- Arrêt of March 20, 2013

20/03/2013 - 2011AR2507

Case law

Summary

Samenvatting 1

In het geval van een belangenconflict worden de niet-onredelijke advocaatkosten slechts eisbaar ten laste van de aansprakelijkheidsverzekeraar van zodra blijkt dat dat belangenconflict niet aan de verzekerde te wijten is. Het voorval dat de rechtsvordering m.b.t. die advocaatkosten doet ontstaan is dan ook de vaststelling dat het belangenconflict niet aan de verzekerde verwijtbaar was.

De verjaring van de vordering tot betaling van de advocaatkosten tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar neemt een aanvang vanaf de dag van de gerechtelijke uitspraak waarbij de gehoudenheid van de verzekeraar om dekking te verlenen werd vastgesteld.


Arrêt - Integral text

2011/AR/2507

T. E., wonende te

appellant,

vertegenwoordigd door Mr. VANAEKEN V. loco Mr. AERDEN Greet, advocaat te 2460 KASTERLEE, Markt 7

tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 01 juni 2011

tegen

GENERALI BELGIUM NV, met maatschappelijke zetel te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 149, KBO-nummer 0403.262.553,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. WILLEMS Luc, advocaat te 3500 HASSELT, Sasputvoogdij 84

***

1. De feiten

1.1. T. E. was op 27 december 2002 betrokken bij een verkeersongeval.

Een voertuig, eigendom van KBC Autolease en bestuurd door C. C., werd aangereden door het voertuig bestuurd door T. E..

Dit verkeersongeval gaf aanleiding tot gerechtelijke procedures voor de politierechtbank en voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt waarbij de schadelijder (KBC Autolease) aansprakelijkheidsvorderingen instelde tegen T. E. en tegen de NV Generali Belgium en de nv Mercator Verzekeringen, in hun beweerde hoedanigheid van WAM-verzekeraar van het voertuig, bestuurd door T. E..

In dit proces heeft de NV Generali Belgium betwist dat T. E. haar verzekerde was.

Gezien het belangenconflict tussen T. E. en de NV Generali Belgium heeft eerstgenoemde ingestaan voor zijn eigen verdediging, waartoe hij een advocaat heeft aangesteld.

T. E. stelde een eis in vrijwaring in tegen de NV Generali Belgium.

De rechtbank van eerste aanleg te Hasselt heeft in een eindvonnis van 2 december 2009 geoordeeld dat de NV Generali Belgium wel degelijk de WAM-verzekeraar van T. E. was en derhalve aan de derde benadeelde schadevergoeding moest uitkeren.

De NV Generali Belgium werd bovendien veroordeeld tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan T. E.

1.2. T. E. is van mening dat NV Generali Belgium ten onrechte de verzekeringsprestatie weigerde en dat hij dientengevolge zelf moest instaan voor zijn verdediging in rechte.

Volgens T. E. is hij gerechtigd op de vergoeding van de kosten die door de onrechtmatige houding van de NV Generali Belgium werden veroorzaakt, te weten de kosten van zijn rechtsbijstand ten belope van euro 3 575,14.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. In de dagvaarding van 8 april 2010 om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt heeft T. E. de veroordeling gevorderd van de NV Generali Belgium tot de betaling aan hem van de som van euro 3 575,14, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf de dag van de dagvaarding tot op de dag van de betaling, alsook met de proceskosten.

2.2. De NV Generali Belgium heeft de eis van T. E. betwist.

Zij heeft de exceptie van het gezag van het rechterlijk gewijsde ingeroepen met betrekking tot de veroordeling die T. E. reeds bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 02 december 2009 te haren laste verkreeg tot vergoeding van zijn rechtsbijstand bij wijze van een rechtsplegingsvergoeding.

De NV Generali Belgium heeft verder de exceptie van de verjaring laten gelden.

2.3. De rechtbank van eerste aanleg te Hasselt heeft de eis van T. E. bij vonnis van 18 mei 2010 ontvankelijk en gegrond verklaard. Dit vonnis werd bij verstek gewezen ten aanzien van de NV Generali Belgium.

2.4. De NV Generali Belgium heeft bij akte van 3 juni 2010 verzet aangetekend.

2.5. Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 1 juni 2011 heeft het verzet van de NV Generali Belgium ontvankelijk en gegrond verklaard. Het verstekvonnis van 18 mei 2010 werd tenietgedaan en de oorspronkelijke eis van T. E. werd onontvankelijk verklaard wegens verjaring.

T. E. werd veroordeeld tot de kosten van het geding.

De eerste rechter wees de exceptie van het rechterlijk gewijsde af. Volgens de eerste rechter was het voorwerp van het geschil tussen T. E. en de NV Generali Belgium waarover recht werd gedaan door het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 02 december 2009 verschillend van de eis die T. E. in onderhavig geschil indiende tegen de NV Generali Belgium.

De eerste rechter oordeelde evenwel dat de eis van Thorbjorn Eykens met toepassing van art. 34 van de Wet op de landverzekeringsovereenkomst verjaard was. De eerste rechter nam als vertrekpunt van de driejarige verjaringstermijn het tijdstip aan waarop de NV Generali Belgium op 23 maart 2005 aan T. E. duidelijk had gemaakt dat zij de verzekeringswaarborg niet wenste te verstrekken. De eerste rechter besloot dat de dagvaarding op 8 april 2010 na het verstrijken van de verjaringstermijn werd ingesteld.

2.6. T. E. stelde een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 25 augustus 2011.

De zaak werd behandeld ter terechtzitting van 12 februari 2013.

3. De eisen in hoger beroep

3.1. T. E. vordert dat het verzet van de NV Generali Belgium tegen het verstekvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 18 mei 2010, bij hervorming van het bestreden vonnis ongegrond zou worden verklaard. Hij vordert derhalve de veroordeling te bevestigen van de NV Generali Belgium tot de betaling aan hem van de som van euro 3 575,14, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding van 8 april 2010 tot op de dag van de betaling.

3.2. De NV Generali Belgium besluit tot de afwijzing van het hoger beroep van T. E. als ongegrond.

Zij heeft incidenteel beroep ingesteld.

Zij vraagt de oorspronkelijke eis van T. E. op grond van de exceptie van het rechterlijk gewijsde onontvankelijk te verklaren.

Zij verzoekt de oorspronkelijke eis van T. E. alleszins wegens verjaring onontvankelijk te verklaren.

Ondergeschikt vraagt ze de eis van T. E. ongegrond te verklaren en alleszins te herleiden door aftrek van een som van euro 900,00, zijnde de rechtsplegingsvergoeding die hem bij voormeld vonnis van 02/12/2009 werd toegekend.

De NV Generali Belgium verzoekt T. E. te veroordelen tot alle proceskosten.

3.3. T. E. besluit tot de afwijzing van het incidenteel beroep van de NV Generali Belgium.

4. Beoordeling

De exceptie van het rechterlijke gewijsde - incidenteel beroep van de nv Generali Belgium.

4.1. De nv Generali Belgium houdt voor dat de indiening van de vordering van T. E. in de weg wordt gestaan door het gezag van het rechterlijk gewijsde verbonden aan het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 02/12/2009. Volgens Generali Belgium gaat het over dezelfde vorderingen.

T. E. heeft het standpunt van de nv Generali Belgium betwist en werd bijgetreden door de eerste rechter die besliste: "Het principe van exceptie van rechterlijk gewijsde (art. 23 Ger.W.) is ter zake evenwel niet van toepassing."

De nv Generali Belgium is hierdoor gegriefd. Zij vordert op incidenteel beroep de wijziging van het bestreden vonnis en de toewijzing van haar oorspronkelijke exceptie van het rechterlijk gewijsde.

4.2. Krachtens art. 25 van het Gerechtelijk Wetboek verhindert het rechterlijk gewijsde dat de vordering opnieuw wordt ingesteld.

Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich volgens art. 23 van het Gerechtelijk Wetboek niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is, dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid is gedaan.

Te dezen werd T. E. bij exploot van 14/01/2005 in gedwongen tussenkomst gedagvaard door de nv KBC Autolease in een geding aanhangig voor de politierechtbank te Hasselt tussen laatstgenoemde en de nv Generali Belgium, die was aangesproken als WAM-verzekeraar van het voertuig waarmee T. E. op 27/12/2002 betrokken was in een verkeersongeval. De nv Generali Belgium betwistte de verzekeraar te zijn. In dat geding stelde T. E. door middel van zijn conclusie van 14/12/2005 een tusseneis in vrijwaring in tegen de nv Generali Belgium. Hij steunde zijn vrijwaringseis op de verzekeringsovereenkomst die de nv Generali Belgium als WAM-verzekeraar had gesloten m.b.t. het voertuig waarvan hij op het ogenblik van het schadegeval de bestuurder was. De tusseneis van T. E. werd aanvankelijk ongegrond verklaard.

In hoger beroep verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt de eis van T. E., "... die ertoe strekt om op basis van de BA-verzekering vrijwaring te bekomen van Generali Belgium nv voor elke veroordeling die hij lastens KBC Autolease ten deze zou kunnen oplopen, ..." bij vonnis van 02/12/2009 gegrond. De nv Generali Belgium werd vervolgens veroordeeld: "... tot vrijwaring van T.E. voor iedere som die hij ingevolge deze veroordeling aan de nv KBC Autolease moet betalen, hierin begrepen de kosten en de interesten." De nv Generali Belgium werd daarbij veroordeeld tot de proceskosten, verbonden met de tusseneis tot vrijwaring van T. E., te weten een rechtsplegingsvergoeding van euro 900,00.

De aldus door het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 02/12/2009 beoordeelde en toegekende eis van T. E. tegen de nv Generali Belgium had de vrijwaringsplicht van de nv Generali Belgium als WAM-verzekeraar tegen de aanspraken van de derde-benadeelde tot voorwerp. De daaraan gekoppelde veroordeling tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding, zijnde de forfaitaire vergoeding in de kosten en erelonen van zijn advocaat (art. 1022, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek), betrof enkel de procesverhouding die was ontstaan tussen T. E. en de nv Generali Belgium ingevolge de tusseneis in vrijwaring.

In de onderhavige zaak heeft de eis van T. E. de kosten van rechtsbijstand tot voorwerp die hij maakte n.a.v. zijn verweer tegen de aanspraken van de derde-benadeelde. Het betreft de invordering van de kosten van verweer bedoeld in art. 82, 3de lid Wet op de landverzekeringsovereenkomst.

Het hof besluit dat de exceptie van het rechterlijk gewijsde terecht in het bestreden vonnis werd afgewezen.

Het incidenteel beroep van de nv Generali Belgium is ongegrond.

De exceptie van de verjaring.

4.3. In het bestreden vonnis werd de vordering van T. E. verjaard verklaard. Aldus oordeelde de eerste rechter over de verjaringsexceptie van de nv Generali Belgium, die steunde op art. 34 Wet op de landverzekeringsovereenkomst. De aanvang van de driejarige termijn werd vastgesteld op 23/03/2005, omdat T. E. minstens op die dag wist of moest weten dat de nv Generali Belgium weigerde voor hem tussen te komen.

Volgens T. E. is er van verjaring geen sprake.

Hij houdt voor dat de verjaringstermijn pas een aanvang nam op de dag waarop krachtens de rechterlijke uitspraak van 02/12/2009 vaststond dat de nv Generali Belgium gehouden was de verzekeringswaarborg te verstrekken.

4.4. De verjaringstermijn voor elke rechtsvordering die voortkomt uit een verzekeringsovereenkomst bedraagt 3 jaar (art. 34, §1, 1ste lid Wet op de landverzekeringsovereenkomst). Die termijn begint te lopen vanaf de dag van het voorval dat het vorderingsrecht doet ontstaan (art. 34, §1, 2de lid Wet op de landverzekeringsovereenkomst) of m.a.w. het ogenblik waarop de verbintenis moet worden uitgevoerd of eisbaar wordt.

T. E. steunt zijn rechtsvordering op art. 82, 3de lid Wet op de landverzekeringsovereenkomst dat de verbintenis van de aansprakelijkheidsverzekeraar omvat om boven de dekkingsgrenzen de kosten van de burgerlijke rechtsvordering, alsook de honoraria en de kosten van de advocaten en deskundigen ten laste te nemen. De rechtsvordering die T. E. te dezen heeft ingesteld komt dan ook voort uit een verzekeringsovereenkomst, te weten uit art. 82, 3de lid Wet op de landverzekeringsovereenkomst en art. 20 van de algemene polisvoorwaarden van de WAM-verzekering van het voertuig waarmee hij het ongeval van 27 december 2002 en de daarbij aan derden berokkende schade veroorzaakte.

Krachtens art. 82, 3de lid Wet op de landverzekeringsovereenkomst en art. 20 van de algemene polisvoorwaarden van de WAM-verzekering in kwestie is de verzekeraar de voormelde advocaatkosten alleen maar verschuldigd in zover ze door hem zelf of met zijn toestemming zijn gemaakt, dan wel, in het geval van een belangenconflict dat niet aan de verzekerde te wijten is, voor zover die kosten niet onredelijk zijn gemaakt.

De advocaatkosten in kwestie werden niet gemaakt door de verzekeraar noch met zijn toestemming. In onderhavig zaak bestond er tussen T. E. en verzekeraar nv Generali Belgium immers een belangenconflict in die zin dat de verzekeraar betwistte dat er een geldige verzekering bestond. Zij weigerde haar tussenkomst.

In het geval van een belangenconflict worden de niet-onredelijke advocaatkosten slechts eisbaar ten laste van de aansprakelijkheidsverzekeraar van zodra blijkt dat dat belangenconflict niet aan de verzekerde te wijten is. Het voorval dat de rechtsvordering m.b.t. die advocaatkosten doet ontstaan is dan ook de vaststelling dat het belangenconflict niet aan de verzekerde verwijtbaar was.

De verjaring van de vordering tot betaling van de advocaatkosten tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar neemt een aanvang vanaf de dag van de gerechtelijke uitspraak waarbij de gehoudenheid van de verzekeraar om dekking te verlenen werd vastgesteld.

Te dezen blijkt uit het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg, zitting houdend in hoger beroep op 02/12/2009, dat de nv Generali Belgium ten onrechte haar gehoudenheid als WAM-verzekeraar van het voertuig, bestuurd door T. E., had geweigerd.

De verjaringstermijn van 3 jaar van de rechtsvordering, voortkomend uit de verzekeringsovereenkomst in kwestie en art. 82, 3de lid Wet op de landverzekeringsovereenkomst, vatte dan ook aan op 02/12/2009 en was niet verstreken toen T. E. op 08/04/2010 de dagvaarding in de onderhavige zaak uitbracht.

Het hoger beroep van T. E. is in zoverre gegrond.

Over de grond van de eis van T. E..

4.5. Volgens de nv Generali Belgium was het belangenconflict verwijtbaar aan T. E..

Het door de nv Generali Belgium ingeroepen belangenconflict kwam voort uit haar stellingname dat het voertuig S., dat T. E. bestuurde en waarmee hij op 27/12/2002 een verkeersongeval veroorzaakte, niet door haar in burgerlijke aansprakelijkheid verzekerd werd, niettegenstaande het internationaal verzekeringsbewijs ("groene kaart") voorlag dat door haar makelaar namens haar was uitgereikt voor dat voertuig.

De stellingname van de nv Generali Belgium werd door het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 02/12/2009 reeds afgewezen. Er werd geoordeeld dat T. E. afdoende bewees door de overlegging van het internationaal verzekeringsbewijs dat het door hem bestuurde voertuig verzekerd was door de nv Generali Belgium, en deze laatste niet slaagde in het tegenbewijs.

Aldus wordt door de nv Generali Belgium niet aangetoond dat het door haar opgeroepen belangenconflict te wijten was aan T. E.

4.6. De nv Generali Belgium heeft niet voorgehouden dat de in rekening gebrachte erelonen en onkosten van de advocaat die T. E. bijstond, onredelijk zouden zijn.

Wel heeft de nv Generali Belgium laten gelden dat een som van euro 900,00 in mindering moet worden gebracht, zijnde de rechtsplegingsvergoeding die haar ten laste werd gelegd door het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 02/12/2009.

Uit de staat van erelonen en onkosten van de raadsman van T. E. m.b.t. de rechtsbijstand in het geschil, waarin het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 02/12/2009 werd gewezen, blijkt niet dat enig onderscheid werd gemaakt tussen de verdediging ten aanzien van de nv Generali Belgium en de verdediging tegenover de overige partijen. Het blijkt aldus een globale staat van erelonen en onkosten te zijn die alle prestaties omvatte m.b.t. de verdediging van T. E. zowel tegen de nv KBC Autolease als tegen de nv Generali Belgium.

De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de erelonen en onkosten van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. In zoverre het de verdedigingskosten van T. E. betreft m.b.t. tot zijn eis tot vrijwaring tegen de nv Generali Belgium werd hem reeds een deel toegekend ten belope van de rechtsplegingsvergoeding van euro 900,00.

Voor dit forfaitair deel ( euro 900,00) van de staat van erelonen en onkosten van zijn advocaat beschikt T. E. dus reeds over een titel zodat hem thans nog slechts een titel voor het saldo kan worden verleend.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van T. E. toelaatbaar en deels gegrond.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van de nv Generali Belgium toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof hervormt het bestreden vonnis in zoverre het verzet van de nv Generali Belgium tegen het te haren laste gewezen verstekvonnis van 18/05/2010 geheel gegrond werd verklaard.

Het hof verklaart dit verzet slechts zeer gedeeltelijk gegrond.

Het hof spreekt opnieuw recht over de oorspronkelijke eis van T. E..

Het hof zegt voor recht dat de nv Generali Belgium gehouden is T. E. wegens erelonen en onkosten van zijn advocaat te vergoeden ten belope van de som van euro 3 575,14, vermeerderd met de verwijlinteresten en de gerechtelijke interesten.

Rekening houdend met de veroordeling van de nv Generali Belgium bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 02/12/2009 om aan T. E. een rechtsplegingsvergoeding te betalen van euro 900,00, veroordeelt het hof de nv Generali Belgium thans nog tot de betaling aan T. E. van de som van euro 2 675,14, vermeerderd met de verwijlinteresten naar rato van de wettelijke rentevoet op de som van euro 3 575,14 vanaf de ingebrekestelling van 27/01/2010 tot op de dag van onderhavige uitspraak en vanaf dan met de gerechtelijke interesten naar rato van de wettelijke rentevoet tot op de dag van de betaling.

Het hof veroordeelt de nv Generali Belgium tot de proceskosten in beide aanleggen. Deze kosten bedragen aan de zijde van T. E. de kosten van dagvaarding en rolstelling van euro 227,54, de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg van euro 650,00 en de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van euro 715,00.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 20 maart 2013 door

F. PEETERS Voorzitter

K. VAN HAELST Raadsheer

I. COUWENBERG Raadsheer

M. GIJSEMANS Griffier

Free keywords

  • Aansprakelijkheidsverzekeraar

  • art 82,3e WLVO

  • belangenconflict

  • niet verwijtbaar aan verzekerde

  • artikel 34 §1,2e lid WLVO

  • aanvang verjaring