vorderingen tijdens de procedure van vereffening-verdeling voor de boedelnotaris nooit zouden zijn gesteld. Meer bepaald laten de geïntimeerden in dat verband gelden:

"...

Appellanten hebben nooit toepassing gevraagd van art. 920 Ger.W. De notarissen gaan in hun advies ook niet in op enige vordering tot inkorting. De eerste rechter gaat evenmin uit van een vordering tot inkorting en dit wordt in het verzoekschrift tot hoger beroep ook niet als grief aangehaald door appellanten".

5.2.4 In het raam van een procedure van vereffening en verdeling behoort het, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 1212-1213 Ger. W., tot de taak van de boedelnotaris een staat van vereffening-verdeling op te stellen die het ontwerp van verdeling bevat en die op volledige en nauwkeurige wijze de rechten en plichten van iedere partij aangeeft. Artikel 1219, §2 Ger. W. voegt daaraan toe:

"In geval de partijen het niet eens zijn, maakt de notaris een proces-verbaal van de beweringen en zwarigheden op in minuut. Binnen een maand legt hij ter griffie een uitgifte van dit proces-verbaal en van de staat van vereffening neer.

Door die neerlegging wordt de zaak aanhangig bij de rechtbank, die binnen een maand ambtshalve de dag en het uur van de zitting bepaalt. De griffier roept de partijen op bij gerechtsbrief".

5.2.5. Bij toepassing van deze wetsbepaling moeten de partijen die het niet eens zijn met de door de boedelnotaris opgestelde staat van vereffening-verdeling, hun opmerkingen mededelen aan de boedelnotaris die daarvan een proces-verbaal van beweringen en zwarigheden opstelt in minuut en die vervolgens zijn eigen gemotiveerd standpunt (in feite en in rechte) omtrent de gerezen geschilpunten aan dat proces-verbaal toevoegt. In principe worden enkel de betwistingen uitgedrukt in of voort vloeiend uit de beweringen en zwarigheden opgenomen in het proces-verbaal van de boedelnotaris, door de neerlegging ter griffie van de uitgifte van dit proces-verbaal bij de rechtbank aanhangig gemaakt (vgl. Cass. 9 mei 1997, Arr. Cass. 1997, 223).

5.2.6. Het hof kan niets anders dan vaststellen dat de appellanten voor de boedelnotaris wel degelijk hebben laten gelden dat de aangevochten verkoopovereenkomsten vermomde schenkingen zijn. Dat daarbij door de appellanten niet uitdrukkelijk werd verwezen naar de bepalingen van de artikelen 920 e.v. B.W. en de notaris in zijn "antwoord op zwarigheden" hoofdzakelijk is ingegaan op de toepassing ter zake van de bepaling van artikel 918 B.W., kan daaraan niets veranderen.

5.2.7. De appellanten hebben de zwarigheid in verband met de vermomde schenkingen voor de boedelnotaris geformuleerd. Hun resterende vorderingen zijn ontvankelijk.

5.3. Aangaande de gegrondheid van de resterende vorderingen van de appellanten

5.3.1. De appellanten laten gelden dat de verkoopovereenkomsten van 30 september 1982, 22 oktober 1993 en 16 februari 1996 vermomde schenkingen zijn. De geïntimeerden betwisten dat.

5.3.2. Een vermomde schenking is een schenking die gedaan wordt onder het mom van een handeling te bezwarenden titel, waarin geveinsd wordt dat een tegenprestatie dient geleverd te worden, maar afgesproken wordt dat zulks in werkelijkheid niet moet gebeuren. Meer bepaald argumenteren de appellanten dat de verkoopprijs, bedongen in de onderscheiden hierboven bedoelde verkoopaktes, door de kopers nooit effectief werd betaald.

5.3.3. Het hof stelt vast dat de onderscheiden notariële verkoopaktes telkens vermelden dat de daarbij betrokken partijen verklaren dat de verkoopprijs effectief werd betaald.

In de notariële verkoopakte van 30 september 1982 luidt het:

"Prijs: Huidige verkoop is overeengekomen mits de som van vijfhonderd duizend frank (500.000 F).

Verkopers erkennen deze som van kopers te hebben ontvangen en verlenen hiervan kwijting en ontlasting".

De notariële verkoopakte van 22 oktober 1993 vermeldt:

"Prijs.

Partijen verklaren en erkennen dat deze verkoop is gedaan en aange-nomen mits de som van VIJF EN DERTIG DUIZEND FRANK (35.000,- FRANK). Welke som de verkopers van kopers erkennen en verklaren te hebben ontvangen, waarvan kwijting en ontlasting wordt verleend".

In de notariële verkoopakte van 16 februari 1996 staat tenslotte te lezen:

"Prijs.

Huidige verkoop is overeengekomen mits de totale som van twee miljoen vijfhonderdduizend frank (Fr 2.500.000), hetzij :

...

De last van inwoon mag worden geraamd op zevenhonderd tachtigduizend frank (Fr 780.000).

Op deze som erkennen verkopers van koper onmiddellijk een som van één miljoen frank (Fr 1.000.000) ontvangen te hebben; waarvan zij kwijting en ontlasting verlenen.

Het saldo van de koopprijs, hetzij zevenhonderdtwintigduizend frank

(Fr 720.000) hebben de partijen onmiddellijk omgezet in een maandelijkse lijfrente van tienduizend frank (Fr 10.000) welke de koper vestigt op het hoofd van de verkopers.

...".

5.3.4. Verklaringen van partijen, zelfs opgenomen in notariële verkoopaktes, genieten geen authentieke bewijskracht. Het gaat hier immers om vermeldingen van gegevens waarvan de waarachtigheid door de openbaar ambtenaar niet zelf kan en moet worden vastgesteld. Authentiek is wel de vermelding dat de partijen de betrokken verklaring hebben afgelegd, maar niet de inhoud van de verklaring (vgl. Cass. 28 juni 1957, Pas. 1957, I, 1292).

5.3.5. Maar, dat betekent niet dat niet-authentieke vermeldingen in een authentieke akte geen bewijskracht zouden hebben. Zij hebben wel integendeel dezelfde bewijskracht als de vermeldingen in een onderhandse akte en bewijzen bijgevolg het bestaan van de rechtshandelingen (hier de betaling van de verkoopprijs) die zij vaststellen tot bewijs van het

tegendeel, dit ook en zelfs tegenover derden (vgl. Cass. 23 februari 1928, Pas. 1928, I, 84). Als erfgenamen die optreden krachtens een eigen recht zijn de appellanten te aanzien als derden (vgl. Cass. 21 juni 1974, Arr. Cass. 1974, 169).

5.3.6. Aan de appellanten behoort het bijgevolg het tegenbewijs te leveren van hun bewering dat de verkoopprijs bij elk van de hierboven bedoelde verkoopovereenkomsten niet werd betaald. Dat tegenbewijs mag door de appellanten als derden worden geleverd door alle middelen van recht, getuigen en feitelijke vermoedens inbegrepen (vgl. Cass. 21 juni 1974, Arr. Cass. 1974, 169).

5.3.7. Het hof kan niets anders dan vaststellen dat de appellanten te-kortkomen aan de aldus op hen rustende bewijslast. De appellanten beweren, maar bewijzen niets. Dat door de eerste geïntimeerde geen bewijs van de diverse betalingen wordt voorgelegd en dat bijgevolg de stelling van de appellanten niet wordt weerlegd, doet niets ter zake. Alleen de appellanten dragen de bewijslast, niet de eerste geïntimeerde. Bij gebrek aan tegenbewijs daarvan, kon en moest de boedelnotaris zich hou den aan de vermeldingen in de notariële verkoopaktes aangaande de betaling van de verkoopprijs.

5.3.8. Wat inzonderheid de verkoopovereenkomst van 16 februari 1996 betreft, volharden de appellanten in hun zienswijze dat artikel 918 B.W. ook van toepassing is op het deel van de overeenkomst waar een recht van inwoon wordt voorbehouden. Met de boedelnotaris, daarin gevolgd door de eerste rechter, is ook het hof een ander oordeel toegedaan.

Artikel 918 B.W. moet restrictief geïnterpreteerd worden, dit wil zeggen beperkt tot de limitatief in die wetsbepaling opgesomde gevallen. Het recht van inwoon valt daar niet onder. Uit niets blijkt dat het recht van inwoon hier geassimileerd zou moeten worden met een vruchtgebruik. Dat wijlen L. H. vanaf 2005 een derde op hetzelfde adres heeft laten wonen en dat door de eerste geïntimeerde geen document wordt neergelegd waaruit blijkt dat de onroerende voorheffing op haar naam werd gevestigd, kunnen daaraan niets veranderen.

5.3.9. Slotsom van dit alles is dat de staat van vereffening-verdeling gehomologeerd blijft. Het hoger beroep van de appellanten is ongegrond.

5.4. Aangaande de kosten van het hoger beroep

5.4.1. Als de in het ongelijk gestelde partijen worden de appellanten

veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep (artikel 1017, eerste lid Ger. W.).

5.4.2. De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep wordt vereffend op het geïndexeerde basistarief van 1.320,00 EUR (niet in geld waardeerbare vordering). Er bestaat geen aanleiding tot toekenning van het maximumbedrag. Er wordt immers niet aangetoond dat ter zake zou zijn voldaan aan één van de criteria van artikel 1022, derde lid Ger. W.

6. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak, na herneming van de zaak gelet op de gewijzigde samenstelling van deze kamer en bij toepassing van artikel 747, §2 Ger. W. ten laste van de appellanten.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- werkt de tussenarresten van 16 april en 13 augustus 2012 verder uit als volgt:

- bevestigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt de appellanten tot de kosten van het hoger beroep en vereffent deze aan de zijde van de eerste t.e.m. de zesde geïntimeerde gevallen kosten als volgt:

o de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep: 1.320,00 EUR

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van ELF MAART TWEEDUIZEND DERTIEN door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

R. LYEN raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS R. LYEN

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

Free keywords

  • Procedure van vereffening en verdeling

  • art.1212-1213 Ger.W. Proces-verbaal van de beweringen en zwarigheden

  • art. 1219 §2 Ger. W Vermomde schenking (neen)

  • art. 920 BW

  • art. 918 BW Notariële verkoopakte

  • Bewijskracht

  • Bewijs van tegendeel (neen)