- Arrêt of June 24, 2013

24/06/2013 - 2011AR2739

Case law

Summary

Samenvatting 1

Aan de geïntimeerde behoort het conform artikel 1315, eerste lid B.W een afdoende bewijsvoering te doen van het bestaan en van de omvang van de contractuele verbintenis tot betaling van de kosten- en ereloonstaten waarvan hij tegenover de appellante de uitvoering vordert.

De geïntimeerde kan aan die bewijslast voldoen volgens het vrije bewijsstelsel dat geldt in handelszaken (artikel 25, eerste lid W. Kh.).

Het hof stelt vast dat de appellante beweert, maar niet bewijst dat de ingevorderde kosten- en ereloonstaten tijdig werden geprotesteerd. Door de appellante worden geen stukken voorgelegd. Mede bij gebrek aan voorlegging van enig stavingsstuk, levert de appellante al evenmin het tegenbewijs van het feitelijk vermoeden van aanvaarding van de staten dat voortvloeit uit het gebrek aan tijdig protest daarvan.

De appellante, die de bewijslast draagt van de betaling van de betrokken kosten- en ereloonstaten of van het feit van het tenietgaan daarvan, faalt in die bewijslast


Arrêt - Integral text

Hof van beroep Antwerpen - eerste kamer

2011/AR/2739

BVBA VANOPPEN INVESTMENT GROUP, met vennootschapszetel gevestigd te 3723 Guigoven, Tongersesteenweg 187 A en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. 0406.094.260;

appellante,

verschenen noch in persoon, noch vertegenwoordigd door een advocaat;

hebbende als raadsman, mr. Katrien Vernimmen, advocaat te 9200 Dendermonde, Dr. Emiel Van Winckellaan 60-62;

tegen het vonnis van de 5e kamer van de rechtbank van koophandel te Tongeren van 14 juni 2011, aldaar gekend onder nr. A.R. 11/A/00306;

tegen:

P. L., advocaat, kantoor houdende te ...;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. Annick Van der Velpen loco mr. Davy Evens, advocaat te 3940 Hechtel, Sportlaan 29;

* * * * *

1. De feiten

De feitelijke gegevens die aan het geschil ten grondslag liggen, kunnen worden samengevat als volgt:

- de geïntimeerde is indertijd opgetreden als raadsman van de appellante;

- hij laat gelden dat, niettegenstaande daaromtrent geen betwisting werd gevoerd en ondanks ingebrekestelling op 21 oktober 2010, zijn hiernavolgende kosten- en ereloonstaten door de appellante niet worden betaald:

i. de staat van 6 juli 2010 ten bedrage van 83,00 EUR;

ii. de staat van 2 september 2010 ten bedrage van 867,52 EUR;

iii. de staat van 2 september 2010 ten bedrage van 1.785,63 EUR.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij het bestreden vonnis op 14 juni 2011 op verzet en op tegen-spraak verleend door de 5e kamer van de rechtbank van koophandel te Tongeren:

- wordt het verzet van de appellante ontvankelijk en gedeeltelijk ge-grond verklaard;

- wordt het bestreden verstekvonnis van 6 december 2010 (waarbij de appellante wordt veroordeeld tot betaling aan de geïntimeerde van het bedrag van 3.045,00 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intrest aan de intrestvoet berekend conform artikel 5 van de Wet van 2 augustus 2002 op 2.736,15 EUR en aan de wettelijke rentevoet op 273,61 EUR, en met de gedingkosten) bevestigd, behalve wat de toe-gekende rechtsplegingsvergoeding betreft (aan de geïntimeerde wordt geen rechtsplegingsvergoeding meer toegekend);

- wordt de appellante veroordeeld tot de gedingkosten;

- en wordt het vonnis uitvoerbaar verklaar bij voorraad, niettegen-staande alle verhaal en zonder borgstelling.

2.2. Bij haar op 15 september 2011 ter griffie neergelegd "verzoekschrift tot hoger beroep" tekent de appellante hoger beroep aan tegen het hier-boven bedoelde vonnis van 14 juni 2011.

2.3. De zaak werd vastgesteld bij toepassing van artikel 747, §2, derde lid Ger. W. en behandeld op de terechtzitting van 29 april 2013.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. Naar luid van haar op 15 september 2011 ter griffie neergelegd "verzoekschrift tot hoger beroep" vraagt de appellante:

- haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis teniet te doen;

- opnieuw te oordelen;

- de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren;

- haar tegenvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en de geïntimeerde dienvolgens te veroordelen tot betaling aan haar van het bedrag van 12.000,00 EUR, vermeerderd met de kosten van de beide aanleggen.

3.2. Bij zijn op 24 oktober 2011 ter griffie neergelegde "beroepsconclusie" vordert de geïntimeerde:

- het hoger beroep van de appellante ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren;

- dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen;

- de (nieuwe) tegenvordering van de appellante niet ontvankelijk te verklaren;

- en de appellante te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep.

4. Beoordeling

4.1. Toelaatbaarheid van het hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 14 juni 2011, waarvan de akte van betekening van 19 juli 2011 niet wordt voorgelegd, en stelt vast dat door de appellante tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op ontvankelijke wijze hoger beroep werd aangetekend.

4.2. Grond van de betwisting

4.2.1. De oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde strekt ertoe van de appellante betaling te bekomen van zijn hierboven bedoelde openstaande kosten- en ereloonstaten. De appellante betwist zowel het verschuldigd zijn, als de omvang van de door de geïntimeerde gefactureerde prestaties. Bovendien formuleert de appellante tegen de geïntimeerde een tegenvordering tot schadeloosstelling ten bedrage van 12.000,00 EUR in hoofdsom.

4.2.2. Aangaande de oorspronkelijke hoofdvordering van de geïntimeerde

4.2.2.1. Bij artikel 1315, eerste lid B.W. wordt voorgeschreven:

"Hij die de uitvoering van een verbintenis vordert, moet het bestaan daarvan bewijzen".

Aan de geïntimeerde behoort het bijgevolg een afdoende bewijsvoering te doen van het bestaan en van de omvang van de contractuele verbintenis tot betaling van de kosten- en ereloonstaten waarvan hij tegenover de appellante de uitvoering vordert.

4.2.2.2. De geïntimeerde kan aan die bewijslast voldoen volgens het vrije bewijsstelsel dat geldt in handelszaken (artikel 25, eerste lid W. Kh.). De verbintenis tot betaling, voorwerp van de ingevorderde ereloon- en kostenstaten, heeft in hoofde van de appellante immers een handelsrechtelijk karakter.

4.2.2.3. Tot bewijs van de verplichting tot betaling van de appellante beroept de geïntimeerde zich op de stilzwijgende aanvaarding van de ingevorderde staten door de appellante bij gebrek aan tijdig protest daarvan.

De appellante laat gelden dat hij de openstaande staten wel degelijk tij-dig heeft geprotesteerd.

4.2.2.4. Op een handelaar, zoals de appellante, rust de verplichting binnen een korte tijd te protesteren, wanneer tot hem/haar een bevestiging wordt gericht (bijvoorbeeld een factuur of ereloonnota) die een verbintenis voor hem/haar inhoudt die hij/zij onjuist beoordeelt. Die verplichting is het gevolg van de positieve betekenis, in de zin van stilzwijgende aanvaarding van de inhoud van de bevestiging, die ten aanzien van de handelaar wordt gehecht aan het stilzwijgen bij de ontvangst van documenten, briefwisseling en dergelijke. Het gebrek aan tijdig protest vormt een feitelijk vermoeden van aanvaarding van de factuur dat door de bestemmeling kan worden weerlegd door alle middelen van recht.

Het hof stelt vast dat de appellante beweert, maar niet bewijst dat de ingevorderde kosten- en ereloonstaten tijdig werden geprotesteerd. Door de appellante worden geen stukken voorgelegd.

Mede bij gebrek aan voorlegging van enig stavingsstuk, levert de appellante al evenmin het tegenbewijs van het feitelijk vermoeden van aanvaarding van de staten dat voortvloeit uit het gebrek aan tijdig protest daarvan.

4.2.2.5. Behoudens tegenbewijs wordt verder feitelijk vermoed dat de door een handelaar aanvaarde bevestiging een getrouwe weergave is van de werkelijkheid (vgl. Cass. 24 januari 2008, RABG 2008, 931).

De appellante blijft ook in gebreke het tegenbewijs aan te brengen van het feitelijk vermoeden van overeenstemming van de ingevorderde staten met de werkelijkheid.

4.2.2.6. In de gegeven omstandigheden wordt aangenomen dat de geïntimeerde het bewijs levert van het bestaan en van de omvang van de verbintenis van de appellante tot betaling van de ingevorderde kosten- en ereloonstaten.

4.2.2.7. Artikel 1315, tweede lid B.W. bepaalt:

"Omgekeerd moet hij die beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht".

De appellante, die de bewijslast draagt van de betaling van de betrokken kosten- en ereloonstaten of van het feit van het tenietgaan daarvan, faalt in die bewijslast. Zoals reeds gezegd, legt de appellante geen enkel

bewijsstuk voor. Haar vordering tot toepassing van artikel 877 Ger. W. wordt afgewezen, want heeft geen betrekking op voldoende nauwkeurig aangeduide stukken die het bewijs inhouden van een ter zake dienend feit.

4.2.2.8. Slotsom van wat voorafgaat is dat de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde gegrond blijft. Het bestreden vonnis wordt op dit punt bevestigd.

4.2.3. Aangaande de tegenvordering van de appellante

4.2.3.1. Bij tegenvordering maakt de appellante tegenover de geïntimeerde aanspraak op toekenning van een schadevergoeding ten bedrage van 12.000,00 EUR in hoofdsom. De geïntimeerde betwist in eerste orde de ontvankelijkheid van die tegenvordering, aangezien het zou gaan om een nieuwe vordering voor het eerst in hoger beroep geformuleerd.

4.2.3.2. Bij artikel 812, tweede lid Ger. W. wordt bepaald:

"Tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling kan niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep".

4.2.3.3. Met de geïntimeerde kan ook het hof niets anders dan vaststellen dat de hierboven bedoelde tegenvordering tot schadeloosstelling door de appellante voor de eerste rechter niet werd geformuleerd. Anders dan de appellante laat gelden werd die tegenvordering ook niet gesteld in de akte van verzet van 21 januari 2011.

4.2.2.4. In de gegeven omstandigheden is de tegenvordering van de

appellante wel degelijk te bestempelen als een nieuwe vordering tot veroordeling voor het eerst in hoger beroep gesteld. Conform artikel 812, tweede lid Ger. W. is die tegenvordering bijgevolg niet ontvankelijk.

4.2.4. Aangaande de kosten van het hoger beroep

4.2.4.1. Als in het ongelijk gestelde partij wordt de appellante veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep (artikel 1017, eerste lid Ger. W.).

4.2.4.2. De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep wordt vereffend op het geïndexeerde basistarief van 1.210,00 EUR (in geld waardeerbare vordering in de schijf gaande van 10.000,01 EUR tot 20.000,00 EUR).

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak, ten aanzien van de appellante bij toepassing van artikel 747, §2 Ger. W.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verklaart het hoger beroep van de appellante ontvankelijk, maar on-gegrond;

- bevestigt het bestreden vonnis;

- verklaart de tegenvordering van de appellante niet ontvankelijk;

- veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep en vereffent die aan de zijde van de geïntimeerde gevallen kosten als volgt:

o de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep: 1.210,00 EUR

Dit arrest werd gewezen door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

A. VAN RAEMDONCK plaatsvervangend raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS A. VAN RAEMDONCK

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

De raadsheer, dd. voorzitter van de eerste kamer heeft dit arrest uitgesproken overeenkomstig artikel 782bis, eerste lid Ger. W. in openbare zitting van VIERENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND DERTIEN.

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS M. BLEYENBERGH

Free keywords

  • Artikel 1315 BW

  • artikel 25, eerste lid W. Kh.

  • bewijslast

  • gebrek aan tijdig protest