- Arrêt of September 30, 2013

30/09/2013 - 2011AR2465

Case law

Summary

Samenvatting 1

De nietigverklaring van de verkoopovereenkomst wordt gevorderd op grond van bedrog.

Krachtens artikel 1109 B.W. is geen toestemming geldig, indien zij door bedrog is verkregen. (Hoofd)bedrog is oorzaak van nietigheid van de overeenkomst wanneer kunstgrepen of listen worden gebruikt met het doel en het resultaat bij iemand een verkeerde voorstelling van zaken op te wekken en hem aldus tot contracteren te brengen (artikel 1116, eerste lid B.W.). Incidenteel bedrog, dat enkel aanspraak geeft op schadeloosstelling op extracontractuele grondslag, onderscheidt zich van hoofdbedrog doordat het niet doorslaggevend is voor het sluiten van het contract: zonder het bedrog zou er alleen tegen minder bezwarende voorwaarden zijn gecontracteerd.

Krachtens artikel 1116, tweede lid B.W. wordt bedrog niet vermoed, maar moet het bewezen worden. De bewijslast rust op degene die zich beroept op bedrog (artikel 870 Ger. W.). Aan die bewijslast kunnen de geïntimeerden voldoen door alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen (artikel 1353 B.W.).

Bij artikel 1602 B.W. wordt voorgeschreven: "De verkoper is verplicht duidelijk te verklaren waartoe hij zich verbindt. Ieder duister of dubbelzinnig beding wordt tegen de verkoper uitgelegd".

Overeenkomstig zijn informatieverplichting bedoeld bij deze wetsbepaling, had de appellant tot taak in de onderhandse verkoopakte duidelijk te verklaren dat de boeken van de vennootschap waarvan de aandelen werden verkocht waren neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel. De akte vermeldt dienaangaande niets. Het stilzwijgen van de appellant in dat verband maakt in de gegeven omstandigheden een kunstgreep of list uit.


Arrêt - Integral text

1 e kamer

2011/AR/2465

H. C., geboren te ... en wonende te ...;

appellant,

vertegenwoordigd door mr. Isabelle Bacquaert, advocaat te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 123;

tegen het vonnis van de 9e B kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 28 juni 2011, aldaar gekend onder nr. A.R. 10/5045/A;

tegen:

1. E. V., zonder gekend beroep, geboren te ... en wonende ...; vertegenwoordigd door mr. Werenfried Schwagten, advocaat te 2850 Boom, Beukenlaan 118;

2. B. V. A., zonder gekend beroep, geboren te ... en wonende te ...;

verschenen noch in persoon, noch vertegenwoordigd door een advocaat;

geïntimeerden,

* * * * *

1. De feiten

De feitelijke gegevens die aan het geschil ten grondslag liggen, kunnen worden samengevat als volgt:

- op 6 maart 2010 verkoopt de appellant alle 100 aandelen in de BVBA R P aan de geïntimeerden (elk voor de helft) tegen de prijs van 6.000,00 EUR;

- de geïntimeerden laten gelden dat zij op 22 april 2010 werden geconfronteerd met het feit dat de BVBA R P door de rechtbank van koophandel te Antwerpen bij verstekvonnis van die datum failliet werd verklaard nadat de appellant zelf als zaakvoerder van die vennootschap op 15 februari 2010 de boeken ter griffie van de rechtbank van koophandel te Antwerpen was gaan neerleggen, feit waarvan zij niet op de hoogte werden gesteld;

- de geïntimeerden vorderen daarop in rechte de nietigverklaring van de verkoopovereenkomst wegens dwaling of bedrog;

- bij verstekvonnis van 7 juni 2010 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen wordt de verkoopovereenkomst van 6 maart 2010 nietig verklaard (wegens bedrog) en wordt de appellant veroordeeld tot betaling aan elk van de geïntimeerden van een schadevergoeding ten bedrage van 250,00 EUR, meer de gedingkosten.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij het bestreden vonnis op 28 juni 2011 op tegenspraak verleend door de 9e B kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen:

- wordt het verzet van de appellant toelaatbaar, maar ongegrond verklaard;

- wordt het verstekvonnis van 7 juni 2010 in al zijn beschikkingen bevestigd;

- en wordt de appellant veroordeeld tot de gedingkosten.

2.2. Bij zijn op 18 augustus 2011 ter griffie neergelegd "verzoekschrift tot hoger beroep" tekent de appellant hoger beroep aan tegen het hierboven bedoelde vonnis van 28 juni 2011.

2.3. De zaak werd vastgesteld bij toepassing van artikel 747, §2, derde lid Ger. W. en behandeld op de terechtzitting van 3 juni 2013.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. Naar luid van zijn op 30 december 2011 ter griffie neergelegde "besluiten in hoger beroep" vraagt de appellant:

- zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- dienvolgens het bestreden vonnis teniet te doen;

- opnieuw te oordelen:

de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerden ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren;

in ondergeschikte orde, C. L. te horen omtrent de aldaar nader aangeduide feiten;

- en de geïntimeerden solidair, in solidum, de ene bij gebreke van de andere, te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen.

-

3.2. Bij hun op 21 november 2011 ter griffie neergelegde "beroepsbesluiten" vragen de geïntimeerden:

- het hoger beroep van de appellant ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren;

- dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn onderdelen;

- de appellant te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep;

- en het arrest uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en met uitsluiting van de mogelijkheid tot borgstelling en/of kantonnement.

4. Beoordeling

4.1. Toelaatbaarheid van het hoger beroep

Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 28 juni 2011, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en stelt vast dat door de appellant tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op ontvankelijke wijze hoger beroep werd aangetekend.

4.2. Grond van de betwisting

4.2.1. De geïntimeerden vorderen de nietigverklaring van de verkoopovereenkomst van 6 maart 2010 onder meer op grond van bedrog. Meer bepaald verwijten zij de appellant de betrokken aandelen aan hen te hebben verkocht zonder hen in te lichten van het feit dat hij voordien reeds op 15 februari 2010 de boeken van de vennootschap had neergelegd. De appellant betwist die aantijging.

4.2.2. Krachtens artikel 1109 B.W. is geen toestemming geldig, indien zij door bedrog is verkregen. (Hoofd)bedrog is oorzaak van nietigheid van de overeenkomst (hetgeen de geïntimeerden hier vorderen) wanneer kunstgrepen of listen worden gebruikt met het doel en het resultaat bij iemand een verkeerde voorstelling van zaken op te wekken en hem aldus tot contracteren te brengen (artikel 1116, eerste lid B.W.). Incidenteel bedrog, dat enkel aanspraak geeft op schadeloosstelling op extracontractuele grondslag, onderscheidt zich van hoofdbedrog doordat het niet doorslaggevend is voor het sluiten van het contract: zonder het bedrog zou er alleen tegen minder bezwarende voorwaarden zijn gecontracteerd.

4.2.3. Krachtens artikel 1116, tweede lid B.W. wordt bedrog niet vermoed, maar moet het bewezen worden. De bewijslast rust op degene die zich beroept op bedrog (artikel 870 Ger. W.). Aan de geïntimeerden behoort het derhalve aan te tonen dat hun hierboven bedoelde beweringen stroken met de werkelijke toedracht van zaken. Aan die bewijslast kunnen de geïntimeerden voldoen door alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen (artikel 1353 B.W.).

4.2.4. De geïntimeerden tonen aan dat zij hier hebben gecontracteerd op grond van een verkeerde voorstelling van zaken. Krachtens de onderhandse verkoopakte van 6 maart 2010 droeg de appellant hen daarbij over tegen betaling van de prijs van 6.000,00 EUR: 100 hem toebehorende aandelen van de voornoemde BVBA R P "in volle eigendom, onder de gewone waarborg en voorwaarden als naar recht en deze hierna bedongen, voor vrij van enig pand, beslag of andere beletselen"; dit onder uitdrukkelijke vermelding in artikel 4 van de hiernavolgende "vrijwaring aangaande de regelmatigheid van de vennootschapsdocumenten en akten en van het beleid":

"a) De verkoper verklaart dat hij aan de koper alle documenten en akten heeft voorgelegd en alle inlichtingen en gegevens heeft verstrekt en niets heeft weggelaten of verzwegen, dat verkoper redelijkerwijze aan de kopers behoort te geven opdat deze laatste zich een juist oordeel over de wenselijkheid van de koopprijs kunnen vormen.

b) De verkoper waarborgt dat de boekhouding wettelijk in regel is en dat de nog op te stellen jaarrekening geen verborgen gebreken zal vertonen waardoor er geen heden correcte toestand van de vennootschap wordt weergegeven. De verkoper waarborgt ook de er een correcte financiële toestand van de vennootschap is weergegeven (aan de hand van bijgevoegde schuldenlijst.

c) De verkoper waarborgt ook dat alle niet op deze lijst voorkomende schulden, taksen, belastingen en onkosten dewelke betrekking hebben voor de datum van deze overeenkomst te zijnen laste zullen genomen worden

d) De verkoper waarborgt dat er sinds de laatst gekende boekhoudkundige cijfers de financiële situatie niet gekenmerkt is door een uit-zonderlijke negatieve evolutie en dat alleen normale exploitatielasten, in de lijn van vroeger, ten laste van de vennootschap zijn gevallen.

e) De verkoper waarborgt dat de vennootschap aan al haar sociale en fiscale verplichtingen heeft voldaan, uitgezonderd de Btw schuld de-welke op bijgevoegde schuldenlijst staat vermeld en staat garant indien er toch andere fiscale, BTW of RSZ schulden, of schulden bij de Sociale kas, dewelke betrekking hebben op de periode voor de overdracht van de bvba, hij deze ten laste zal nemen.

f) De verkoper waarborgt dat de vennootschap, buiten de door de kopers gekende lopende procedure bij de deurwaarder, geen andere zaken gerechtelijke zaken meer lopen.

...".

In de gegeven omstandigheden mochten de geïntimeerden ervan uitgaan dat zij overgingen tot de aankoop van de aandelen van een vennootschap, zij het een met bepaalde schulden vermeld op een bijgevoegde lijst, maar zeker niet van een vennootschap wier boeken kort voordien door de appellant zelf ter griffie van de rechtbank van koophandel te Antwerpen waren neergelegd.

Uit niets blijkt dat met de werkelijke toedracht van zaken zou stroken, de door de geïntimeerden betwiste bewering van de appellant dat zij ten tijde van de totstandkoming van de verkoopovereenkomst van 6 maart 2010 op de hoogte zouden zijn geweest van het feit dat hij de boeken van de vennootschap op 15 februari 2010 reeds had neergelegd.

De onderhandse verkoopakte van 6 maart 2010 rept daarover met geen woord. Dat alle oproepingen in verband met het faillissementsgeding zijn toegezonden aan de maatschappelijke zetel van de vennootschap, toont het tegendeel niet aan. Al evenmin als het feit dat het faillissementsvonnis van 22 april 2010 op de maatschappelijke zetel van de vennootschap werd betekend. De geïntimeerden beroepen zich weliswaar niet

op de bepaling van artikel 1341 B.W. Niettemin wordt niet ingegaan op het aanbod van getuigenbewijs (van de persoon die bij de verkoop zou hebben bemiddeld: de BVBA M, vertegenwoordigd door haar zaakvoerder, C. L.) dat de appellant in ondergeschikte orde formuleert. Dat aanbod heeft immers geen betrekking op afdoende naar ruimte en tijd bepaalde en ter zake dienende feiten (artikel 915 Ger. W.).

4.2.5. Al evenzeer staat vast dat deze verkeerde voorstelling van zaken hier doorslaggevend is geweest voor de geïntimeerden. Aangenomen wordt dat de geïntimeerden de betrokken aandelen op 6 maart 2010 niet zouden hebben aangekocht, mochten zij ervan in kennis geweest zijn dat de boeken van de vennootschap op 15 februari 2010 door de appellant waren neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel te Antwerpen.

4.2.6. Ook het materieel bestanddeel van het ingeroepen bedrog, zijnde de aangewende kunstgrepen of listen, is ter zake bewezen.

Het staat vast dat de appellant, op het ogenblik van de totstandkoming van de verkoopovereenkomst van 6 maart 2010, op de hoogte was van de neerlegging van de boeken van de vennootschap ter griffie van de rechtbank van koophandel te Antwerpen. Als zaakvoerder van die vennootschap was de appellant zelf immers overgegaan tot die neerlegging.

Bij artikel 1602 B.W. wordt voorgeschreven:

"De verkoper is verplicht duidelijk te verklaren waartoe hij zich verbindt. Ieder duister of dubbelzinnig beding wordt tegen de verkoper uitgelegd".

Overeenkomstig zijn informatieverplichting bedoeld bij deze wetsbepaling, had de appellant tot taak in de onderhandse verkoopakte van

6 maart 2010 duidelijk te verklaren dat de boeken van de vennootschap waarvan de aandelen werden verkocht, op 15 februari 2010 waren neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel. De akte vermeldt dienaangaande niets. Het stilzwijgen van de appellant in dat verband maakt in de gegeven omstandigheden een kunstgreep of list uit.

4.2.7. Het moreel bestanddeel van het ingeroepen bedrog, zijnde het opzet van de appellant om door middel van de hierboven bedoelde kunstgreep, de geïntimeerden tot het aangaan van de verkoopovereenkomst te bewegen, acht het hof insgelijks bewezen. De appellant wist terdege dat de verkoopovereenkomst niet zou doorgaan indien de geïntimeerden ervan op de hoogte waren dat de boeken van de vennootschap kort voordien ter griffie van de rechtbank van koophandel te Antwerpen waren neergelegd. Hij heeft bewust gezwegen.

4.2.8. Dat de geïntimeerden geen verzet hebben aangetekend tegen het faillissementsvonnis van 22 april 2010, doet hier niets ter zake. Het stil-zitten van de geïntimeerden in dat verband ontneemt hun niet het recht om op grond van hoofdbedrog de nietigverklaring van de verkoopovereenkomst van 6 maart 2010 met schadeloosstelling te vorderen. Hetzelfde geldt voor het feit dat de geïntimeerden de appellant nooit in gebreke hebben gesteld. De inleidende dagvaarding dateert overigens reeds van 6 mei 2010.

4.2.9. Uit wat voorafgaat volgt dat de verkoopovereenkomst van 6 maart 2010 nietig blijft op grond van bedrog. In deze omstandigheden moet niet verder worden ingegaan op de andere door de geïntimeerden ingeroepen rechtsgronden (dwaling), die immers geen meerdere gevolgen kunnen teweegbrengen.

4.2.10. De bijkomende schadevergoeding van 250,00 EUR die ten laste van de appellant aan elk van de geïntimeerden werd toegekend, wordt als dusdanig niet betwist. Waarvan akte.

4.2.11. Als in het ongelijk gestelde partij wordt de appellant veroordeeld tot de kosten van het hoger beroep (artikel 1017, eerste lid Ger. W.). De rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep wordt, conform de vordering van de geïntimeerden, vereffend op het (geïndexeerde) basistarief van 990,00 EUR (terwijl normaal het geïndexeerde basistarief van 1.320,00 EUR van toepassing is, aangezien het hier gaat om een niet in geld waardeerbare vordering).

4.2.12. Op de vordering van de geïntimeerden om het arrest uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder mogelijkheid tot borgstelling of kantonnement, wordt niet ingegaan. Krachtens artikel 1118 Ger. W. heeft de voorziening in cassatie in burgerlijke zaken in principe geen schorsende werking, zodat deze vordering zonder bestaansreden is.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak, bij toepassing van artikel 747, §2 Ger. W. ten aanzien van de tweede geïntimeerde.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- verklaart het hoger beroep van de appellant ontvankelijk, maar ongegrond;

- bevestigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt de appellant tot de kosten van het hoger beroep en vereffent deze aan de zijde van de geïntimeerden gevallen kosten als volgt:

o de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep: 990,00 EUR

Dit arrest werd gewezen door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

G. HUYGHE plaatsvervangend raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS G. HUYGHE

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

De raadsheer, dd. voorzitter van de eerste kamer heeft dit arrest uitgesproken overeenkomstig artikel 782bis, eerste lid Ger. W. in openbare zitting van DERTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND DERTIEN.

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS M. BLEYENBERGH

Free keywords

  • Verkoopovereenkomst

  • vordering tot nietigverklaring

  • geldigheidsvereisten overeenkomst

  • bedrog

  • art 1116, 2e lid BW

  • art. 1353 BW

  • artikel 1602 BW